Digibron.nl

De vier beschrijvingen van het éne evangelie

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 22 maart 1957
Auteur: R.
Pagina: 1, 2

(IV.)

De vorige keer hebben we gezien, hoe Mattheüs in zijn evangeliebeschrijving zich steeds beroept op het Oude Testament om zo de Joden aan te tonen, dat Jezus de van ouds beloofde Messias is. Ook het feit, dat de Heere Jezus Zijn heil niet alleen voor de Joden bestemde, was voor de Joden een struikelblok om te geloven dat Jezus de ware Messias was. Ook dit struikelblok probeert Mattheüs weg te nemen door te verwijzen naar het Oude Testament.

We vinden dit reeds in hoofdstuk 4 : 14. Wanneer Jezus gaat werken in de landpalen van Zebulon en Naftali, een gebied waar veel heidenen woonden, wijst Matheüs erop, dat Hij dit deed „opdat vervuld zou worden hetgeen proken is door de profeet Jesaja, zeg^ de: et land Zebulon en het land Naftali, aan de weg der zee, over de Jordaan, Galilea der volken."

Heel duidelijk is dit ook in hfdst. 12 : 21, waar Mattheüs in het optreden van de Heere Jezus de vervulling ziet van Jesaja's profetie: En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen". Ook in dit opzicht roept Mattheüs het de Joden toe: Neemt het Oude Testament ter hand bij uw beoordeling van de Heere Jezus en dan zult ge zien, dat het naar de Schriften is, als de Messias Zijn arbeid niet enkel tot de Joden beperkt, maar ook heidenen in Zijn zegen delen." Zeker, de Ileere Jezus richt zich eerst tot Israël, denk maar aan wat Hij tot de Kananese vrouw zegt: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls." Doch als Israël zijn Koning gaat verwerpen dan horen we de Heere zeggen in hfdst. 8 : 11, 12: Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham en Izak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis."

En dan eindigt Mattheüs zijn evangeliebeschrijving met het grote zendingsbevel: Gaat dan heen, onderwijst al de volken enz." Matth. 28 : 19.

Het Evangelie van Mattheüs is dus allereerst bedoeld als een appèl op het Jodendom, om de Joden te overtuigen dat Jezus de van ouds beloofde Messias is. Het is het boek voor de zending onder de Joden.

Het boek is eigenlijk één worsteling om de Joden te brengen aan Jezus' voeten. Zo is het dus eigenlijk een voortzetting van de Heere Jezus Zelf met het volk der Joden.

Op die worsteling van de Heere Jezus Zelf tijdens Zijn omwandeling met de Joden legt Mattheüs ook grote nadruk. Hij laat zijn lezers zien dat die ergernis van de Joden tegen Jezus er ook reeds was tijdens de omwandeling van de Heere Jezus op aarde.

Mattheüs legt in zijn evangelie alle nadruk op de conflicten tussen Jezus en de schare, op Zijn strijd met de geestelijke leiders van het volk.

Als we in dit licht het evangelie lezen, zien we zo'n schoon verband in het geheel.

Eerst laat Mattheüs ons zien, dat de Heere Jezus veel gehoor vond bij het volk. Steeds zien we om de Heere Jezus heen de grote schare, die Hem overal volgt en versteld staat over Zijn leer en zich verbaast over Zijn wonderen (4 : 25, 7 : 28, 8 : 27, 9 : 8, 26, 33.

Maar daarna, vanaf hfdst. 9 : 35 komt de omkeer. Vanaf dat ogenblik tot hfdst. 16 : 12 tekent Mattheüs dan hoe de schare al meer en al heftiger tegenwerpingen gaat maken en hoe de werkzaamheid van de Heere Jezus in die tijd één grote worsteling was om het ongelovige volk tot geloof in Hem te bewegen.

Vanaf 16 : 13 keert het volk zich van de Heere Jezus af en trekt Deze zich terug in de kring der discipelen. Intussen gaat het verzet door; het lijden komt al nader en nader; de eerst omhooggaande lijn gaat al meer naar beneden, heel het Jodendom verwerpt Jezus, en dit loopt uit in de klacht van de Heere Jezus: Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gel ijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen en gijlieden hebt niet gewild!" (hfdst. 23 : 37).

De lijn blijft dan naar beneden gaan en loopt uit op het sterven van de Heere Jezus, tot dan na het sterven de triumph komt: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde." (28 : 18).

Het Evangelie van Mattheüs is kort voor

de verwoesting van Jeruzalem geschreven, waarschijnlijk moeten we het jaar van het schrijven door Mattheiis stellen in 60 n. Christus.

We kunnen dit evangelie dan ook zien als een laatste oproep tot de Joden om niet door te gaan op de heilloze weg van de verwerping van de Messias, maar alsnog de knieën voor Koning Jezus te buigen.