Digibron.nl

De schoolstrijd

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 7 oktober 1949
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 4, 5

(2.)

De Schoolwet van 1806.

De zogenaamde Franse tijd (1795 — 1806) had voor het eerst gebracht een voor het gehele land geldende onderwijswetgeving. Voorheen waren er hoogstens plaatselijke en/of gewestelijke regelingen.

Van de drie onderwijswetten uit die tijd is van zeer groot belang geweest de schoolwet van 1806 van minister van der Ende. Deze wet toch heeft ons onderwijs beheerst tot het jaar' 1857. Vooral op een tweetal dingen uit deze wet willen we de aandacht vestigen:

1. Er was in bepaald dat voor het oprichten van een bijzondere school (dat is een school die niet van de Overheid uitging) authorisatie (= toestemming) van de overheid nodig was. Hieruit blijkt, dat de Openbareof Overheidsschool regel was. Op de Overheid rustte de taak om te zorgen, dat in elke plaats een genoegzaam aantal scholen was. En al liet de wet de mogelijkheid open om bijzondere scholen op te richten, toch was het de uitdrukkelijke wens van de wetgever, dat men er op bedacht was, dat het aantal scholen niet te zeer zou toenemen.

2. Deze wet omschreef ook het opvoedingsdoel en wel: om onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden op te leiden tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden. Christelijke deugden! Schoonklinkende term, doch zonder wezenlijke inhoud. Geen Christelijke deugden naar de uitleg van onze Heidelberger, dat het onmogelijk is, dat degenen die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Maar die anderzijds ook op grond van Gods Woord leert dat wij allen van nature onbekwaam zijn tot enig goed, maar geneigd tot alle kwaad.

Men mene echter niet dat de school op deze Bijbelse grondslag stond of zelfs mocht staan. Onder de heerschappij van deze Wet van 1806 is de openbare volksschool steeds meer ontkerstend en losgeweekt van het Woord Gods. Leerstellig onderwijs mocht wel op de scholen gegeven worden, maar niet door de onderwijzers en de bijwoning van deze lessen mocht niet verplichtend gesteld worden. Ook drong de Overheid er op aan, dat het onderwijs toch vooral een zedekundig karakter zou dragen. Wat er van de opleiding tot alle „Christelijke deugden" terecht gekomen is, leren ons met name de leesboekjes uit die tijd, waarover later meer. Het was een Christendom zonder Christus; het werd de kinderen voorgehouden, dat een deugdzaam leven het middel was om gelukkig door dit leven te gaan niet alleen, maar ook om straks de eerkroon bij God, dus de eeuwige gelukzaligheid te verwerven.

Alles was er op gericht om de Openbare School dienstbaar te doen zijn voor het Protestantse, Roomse en Joodse volksdeel. Wel valt het op, dat er een bijzondere band blijft met de Gereformeerde Kerk (het Hervormde Kerkgenootschap sedert 1816!), hetgeen vooral daaruit blijkt, dat talloze predikanten tot schoolopziener benoemd werden. Doch men vergete niet, dat al deze predikant-schoolopzieners waren van het verdraagzame soort; de aanhangers van een „Christendom boven geloofsverdeeldheid"; mensen die iedereen het recht toekenden om „op zijn manier zalig te worden." Voor een echte Calvinist, die vasthield aan Gods Woord en de daarop gegronde Belijdenisschriften was in de officiële Kerk-en schoolwereld géén plaats! En wederkerig vond de heersende geestesrichting in kerk en school steun in Overheid en Wetgeving.

Het Calvinisme.

En als we vragen, waar in die tijd het waarachtige, bezielde Calvinisme te vinden is, dan moeten we antwoorden met Dr Huizinga: Niet in de toonaangevende kringen, niet op de kansels (hoegenaamd), maar 't bleef

bewaard bij het eenvoudige volk. dat veelal samenkwam in de gesmade en veroordeelde coiVventiculen of gezelschappen; soms onder leiding van een oefenaar. Helaas waren deze veelal gelijk aan de oude profeet uit Bethel waarvan ons verhaald wordt in 1 Kon. 13, die wel niet mee-offerde aan het gouden kalf, maar er ook niet tegen getuigde.

Doch God bewaarde niet alleen een volk in ons land, dat niet mee-offerde aan het opgerichte kalf van eigenwillige godsdienst; Hij verwekte ook strijders tegen de geest der Eeuw.

Het Réveil bracht een terugkeer tot de voorvaderlijke (Calvinistische) vroomheid, óók, ja vooral, in de hogere, toonaangevende kringen.

Mr Willem Bilderdijk, de geleerde van groot formaat (die wegens zijn positief-Gereformeerde instelling bij de regering niet in aanmerking kon komen voor een professoraat), verzamelde een kring van studenten om zich heen tc Leiden, die onder zijn leiding bekwaamd werden tot officieren in de strijd tegen de „ongodisten", tegen de revolutionaire ideeën in Staat, Kerk, Maatschappij en School,

Maar ondertussen heerste in het land nog een „roestige rust", een stilte als van de dood, een stilte die men vooral niet verstoord wenste te hebben. Doch de rust wérd verstoord.' Eerst door een geschrift van Ds Nicolaas Schotsman, die een Erezuil oprichtte voor de beroemde Nationale Synode van 1618—1619.

Er was een moed voor nodig om in deze lioogvcrlichte eeuw het op te nemen voor deze Synode van voor 200 jaar, die het immers aangedurfd had, mensen te veroordelen omdat ze nu eenmaal over bepaalde leerstellige waarheden anders dachten clan de anderen! Zo dwaas zou men nu niet meer zijn. Het leerstellige liet men gaarne over aan elk bijzonder kerkgenootschap; men zocht naar het algemeen-godsdienstige dat allen samenbond. Hadden velen niet reeds gedroomd van één algemene volkskerk waarin de zonen van Rome en Dordt zelfs broederlijk zouden samenwonen?

Schotsman wordt dan ook overladen met smaad en schimp.

Niet minder is dit het deel van Da Costa, de leerling van Bilderdijk-de bekeerde Jood. Deze geeft in 1823 uit een brochure: „Bezwaren tegen de geest der Eeuw." Het is een oproep aan orthodox Nedei'Iand om zich toch te bezinnen op zijn geesteshouding. Openlijk wordt Da Cost uitgemaakt voor „ellendeling" en „beest". Er behoort moed toe om op klaarlichte dag Da Costa te bezoeken. „Dacostiaan" is een scheldnaam, die iemand verachtelijk maakt in de ogen van een fatsoenlijk burger.

Het is de eeuw der verdraagzaamheid, doch niet voor de onverdraagzamen om der Waarheid wille.

Bilderdijk en Da Costa voerden nog wel geen openlijke strijd vóór de Christelijke School maar toch was de schoolstrijd in principe ontbrand!