Digibron.nl

Verkiezing en verwerping

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 4 maart 1955
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 7

(ii)

God volvoert Zijn raadsplan!

Zo hebben we dan gezien, wat de beweegredenen van Gods verkiezing niet geweest zijn; laat ons dan nu eens nagaan, wat ze wel zijn geweest, m.a.w.: Waarom heeft God wèl uitverkoren?

En dan luidt het antwoord: Omdat God een raadsplan uitvoert, en in dat raadsplan aan elk deel van Zijn schepping een plaats en een taak geeft.

Schepping en herschepping mogen we nooit van elkander losmaken. Zowel bij de Schepping als bij het werk der herscheppende genade gaat God de Heere te werk naar een door Hem zelf gemaakt bestek. De dichter van Psalm 89 zingt daarvan: „Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, Naar Uw gemaakt bestek, In eeuwigheid zal rijzen!" De Schepping is een Goddelijk bouwwerk, waarin Zijn Bouwheerskunst lieerlijk schittert. En de werken Zijner genade zijn eveneens Zijn bouwwerk, een Godsgebouw, waarvan het heet in Psalm 122: „Jeruzalem is wel gebouwd, Wel saamgevoegd; wie haar beschouwt, Zal haar voor 's Bouwheers kunstwerk groeten."

Voor de bouw van die beide Godstempels (Schepping en Herschepping) gebruikt God Zijn schepselen als materiaal. In het rijk der schepping zijn het naast de mensen, ook de dieren en planten en bomen en bergen en dalen; de zeeën en de afgronden. Allen en alles roept cle heerlijkheid en grootheid en almacht van zijn Maker uit. En aan elk onderdeel van de schepping heeft God een aparte taak en plaats gegeven.

De koning, die op cle troon zit. heeft een eigen plaats in te nemen in het raderwerk der schepping; maar het eenzame alpenplantje, hoog op de ongenaakbare toppen der bergen, en wat door geen mens te bereiken en te aanschouwen is, dan door God alleen, heeft eveneens een aparte bestemming van God gekregen. De leeuw, de koning van het woud, die door zijn vervaarlijk gebrul alle woudbewoners doet sidderen, heeft een eigen taak; maar het schuwe kolibrietje, dat angstig van tak op tak huppelt, heeft niet minder, zij het op een andere wijs, zijn Maker te loven en te dienen.

En nu komen de vragen: Waarom is de leeuw een leeuw, en waarom is hij geen klein kolibrietje? Waarom zit cle koning in vorstelijke pracht op zijn troon? En waarom is hij geen arme dagloner, of meer nog, waarom is hem een plaats gegeven zoveel heerlijker en roemrijker dan het eenzame, vergeten alpenstruikje? Op al die vragen is er slechts één antwoord: Omdat God in het bouwwerk van Zijn schepping aan elk schepsel een plaats gegeven heeft, die door Hem zelf is uitverkoren en aangewezen. Indien de Heere met Zijn schepping geen raadsplan volvoerde, ja, dan zou de vraag bestaansrecht hebben, waarom het zó en niet anders is; maar bij cle uitvoering van een bestek, van een plan, is elk deel zijn juiste plaats toegewezen; en op die plaats, op die plaats alleen, kan het dienstbaar zijn aan het oogmerk des Scheppers.

Zo handelen wij, mensen, ook. De prachtige gevelsteen, die het huis siert, is de juiste plaats gegeven; maar cle onzichtbare heipalen, die diep in cle grond worden gedreven, hebben ook hun bepaalde en voor het doel meest geëigende plaats ontvangen. Elk deel op zijn plaats, doet de gedachte, het plan van cle architect, mede verwezenlijken. En zulk een plan, zulk een bouwgedaehte is nimmer te verwezenlijken, of er komt uitverkiezing bij te pas. De architect kiest deze steen voor de voorgevel; clie voor de achterwand; dit hout voor de vloeren; dat hout voor cle kap, enz. enz.

En' zo heeft cle Heere nu ook gedaan met het grote werk der herscheppende genade; met de bouw van Zijn eeuwig, onbeweeglijk, geestelijk Koninkrijk. Ook daarbij moet elk mensenkind zijn bijzondere plaats innemen. Daar prijken Paulus en David en Abraham en vele martelaren als sierlijke gevelstenen; daar zijn andere mensen, die een plaats meer binnenwaarts of aan cle achterzijde is toegewezen; ieder is er op cle plaats, waar hij het meest kan dienen tot cle volvoering van Gods raadsplan.

Maar bij clie bouw is er ook steigerwerk. Planken en palen en schuttingen, clie wel moeten meedienen bij de bouw, maar die zelf straks zullen worden afgebroken. Farao, die zijn hart verstokte; Saul, clie tot wanhoop verviel; Judas, clie zijn Heere verried; het zijn allen uitverkoren instrumenten tot de bouw van de Godstempel; maar helaas! ze zijn niet meer dan steigerwerk; niet verkoren om in de tempel te blijven, maar om er slechts aan te arbeiden, en straks weggeworpen te worden.

Zo is dus het antwoord op cle vraag: „Waarom heeft God uitverkoren? " dit: Omdat Ilij een raadsplan volvoert, waarvoor Hij Zijn materiaal vrijmachtig verkiest. Nog meer is hieromtrent op te merken, doch dat doen we, zo de Ileere wil, in een volgend artikel.