Digibron.nl

ESTHER.

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 27 november 1953
Auteur: Ds A. DE BLOIS.
Pagina: 2, 3

1. Aanleiding tot haar verheffing. 2 Doel van haar verheffing.

De geschiedenis die ons in het boek Esther verhaald wordt, valt geruime tijd na de terugkeer der Joden uit de ballingschap onder leiding van Zerubbabel en kort voor de tweede terugkeer onder Ezra.

Duizenden Joden, die achter gebleven waren, zijn maar ternauwernood aan de dood ontkomen. Op wonderlijke wijze zijn zij door de Heere gered.

Het boek Esther is een merkwaardig Bijbelboek, omdat de Naam des Heeren geen enkele maal wordt genoemd.

Toch is het zeer leerzaam en is de leiding van Gods Voorzienigheid duidelijk merkbaar.

De Heere waakt ook over dat deel van Zijn volk, dat weigerde terug te keren naar hun eigen land.

De doodsangst, waarin het volk verkeerde, was een les, die God hen gaf om aan Zijn bevel niet ongehoorzaam te zijn.

Velen zijn dan ook onder leiding van Ezra naar Palestina gegaan.

Het boek vangt aan met een feest, dat de Koning van Perzië, Ahasveros, aan zijn rijksgroten gaf.

Ahasveros schijnt een titel te zijn geweest evenals de koningen van Egypte „Farao" werden genoemd.

Ahasveros betekent „machtige alleenheerser". Zijn eigenlijke naam was Xerxes.

Op de zevende dag van het feest beging de koning een grote dwaasheid.

Hij ontbood de koningin Vasthi met het doel om haar schoonheid te doen bewonderen. Vasthi weigerde te komen.

Zij had zoveel eergevoel, dat zij zich niet wilde blootstellen aan de dronkemansblikken van de gasten des konings.

Ahasveros was zeer verbolgen en besloot haar af te zetten en een wet uit te vaardigen, dat alle vrouwen haar mannen in alles gehoorzaamheid verschuldigd waren.

Groen van Prinsterer heeft terecht gezegd, dat de gehoorzaamheid aan God, de grond en de grens is van alle ware gehoorzaamheid.

Dit geldt niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen; niet alleen voor ouders maar ook voor kinderen.

Na verschillende nederlagen te hebben geleden keerde Ahasveros naar zijn land terug en gevoelde meer dan anders het gemis van Vasthi.

Onder de maagden in de harem des Konings was ook een wees, Hadana, die door haar oom Mordechai werd opgevoed.

Met opzet had zij haar joodse afkomst verzwegen. De koning vond haar de schoonste en maakte haar koningin.

Mordechai, die vaak in de poort des konings was om naar de welstand van Esther te vernemen, ontdekte dat twee kamerlingen het op het leven des konings toelegden.

Mordechai vertelde het de koningin en de samenzweerders werden gestraft.

Mordechai's naam werd eervol in de Kronieken vermeld.

Een zekere Haman was aan het hof tot grote invloed gekomen.

De koning maakte hem eerste minister en wilde, dat ook aan hem bijna goddelijke eer werd bewezen.

Ieder knielde voor hem, behalve Mordechai. Haman peinst op middelen om niet alleen die gehate jood, maar tegelijk heel zijn volk te treffen.

Toestemming van de koning is gemakkelijk te verkrijgen.

Nu wordt het lot geworpen in welke maand de algemene moord op de Joden zou plaats hebben. Door Goddelijke bestiering viel het lot op Pur op de 12e maand.

De boden gingen rond om de bevoegde personen met de uitvoering van het besluit in kennis te stellen.

Bij het volk der joden was algemene verslagenheid. Mordechai had zich met een zak bekleed hetwelk koningin Esther ter ore kwam.

Zij informeert naar de oorzaak van Mordechai's verslagenheid.

Ook Esther ontroert en wordt door haar oom aangespoord om tot de koning te gaan.

Mordechai zag in haar verheffing de leiding van Gods voorzienigheid.

Hoewel het levensgevaarlijk was om ongeroepen tot de koning te gaan, waagt zij haar leven en gaat in vol ornaat tot de koning, die haar de gouden scepter toereikt.

Hij vraagt, wat zij wil en nu doet zij het verzoek dat de koning met Haman bij haar ter maaltijd zal komen.

Aan dat verzoek zal worden voldaan. Toch heeft Esther nog geen vrijmoedigheid om haar hart uit te storten.

Zij vraagt de koning nogmaals met Haman te eten. Met een vrolijk hart was Haman huiswaarts gegaan. Maar zijn vreugde is spoedig voorbij als hij denkt aan de verachte Jood Mordechai.

Zijn vrouw en vrienden raden hem aan een galg te maken en de koning te verzoeken om de volgende dag Mordechai op te hangen.

De mens wikt, maar God beschikt.

Ahasveros kan die nacht niet slapen.

Voor tijdpassering laat hij zich de kronieken voorlezen.

Nu verneemt hij dat Mordechai zijn leven heeft gered.

Hij informeert welke beloning hem daarvoor is gegeven.

Men moet eerlijk bekennen, dat daaraan niet is gedacht.

Juist komt Haman in het paleis om zijn verzoek te doen betreffende Mordechai.

Haman wordt ontboden en de koning vraagt wat men die man zal doen tot w r iens eer de koning een welbehagen heeft.

De met zichzelf zo ingenomen Haman denkt dat de koning hem op het oog heeft en adviseert om de gunsteling met koninklijke eerbewijzen te overladen.

Tot zijn schrik hoort hij nu, dat dit huldebetoon op Mordechai moet worden toegepast.

Na dit gebeurde is hij zo verbitterd dat hij vergat naar de maaltijd te gaan.

Aan die maaltijd heeft Esther Haman aangewezen als

de man, die haar ondergang en de ondergang van haar volk zoekt.

De woede des konings kent geen grenzen en hij beveelt Hanian op te hangen aan de galg die voor Mordechai bestemd was.

Die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Onder leiding van Mordechai wordt er een tweede wet uitgevaardigd, waardoor de uitroeiing der joden kon worden tegengegaan.

De joden kregen vrijheid om zich tegen de aanvallen hunner vijanden te verdedigen.

Mordechai stelde een jaarlijks feest in, dat op de 14de der maand Adar gevierd moest worden.

Dat feest wordt naar het lot of Pur, Purimfeest genoemd en wordt nog steeds door de joden gevierd.

Gods Naam wordt in het boek Esther niet genoemd, maar Zijn hand duidelijk opgemerkt.