Digibron.nl

VRAGENBUS

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 26 september 1947
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 7, 8

W. B. te K. vraagt als iemand gedoopt is in geloof, hoop en liefde, of hij dan overgedoopt moet worden als h\j lid wenst te worden van de Geref. Gemeente.

Anfcw.: De doop moet altijd geschieden in de naam van een Drieëenig God.

1e. omdat Christus bij het bevel van de doop, die woorden heeft gebruikt;

2e. omdat men in de naam van de Heilige Drieëenheid gedoopt moet worden, daar er geen God is als Die;

3e. iedere persoon heeft een bijzonder opzicht op de dopeling;

4e. het uitspreken van die woorden is van alle tijden in de kerk des Heeren in gebruik.

Als de apostel in Hand. 2 : 38 vermaant, dat zij zich zouden laten dopen in de naam van Jezus Christus en in Hand. 8 : 16 verhaald wordt, dat die van Samaria

in de naam des Heeren Jezus gedoopt waren, blijkt daaruit niet, dat zij gedoopt zouden hebben met de formule: „Ik doop u in de naam van Jezus Christus", en dat zij niet gebruikt zouden hebben de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, maar die uitdrukkingen geven alleen te kennen het dopen op bevel en naar de ordinantie van Christus. In de naam van Christus is niet met uitsluiting, maar insluiting van de Vader, de Zoon en de H. Geest.

Ds. van Reenen zegt: „En toch zijn er wel, die het aandurven om te dopen in de naam der natuur of-in de naam der humaniteit of in de naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dat komt er van als men Gods Woord loslaat en eigen inzichten plaatst boven de ordinantiën des Heeren. 't Zal vreselijk zijn als zulke spotters onbekeerd sterven en in de Naam des Drieën igen voor eeuwig zullen verdoemd worden."

Uit het bovenstaande blijkt dus, dat een doop in de naam van geloof, - hoop en liefde, geen doop is.

Natuurlijk moet zo iemand, die tot de Geref. Gemeente wenst over te komen opnieuw gedoopt worden.

T. d. W. te M. vraagt waarom er in Matth. 13 : 15 staat opdat zij niet zien, terwijl er in het 13e vers staat omdat zij niet zien.

Antwoord: U maakt het mij niet gemakkelijk. Ik zal echter, na ernstig onderzoek, mijn mening zeggen.

Het voegwoord „opdat" drukt een doel uit, terwijl „omdat" een reden aangeeft.

Nu weet u, evengoed als ik, dat „opdat zij niet zien", niet betekenen kan, dat God de auteur van de verharding der harten zou wezen. De Statenvertaling zegt, dat de uitwerking van het gepredikte Woord door Jesaja bij de boze Joden verharding des harten zou teweeg brengen. Zij zouden zich niet alleen niet bekeren, maar zich nog halsstarriger en wederstrevender aanstellen, dewijl God hen door Zijn rechtvaardig oordeel in een verkeerde zin zou overgeven.

De oude Godgeleerden spraken over de werkzaamheid Gods bij de verharding aldus: „Noch de oorzaak, noch het resultaat der verharding is van God; 't is zo, dat Hij werkelijk het hart verhardt, wat de genade doet verwerpen. Hij laat wegzinken in steeds hardnekkiger tegenstand, wederhoudt de satan nu niet langer maar laat hem, tot waarschuwing en afschrik in zijn werkingen naar hartelust openbaar worden en geeft aan de goddeloosheid gelegenheid al meer en meer in haar afschuwelijkheid toe te nemen.

Als de Heere Jezus in het 13e vers zegt: „omdat zij niet zien", dan gebruikt Hij deze uitdrukking, omdat Hij wist wie Zijn hoorders waren.

Er staat: „Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen, noch ook verstaan".

Sommigen waren moedwillig onwetend en dezen werden door de gelijkenissen in verbijstering gebracht. Zij hadden hun ogen gesloten voor het heldere licht van Christus' duidelijker prediking en daarom werden zij nu in het duister gelaten. Zij zien Christus' persoon maar zij zien niet Zijn heerlijkheid; zij zien geen verschil tussen Hem en een ander mens.

Het is rechtvaardig in God om het licht te ontnemen aan hen, die er hun ogen voor sluiten. Dat zij die geen kennis willen hebben, dan ook zonder kennis zijn en God, aldus met hen handelende verheerlijkt Zich in de verharding des zondaars, maar ook in Zijn onderscheidene genade aan hen, die met David zuchten: „Open mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet".