Digibron.nl

DE ZES SCHEPPINGSDAGEN

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 3 februari 1956
Auteur: K.
Pagina: 3, 4

DE WERKEN GODS

5.

De almachtige God, clie hemel en aarde schiep, en in de hemel cle engelenwereld tot aanzijn riep, heeft ook cle aarde toebereid tot een woonstede voor cle mens.

De gehele wereld met al haar delen en onderdelen had Hij wel in één ogenblik, in al haar pracht, kunnen voortbrengen, maar dat is cle wil van de Schepper niet geweest. Hij heeft er de voorkeur aan gegeven om ze trapsgewijze te doen toenemen in geschiktheid voor haar toekomstige bew r oners.

De ongelovige wetenschap, die niet eens aan een schepping uit niet gelooft, wil natuurlijk helemaal niets weten van een zesdaagse periode, waarin de aarde haar tegenwoordige gestalte zou hebben ontvangen. Zij spreekt van miljoenen jaren, waarin cle ene stof langzamerhand uit de andere ontstaan is, en van cle oercel, waaruit eerst het mindere en later het meerdere zich ontwikkeld heeft.

Wij hebben er geen behoefte aan, om deze dwaling des ongeloofs hier te bespreken of te weerleggen; immers voor cle lezers van „Daniël" staat het onomstotelijk vast dat cle wereld met al wat erop en in en onder is, het produkt is van cle scheppende kracht des Heeren.

Maar wel moeten we hier even waarschuwen tegen een mening, die ook onder christenen hoe langer hoe meer veld wint, n.1. dat wel God cle Schepper is, maar dat Hij na eerst cle hemel en de aarde geschapen te hebben, alsnu in zes zeer langdurige perioden de verdere voltooiing van het geschapene heeft afgewerkt. Men meent, dat cle zes scheppingsdagen geen gewone dagen van 24 uur geweest zijn, doch tijdperken van duizenden jaren, en dat — zeer zeker door het bestel en cle medewerking des Heeren — in clie zes lange tijdperken de aarde van lieverlede een gedaanteverwisseling heeft ondergaan, clie tenslotte uitliep op cle schepping van de mens.

Men beroept zich voor clie mening op tweeërlei. Ten eerste, zo zegt men, kunnen de scheppingsdagen geen gewone dagen van een etmaal geweest zijn, omdat eerst op cle vierde dag cle zon geschapen is, en vóór die tijcl er dus geen zonsop-en ondergang geweest is, die immers cle maat der dagen bepaalt. En ten tweede beroept men zich op talrijke uitspraken van de Heilige Schrift, waarin over „dag" gesproken wordt, en er klaarblijkelijk een ruim tijdperk mee bedoeld wordt. En — zo zegt men — als er nu op verschillende plaatsen in cle Bijbel van „dagen" gesproken wordt, die wel eeuwen duurden, waarom zou het dan ook niet mogelijk zijn, dat de scheppingsdagen zulke langdurige perioden geweest zijn?

Nu is het voorzeker waar, dat er in de Bijbel herhaaldelijk gewag gemaakt wordt van „dagen", clie een langere tijd clan 24 uur bedoelen. De komst en cle rondwandeling van de Heere Jezus op aarde, die 33 jaar duurde, wordt geprofeteerd als cle „dag" des Heeren. Gods wraakoefening over de goddelozen, zoals over Babel, Egypte, Assyrië en an-

dere landen, die soms jarenlang duurde, wordt genoemd „de dag der wrake onzes Gods". En meermalen lezen we in de profetieën cle uitdrukking: „Te dien dage, dien lk maken zal", en dan wordt er gedoeld op een tijdperk van vele jaren of eeuwen.

Toch getuigt het van grote oppervlakkigheid, wanneer men een uitspraak in de profetische geschriften op één lijn gaat stellen met een historische mededeling. De profetische geschriften zijn alle in symbolische taal gesteld, en hebben, hoewel zij zich bedienen van aardse en stoffelijke voorstellingen en begrippen, toch altoos een geestelijke, overdrachtelijke betekenis. Maar als de Schrift ons historische mededelingen doet, d.w.z. als zij feiten en gebeurtenissen noemt, die in de gang van het aardse leven plaats vinden, dan hebben wij clat letterlijk op te vatten, precies zoals het er staat. En cle mededelingen in Genesis 1 zijn niet profetisch, niet symbolisch, niet geestelijk te verstaan, maar letterlijk, precies zoals de dingen genoemd worden.

Spreekt de Schrift dus van het scheppingswerk Gods, als in zes dagen tot stand gebracht, dan is er geen enkele steekhoudende reden om te menen, dat wij hier met symbolische cijfers te doen hebben, maar hebben we te denken aan werkelijke, heel gewone dagen van 24 uur. Want laat het zo zijn, clat gedurende cle eerste drie dagen geen dag-en nachtscheiding bestond, omdat de zon er nog niet was, dan zij daartegen opgemerkt dat op de vierde, vijfde en zesde dag de zon er toch wel was, en dat in ieder geval die laatste drie dagen bepaald zijn geworden door de zonsop-en ondergang. En waar voorts de Heere geen onderscheid maakt tussen het eerste en het tweede drietal scheppingsdagen, maar ze steeds in één adem noemt, door altoos te spreken van zes dagen en het refrein telkens klinkt: „Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, cle zoveelste dag", daar doen wij het veiligst wanneer we ons houden aan de gewone opvatting, dat de zes scheppingsdagen gewone dagen geweest zijn. Ware het anders geweest, clan zou de Heere clat ook wel duidelijk hebben laten optekenen in de Schrift.