Digibron.nl

De „vrijmaking” der wetenschap

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 12 januari 1951
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 10, 11

(i.)

In onze artikelen over de denkers in de „donkere" Middeleeuwen zagen we reeds, hoe er steeds meer een streven openbaar kwam om tot een scheiding te komen tussen geloof en wetenschap.

Gedurende een tijdperk van 1000 jaar had de (Roomse) Kerk, eerst krachtig gesteund door de Keizers, wier macht de Kerk steeds meer tot zich trok, geheerst over het „denken".

Na de Middeleeuwen komt het tot een breuk tussen pistis en gnosis, tussen geloven en weten.

Dat zulk een losmaking van de wetenschap van het gezag van de allesbeheersende Roomse Kerk niet zonder strubbelingen gegaan is, laat zich denken.

Het is interessant om daarvan iets na te gaan, hetgeen we in dit artikel doen willen.

In de 15e eeuw begon de antieke filosofie, de oude Heidense wijsbegeerte meer en meer te herleven (de zgn. Renaissance). Tegenover de spitsvondigheid van de Scholastiek stelde men de schoonheid van Plato's ideeën en van zijn taal; men bracht de onvervalste Aristoteles weer naar voren (dit in tegenstelling tot de door Thomas van Aquino omgevormde Aristoteles); ja ook de leer van de Stoïcijnen werd weer verbreid. Dit alles ging gepaard, indien al niet met haat, dan toch met een zekere onverschilligheid ten opzichte van het Christendom. Dat Christendom, toen nog belichaamd in de Roomse Kerk (het is nog vóór de Reformatie!), had zijn greep op deze mannen der wetenschap reeds verloren.

Zo verscheen er een geschrift van een zekere Pomponatius over de onsterfelijkheid der ziel, geheel in de geest van Aristoteles, dus loochenend de persoonlijke onsterfelijkheid der ziel. Het geschrift is door de Inquisitie verbrand.

Giordano Bruno, een Dominicaner monnik, ontwerpt een zuiver Pantheïstische natuurfilisofie. Hij wordt door de Inquisitie gegrepen, zucht zeven jaar in de kerker en sterft in 1599 op de brandstapel.

Campanelles, eveneens een Dominicaner monnik, heeft wel 27 jaar gevangen gezeten; hij bestreed namelijk de Scholastiek en was een aanhanger van de leer van Copernicus.

Ja, die leer van Copernicus. Dat heeft ook wat een voeten in de (kerkelijke) aarde gehad!

Deze Copernicus was, met Kepler en Galileï, een baanbreker van de nieuwe natuurwetenschap, die zich losmaakte van het Roomse Kerkelijke gezag, dat ook van de natuurwetten een dogma gemaakt had.

Copernicus, een Rooms-Katholieke Pool, leerde dat de aarde niet alleen wentelde om haar as, maar dat ze zich ook met de andere planeten om de zon bewoog. Tot die tijd had men zich de a& rde gedacht als het middelpunt van het zonnestelsel. Tijdens de uitgave van zijn werk (waarin Copernicus deze voor die tijden nieuwe gedachte, uiteenzette) overleed hij. Zijn boek werd door de Paus voor ketters verklaard; naar de brandstapel ermee!

Zijn standpunt werd o.a. verdedigd door de beroemde natuurkundige Kepler, een Duitse Lutheraan, die deswege veel tegenwerking heeft moeten ondervinden en tenslotte van ellende gestorven is.

Ook de natuurkundige Galileï nam het op voor het standpunt van Copernicus. Hij ontvangt daarover een vermaning van de Inquisitie. Bovendien wordt hij aangevallen in een preek van een Dominicaner monnik over Handelingen 1 : 11, over de woorden: Gij, Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? " Ondanks deze felle aanval, gaat Galileï door en geeft zelfs een werk uit ter verdediging van de leer van Copercinus. Dat kost hem zijn vrijheid. Hij wordt gevangen gezet en bedreigd met de pijnbank als hij zijn leer van de beweging van de aarde niet herroept. De 70-jarige, half-blinde Galileï heeft het gedaan.

