Digibron.nl

Vloeken in militaire dienst

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 25 april 1958
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 6

RONDKIJK

Deze keer wil ik het eens hebben over onze jonge mannen, die hun intrede in de militaire dienst doen. Voorop wil ik zeggen, dat uw rondkijker nooit „gediend" heeft, dus niet uit de praktijk kan beoordelen, wat het militaire leven is. Wat hij er van weet, weet hij van jongens, die hem hun ervaringen vertellen en uit brieven, die hij zo nu en dan ontvangt. Het is eigenlijk naar aanleiding van een brief van een recruut, die mij zijn belevenissen van de eerste weken van zijn diensttijd vertelt, dat ik deze regelen schrijf. Een brief, waar ik toch wel een beetje van geschrokken ben. Ik laat de jongeman, hieronder zelf aan het woord.

„Dat er een spreekwoord is: „hij vloekt als een Hollander" was mij bekend. Maar dat er zó gevloekt wordt onder de soldaten, doet mij gewoon ijzen. Terwijl ik déze regels zit te schrijven, hoor ik een jongen een liedje zingen, waarin negen grote vloeken voorkomen! Alles wordt vervloekt en verwenst — het is bijna niet uit te houden! Vanzelfsprekend protesteer ik daartegen, maar het geeft geen resultaat. Met één jongen, die het erg zwaar heeft, ben ik een beetje op goede voet geraakt. Ik heb hem zondag meegenomen naar de kerkdienst in de kazerne — die ongeveer drie kwartier duurt, met veel zingen — hij beloofde mij te zullen proberen het vloeken te laten. Hij deed het mechanisch, zo zei hij; hij dacht er niet bij door."

Zo ongeveer was de inhoud van de brief van deze jongeman, die verleden week onder ogen kreeg. Is het niet verschrikkelijk? Een vloekend leger — wat kan daar van te verwachten zijn. Het is de superieuren verboden te vloeken tegen de soldaten — tegen het vloeken onder elkaar, in de kazerne, dienden toch wel strengere maatregelen te worden genomen.

Genoemde jongeman schreef mij ook, dat het hard werken was, die eerste weken in dienst — ik laat dat op z'n plaats, er moeten nu eenmaal geen papsoldaten worden gekweekt. Maar dat men zondags, op de dag des Heeren, óók order krijgt om te werken — en dan van die onbenullige v/erkjes als nummertjes op de kleding naaien — is toch meer dan erg. Dat is dienst, zegt men dan — is dat nu werkelijk nodig? We weten niet hoe de dienstvoorschriften luiden, we trekken het in twijfel, of dit op Gods dag een soldaat mag worden opgelegd. Ik heb hem geschreven, dat hij daarover althans moet requestreren.

Het is geen wonder dat de meeste jongens tegen de militaire dienst opzien. Het is zo'n geheel andere wereld, dan thuis, waar ze in terecht komen. Niet alleen, omdat er een strenge discipline heerst — die m.i. nodig is — maar meer, omdat men in zo'n „goddeloze boel" terecht komt. Waar de legerpredikant een film of een toneelstuk aanbeveelt, om zondags naar toe te gaan!

Onze jongens staan er vaak als eenzamen; zondags niet reizen; naar geen bioscoop of andere vermaken; nagewezen of schouderophalend bekeken, omdat ze tot de „fijnen" behoren en hun beginsel vasthouden.

Het is goed dat men in onze gemeenten zijn taak t.o.v. onze militairen verstaat; dat er recrutendagen worden gehouden, dat men ze adressen verschaft in garnizoensplaatsen waar ze 's avonds hun tijd kunnen slijten, dat men ze helpt aan formulieren om niet behoeven te worden gevaccineerd; enzovoort. Bovenal dat er gebed voor hen is; het doet mij goed dat ik iedere zondag in de kerk mag horen, dat ze in den voorbede worden herdacht, om bewaard te worden tegen de verleidingen en staande te blijven in hetgeen hun geleerd is.

Met klem wil ik er nog eens op aandringen, wanneer in de garnizoensplaatsen des zondags jongens in de kerk zijn, deze toch vooral te vragen mee te gaan naar huis, om hen daar een gezellig uur te bezorgen. De jongens hebben het vaak zo moeilijk. Vooral in die eerste weken, dat ze van het ouderlijk huis weg zijn. * *

Tot slot heb ik nog een brief te beantwoorden van een lezeres uit Kampen, die mij vroeg, op welk boek ik doelde uit de V.C.L., waarop ik kritiek geleverd heb. Hiermee bedoel ik „Niemand is alleen" van Annie Ferwarda-van den Berg. De heldin van het verhaal heeft een doodskwaal: e wilde voor haar dood 3 dingen:1. Sonja bezoeken (Sonja, een statenloze vrouw, die te koop is voor iedere man die haar prijs wil betalen). 2. Een vioolconcert horen. 3. De zee zien. Dat zijn de wensen van iemand die weet, dat ze nog enkele maanden, enkele weken te leven heeft. Dansen, bioscoop èn godsdienst wordt hier door elkaar gehaald. Godsdienst ook, natuurlijk, want Geesje, zo heet de gescheiden vrouw, gaat tóch naar de hemel. Dat is het happy end. Maar de grond voor de zaligheid, daar lees ik niets van.

Zulke lectuur moeten we uit onze bibliotheken weren en onze jongens en meisjes maar niet voorzetten.

Mijn lezeres is er van overtuigd, dat het zeer moeilijk is nieuwe boeken te kiezen voor een bibliotheek. Zij vraagt mij: „is het mogelijk om een onderling contact tussen de bibliotheken van onze J.V.'s en M.V.'s te bewerkstelligen? We zouden elkaar kunnen helpen en over uitgaven schrijven die wèl of niet aanbevolen kunnen worden."

Ik geef dit punt gaarne door. De bibliothecarissen schrijven maar eens aan de secretaris van ons Landelijk Verband, de heer Hoogendoorn te Gouda. Die kan het dan eens in het bestuur brengen. En mogelijk kom ik er dan wel op terug.

RONDKIJKER.