Digibron.nl

Uitvindingen

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 25 november 1955
Auteur: RONDKIJKER
Pagina: 6

RONDKIJK

Het technisch kunnen van de mens heeft een ontzettende hoge vlucht genomen. We verbazen ons over niets meer. We lezen in de kranten van raketten en van ruimtevaart en we gaan er gewoon aan voorbij. In een halve eeuw tijds zijn zoveel elkaar snel opvolgende uitvindingen gedaan, die nog met de dag vermeerderen, dat men zich wel eens afvraagt in welke wereld leven we? Ik herinner me, dat in het dorp waar ik woonde, de eerste auto kwam; we liepen als jongens te hoop om dat wonderding, dat zich met groot lawuit voortbewoog, van dichtbij te zien. En nu kijken we niet meer op als boven ons hoofd een straaljager scheert!

Niets schijnt meer onmogelijk. Mijn vriend, de scheikundig ingenieur, voorspelde me jaren geleden al, wanneer atomen zouden kunnen worden gesplitst, dat zich dan geweldige omwentelingen zouden voordoen, op mechanisch gebied, zo zelfs, dat grote zeeschepen er door zouden worden voortbewogen en fabrieken er energie van zouden ontvangen. Ofschoon hij het zo populair mogelijk uiteenzette begreep ik er niet veel van — en nog niet! — het is echter reeds lang werkelijkheid geworden. Geleerden in tal van landen zijn het er over eens, dat de atoomenergie voor industriële doeleinden binnen niet al te lange tijd zal kunnen concurreren met energie, die met de conventionele brandstoffen — kolen en aardolieproducten — wordt opgewekt; in de naaste toekomst zal men atoomenergie op grote schaal beginnen toe te passen. Er is internationale samenwerking op dit gebied, de Verenigde Staten van Amerika sloten overeenkomsten af met 28 landen m.b.t. de toepassing van atoomenergie voor vreedzame doeleinden.

Voor een tweede, nieuwe energiebron, gaat men nu de zon gebruiken. Zonne-energie zal men omzetten in electriciteit! Het is kostbaarder dan atoomenergie, maar deskundigen zijn van mening dat binnen verloop van tijd tal van apparaten met zonne-energie zuilen worden aangedreven. In de bladen hebben we kunnen lezen dat de Bell Telephone Gompany in Amerika door middel van een nieuw soort zonnebatterij de kracht heePt opgewekt voor een plattelands telefoondienst. In een symposium (wetenschappelijke 1 jij— eenkomst) werd door geleerden betoogd, dat atoom-en zonne-energie zich naast eikaar op bepaalde wijze zullen aanvullen, waarbij de laatste voornamelijk op het platteland zal worden gebruikt en de atoomenergie in de grote steden.

Uw rondkijker wil zich daarin niet verder verdiepen omdat het verre boven zijn begrip gaat. Het gaat echter niet aan hem voorbij. Wij leven midden in een wereld, die al wonderlijker en onbegrijpelijker wordt. Het kan ons wel eens doen huiveren. Wanneer de krachten die de mens, onder de toelating Gods weet te ontplooien zouden worden gebruikt ter vernietiging, dan zal men tenzij de Heere ons bewaart, nergens op aarde meer veilig zijn. Ik vraag me vaak af, wat zullen onze kinderen, onze jongens en meisjes als ze oud mogen worden, niet mg al meer beleven?

Hoe hebben we tegenover al die wetenschap en uitvindingen te staan? Calvijn zegt, alle wetenschap is van God, de mens heeft het niet uit zichzelf. Hij staat zelfs mild t.o.v. de heidense wijsgeren, wiskundigen en natuurwetenschappelijken van zijn tijd. „Zullen wij die houden voor dwaasheden van verstandelozen? " zo vraagt hij. (Institutie II, II, 16) Hij heeft er bewondering voor. Van hen, zo zegt Calvijn, welke de Schrift natuurlijke mensen noemt, die in het onderzoek der lagere dingen zo scherpzinnig en rijk aan inzicht geweest zijn, moeten wij leren, hoeveel goederen de Heere aan de menselijke natuur gelaten heeft, nadat zij van het ware goed beroofd is. „Indien de Heere", zo gaat Calvijn in hetzelfde hoofdstuk verder, door de moeite en dienst der goddelozen ons wil geholpen hebben in de natuurwetenschappen — en de overige vakken van die aard, laat ons daarvan gebruik maken, opdat wij niet, wanneer wij Gods gaven, die ons vanzelf in die mannen worden aangeboden, veronachtzamen, terecht voor onze traagheid gestraft worden. Evenwel, — zo vervolgt hij, opdat niemand mene, dat de mens zeer gelukkig is, wanneer hem een zo groot vermogen wordt toegekend om in de eerste beginselen dezer wereld de v/aarheid te vatten, moet daar gelijk aan toegevoegd worden, dat dat gehele vermogen om te begrijpen en het begrip, dat daaruit voortkomt, in Gods ogen een vergankelijke zaak is, wanneer het fundament dor waarheid zich er niet onder bevindt."

De mens van nature wil als God zijn. Hij bedwingt de natuurkrachten en het is al zo ver dat de geleerden er zelf van terugschrikken, uit vrees dat zij bij verder voortgaan die krachten niet meer in de hand zullen kunnen houden. Intussen — de Christen is in de wereld en moet van haar gebruik maken. Hij kan de klok niet terugzetten. Ook gebruik maken van de uitvindingen, die ten onzen nutte kunnen zijn. Het komt er maar opaan hoe. Paulus schrijft in de brief aan de Corinthiërs, „de wereld gebruikende als niet misbruikende." En de Apostel voegt er direct aan toe: „Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij." Dat we daar erg in hebben. Wel in de wereld maar niet van de wereld.