Digibron.nl

Standvastig geloof

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 11 november 1955
Auteur: B. ROEST.
Pagina: 1, 2

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs, en Ilij zal ons uit Uwe hand, o Koning! verlossen. (Daniël 3 : 17.)

Koning Nebukadnezar heeft een beeld laten oprichten, vermoedelijk ter ere van Bel, de hoofdgod des volks. Dit was tot hoon van de ware God. Bij de inwijding moeten alle gewone en hooggeplaatste ambtenaren tegenwoordig zijn, ook de drie vrienden van Daniël.

Deze zo gelukkige jongelingen waren met Daniël tot hovelingen aan het zo machtige hof van Babel verheven. Dit kunt ge lezen in Daniël 1. Om de standvastige vreze Gods waren zij zo hoog vereerd. Het was door de Heere zo besteld, dat zij standvastig in hun geloof waren. Ilij spreekt: „die Mij eren, zal lk eren."

Gelukkig de jonge kinderen, de jongelingen, de jonge dochters, die zo met geloof en ware vreze Gods zijn vervuld. En wat kwamen nu de drie jongelingen in verzoekeng en zware beproeving. Bij de aanbidding en inwijding van dit gouden beeld was ook gewijde muziek om het feest op te luisteren.

Natuurlijk een godsdienst, vermengd met de wereld.

Ja meestal is alle valse en oppervlakkige godsdienst vermengd met volksfeesten. Godsdienst, die met de wereld en de mode van de tijd meedoet.

Ziet in onze dagen. Ze zijn vol met veelal godsdienstige feesten, maar het zijn verkapte kermissen. Het zijn pijnbanken voor Gods lieve volk. Het is een godsdienst, die God tergt en duizenden verleidt, en waarbij het twee heren dienen is.

Voor die ijdele feesten kan men gordijnen en luiken der huizen wel sluiten. Dan is het met de jongelingen: Ga heen, mijn volk, ga in uw binnenste kameren, en sluit uw deuren achter U toe; verberg U als een kleine ogenblik, totdat de gramschap overga.

Maar Gods knechten en ambtsdragers en volk mogen niet ophouden om tegen deze zonden te getuigen. En waar de vreze Gods aanwezig is, geschiedt dit ook zeker.

En de ouders hebben hier uit kracht van hun ouderplicht en de belofte bij de doop een zware verantwoordelijkheid. De gezinnen en de kerk hebben zich van alle vrome, tweeslachtig gedoe te onthouden.

Bij het inzetten van de muziek moesten allen buigen voor dit beeld, ook de jongelingen. Daarbij de dreiging van de brandende oven, als men weigerde te buigen.

In onze dagen behoeft er met geen brandende oven gedreigd te worden om met de vrome godsdienstige wereld mee te doen, men buigt vanzelf voor alle ijdele zaken, die God tergen.

Er is haast geen vreze Gods meer in den lande.

Zietdaar, zij buigen allen voor het beeld. Allemaal? De drie jongelingen niet. Zij blijven staan. Hoe dat? Hebreën 11 geeft daar een antwoord op. Het is door.... het gèloof, uit de vreze Gods.

Er staat op deze weigering een zware straf. Zij moeten dan ook onmiddellijk bij de koning komen, die hen voor de keus stelt: knielen, of in de vurige oven en levend verbranden. Een spannend ogenblik! Wat zullen zij kiezen? Ernstvolle beslissing. Wie vreest niet voor zijn leven? Zouden zij maar niet meeknielen? Zij zijn nog zo jong. Zij kunnen nog ten goede zijn voor hun volk in hoge positie. En de Heere weet toch wel, dat er in hun hart niets dan gruwel is. Bovendien, de overheid gebiedt het. Nu ja, het is wel niet goed, maar ja, we hebben met een genadig God te doen, die wel weet wat van zijn maaksel is te wachten. Wij zullen onze zonden belijden enz. In onze dagen wordt bij verzoeking, op welk gebied ook met allerlei vrome overleggingen al het zondige er uit weggedoezeld.

Alzo niet bij de jongelingen, alzo niet bij dc martelaren.

Er is geen compromis tussen God en de wereld te sluiten.

De jongelingen stonden in het geloof, dus in Gods kracht.

Zij spreken het moedig en zonder te vrezen uit dat, al moesten zij in de brandende oven, zij een God hebben, Die machtig is hen te verlossen.

Och lezer, wil eens biddend dit hoofdstuk van „Daniël" lezen, voor U zelf, met uw gezin, desnoods des Zondags. Mijn bestek is te klein, om op alles in te gaan.

Daar staan zé in de Heere, verbonden aan God, op Wien ze zich verlaten. Aan Hem houden zij zich vast door de geest des geloofs. Zij geven zich in deze nood in Zijn hand.

Er is veel gepraat over geloof, maar het echte geloof laat zich niet beredeneren. Deze mensen hadden crediet voor hun God; zij geloofden in de Heere metterdaad.

Het ging hen niet om eer of geld. Veelal hoort men spreken over geloof en is men verzekerd tot het laatste toe. Daarvan gaat niets uit. Deze jongelingen verdoezelen de zonden van hun tijd niet. Zij stonden dan ook niet in eigen kracht. Is dit geen rijk leven? Is dit niet een rijke troost die vloeit uit de verdienste van de Middelaar?

We zeiden reeds: in onze dagen behoeft men niet te dreigen met een brandende oven of welke dood ook, neen ook zonder dreiging valt men bij de minste verzoeking al is het ook dat men een schone belijdenis heeft, die echter de kracht des geloofs mist. Vleselijke godsdienst gaat nu eenmaal met alles mee. Bunyan heeft Plooibaar goed gekend, een praatchristen uit de praatsteeg.

Zie echter hoe het met de drie jongelingen afliep. Zie eens de geloofshelden in Hebr. 11. Wees niet hooggevoelende, maar vrees. Dat is voor mij en U nodig bij aan-en voortgang.

Wees met ootmoedigheid bekleed; want het zijn zulke gevaarlijke tijden. Hoe zullen wij staande blijven, indien wij niet bewaard worden?

En waar er schuld is rondom, waar wij leven in de grote verzoeking, geve de Heere nochtans dat Zijn naam in onze vreze verheerlijkt wordt.