Van harte? We weten het niet. Het verhaal wil, dat hij terstond na de plechtige afzwering, opstaande, uitriep: „e pur si muove", dat wil zeggen: en toch beweegt hij zich. Aan dit laatste kunnen we geen historische zekerheid toekennen, maar het behoort tot die vele vertelsels die de saus van de geschiedenis uitmaken en die we elkaar daarom toch maar verder vertellen, ook al weten we niet of ze waar zijn. Wel weten we, en het is weer tekenend voor die tijden, dat hij tot zijn dood onder toezicht van de Inquisitie bleef en dat zijn werken kwamen op de „index librorum prohibitorum", de lijst van voor Roomse leken verboden boeken. Daar hebben ze tot 1835 opgestaan!

De Inquisitie heeft het niet kunnen redden: de filosofie heeft zich tenslotte geheel afgekeerd van de kerkleer, maar ook van de goddelijke openbaring. Deze goddelijke openbaring werd verworpen, als uitgangspunt van de wetenschap, maar ook als corrigendum voor de resultaten van de wetenschap.

De Inquisitie stond hier uiteindelijk machteloos, evenals zij machteloos stond tegenover de Reformatie. Men onderscheide hier goed: we denken er niet aan, om de vrijmaking van de wetenschap en de vrijmaking van de Kerk des Heeren op één lijn te plaatsen. Want er is een hemelsbreed onderscheid tussen deze beide: de vrije wetenschap is een wetenschap zonder tucht geworden en daarom heeft deze wetenschap nooit rust kunnen geven aan het menselijke denken.

De vrije Kerk des Heeren, uitgeleid uit het Roomse diensthuis, heeft juist haar grootste vrijheid gevonden in het ootmoedig buigen onder het gezag van Gods Woord en daarin ligt ook haar innerlijke rust.

Maar waar we wel op moeten letten is dit: In het optreden van de Inquisitie tegen de Reformatie en tegen de vrije wetenschap is grote overeenkomst. We zeiden het reeds: dit optreden werd gekenmerkt door machteloosheid, ondanks al het woeden, inzonderheid tegen de Reformatie.

En vanwaar deze machteloosheid der Inquisitie op beide terreinen? Omdat de Inquisitie ten diepste geen „gezag" te verdedigen had. Want zij verdedigde niet het gezag van Gods Woord en buiten dat Woord'is er geen wezenlijk gezag.

Wat de Inquisitie verdedigde was „macht", was een na 1000 jaren ten einde lopende heerschappij, welke de Kerk zich niet wilde laten ontgaan.

En als we het bovenstaande ons goed indenken, weten we meteen hoe we het optreden van de Inquisitie

tegen de vrije wetenschap moeten waarderen. Neen, het wordt geen punt in het credit, in het voordeel, van het waarderingsoordeel over de Roomse Kerk van die dagen.

Natuuriyk, de Kerk heeft oude herleefde heidense dwalingen bestreden, die het bestrijden waarlijk waard waren. Maar als de pijnbank er aan te pas moet komen om iemand te zuiveren van zijn geoof in de beweging der aarde, dan doet onst dat toch wel heel erg denken aan „de mug uitzuigen en de kemel doorzwelgen".

Als Vader Brakel toornt tegen hen die geloven in de beweging van de aarde, dan is hij er ons even lief om, want we weten dat hij in alles er op uit is om zich te stellen onder het gezag van Gods onfeilbaar Woord, hoewel hij de eerste geweest zou zijn om te erkennen dat hij daarbij niet onfeilbaar was.

Maar wanneer de Inquisitie zulks doet, nog wel met de bedreiging van de pijnbank er bij, en met voorbijzien van de hoog-opgeschoten distels in de tuin van de Roomse Kerkleer, dan kan dat onze waardering niet afdwingen. Had de inquisitie de ere Gods en het heil der zielen op het oog gehad, voorwaar, gans andere boeken waren op de Index gekomen.

Het ontstaan van die ganse stroom van ongeloofstheorieën door de loop der eeuwen, tot op deze tijd toe, vindt tenslotte mede hierin een oorzaak, dat toen de voosheid bleek van de Scholastieke schijnwetenschap, de Roomse Kerk niet iets anders te bieden had, dat innerlijke steun gaf aan het menselijke denken. Indien zij Gods Woord verlaten, wat wijsheid zouden zij hebben?

Men achtte zich door de Kerk bedrogen, verwierp daarmede alle goddelijke openbaring en achtte het vinden van de waarheid en het verkrijgen van kennis voortaan alleen mogelijk door eigen onderzoek, door eigen ontdekkingsvermogen.

Geen nood!, wij redden 't zonder Hem! Maar die het zeggen — zinken!