Digibron.nl

DE STEEN DER HULPE

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 26 juni 1953
Auteur: Ds A. Verhagen.
Pagina: 1, 2

Samuël nu nam een steen en stelde die lussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam , , Eben Haezer", en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen". (1 Sani. 7 : 12)

Wat een heerlijk, schouwspel wordt ons in dit hoofdstuk getoond. Een volk, dat zijn schuld en af' wijking betreurt voor het aangezicht des Heeren.

Zij gieten in de gebeden hel hart als water uit voor hel aangezicht des Heeren. Op die grote dag wordt er gevraagd om de voorbede van Samuël. Hoe groot is dat: een biddend volk in verootmoediging en een biddende leidsman. Maar zonder offer kon Saniuel niet komen voor Gods aangezicht, zodat hij in zijn voorbede zag op een lam en door dat Jam op het komende Lam Gods, dat alleen het vermogen heeft om de zonden weg le dragen.

Niet in het volk, en ook niet in Samuel lag de grond van verwachting, o neen, maar buiten hen ïii die dierbare Heere Jezus, Die Zichzelf Gode onstraffelijk zou opofferen.

Samuel, hij ontving vrijmoedigheid en mocht pleiten oj> 's Heeren eigen toezegging, want als zij zich schuldig leerden kennen, dan zou Hij aan Zijn verbond gedenken. Nu gaat het niet om maar ook niet zonder het zich schuldig kennen. Roe nodig is hot om dat persoonlijk en ook bevindelijk te leren kennen. Ook voor U, mijn jonge vrienden is dat liet ene nodige en van harte wens ik dat U zulks eens gebeuren mocht. Hoe groot is de oppervlakkigheid in onze dagen, zodat men de drie stukken onzer Catechismus miskennen gaat. Ellende, en dan alleen verlossing, maar dan ook pas kan de ware dankbaarheid beoefend worden.

Hoe kennelijk liet zich de Heere verbidden, want toen de Filistijnen opkwamen om tegen hen de strijd aan te binden, donderde de Heere te dien dage met een grote donder over hen. Dit teken van Gods mogendheden loont, dat Hij zèll' voor Israël

strijdt, hun vijanden in verwarring brengt en hun trotse leger wijd en zijd verstrooid doet vluchten.

Samuel mocht Gods hand in die uitredding zien cn nu is het zijn wens dat dit nimmer mocht worden vergeten. Zie eens hoe een verootmoedigd volk gebedsverhoring ontvangt. Dit wil Samuel zijn volk inprenten, llij vergenoegt er zich niet mede de weldaden te ontvangen en dan voorts aan de Gever niet meer te denken. De Heere had hij Samuel de eerste plaats en dat bewees hij door een betekenis' volle daad.

Na de overwinning neemt hij een steenklomp* en op dezelfde plaats waar de vijand werd vernederd en liet volk werd verlost, richt hij die steen op als een monument ter gedachtenis. Die gedenksteen moet een naam hebben. Want Samuel's daden behoeven niet vereeuwigd te worden, o neen, maar van des Heeren werk moet hij spreken voor het huidige en ook voor liet komende geslacht.

Daarom de naam „Eben-Haezer", Steen der Hulpe, opdat de Heere geëerd worde voor Zijn wonderlijke uitredding. Dan is die steen, die daar is opgericht le Mizpa ook tot een getuigenis voor de toekomst. Zij, die uit genade de Heere vrezen, zullen ook op hun weg gedenkstenen hebben. Zij zullen herinnerd blijven aan eigen schuld on diepe onwaardigheid, maar ook aan de daden des Heeren, die Hij gewrocht heeft.

Zij waren tot hiertoe geholpen on waar de vijanden niet vernietigd zijn, zal de hulpe des Heeren nodig blijven, hel ganse leven door. Maar dan kan een geloofsblik in het verleden de sterkte zijn voor liet lieden en een gegronde hoop voor de toekomst.

Zeven jaargangen van , .Daniël" liggen achter ons; de achtste gaan wij hij deze in. En dan mogen wij ook wel betuigen, dat de Heere ook ons tot hiertoe heeft geholpen. Het scheen weleer onmogelijk een blad tot leiding van onze jeugd te krijgen. Vele jaren was er naar gevraagd en sterk naar verlangd < -n wij mochten bet zien gebeuren. Al was het

een Gideonsbende die het werk mocht ontvangen en al werden de hoofden wel eens geschud, of hel wel stand zou houden; dit kunnen wij zeggen, dat niettegenstaande al de schuddingen welke in al die jaren zijn doormaakt: „Daniël" is er nog! En dal niet omdat wij liet gedaan hebben, o neen, maaide Heere is het, die ook ons tot hier toe heeft geholpen. En als wij vooral nu, op alles zien dan kan vrees wel eens ons hart vervullen en zijn wij geneigd te denken en misschien ook wel om te zeggen „wat zal er nu staan te gebeuren", maar zien wij dan achteruit wat de Heere gedaan heeft, dan is zulks de enige hoop, die ons hart verlevendigen kan, niettegenstaande onze eigen onwaarden.

Daarom vrienden, laten wij zulk een gedenkteken oprichten, opdat de stenen spreken en wij onder allerlei beroeringen, welke voor onze jonge mensen grote gevaren kunnen medebrengen, aan Gods Woord verbonden en ook aan elkander nauw verbonden mochten zijn, om als één enig man samengesnoerd het goede voor elkander te mogen zoeken.

Dat daartoe ons geliefd blad „Daniël" mede dienstbaar gesteld mag worden.