Digibron.nl

Het zoeken naar een zendingspost

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 3 mei 1957
Auteur: N.
Pagina: 2, 3

Door de landstreken van Oeganda en Kenia zetten de twee reizigers de tocht nu voort naar het Albertmeer, ten noorden van het geweldige Victoriameer. Tussen het Kioga-en het Albertmeer werd de metgezel van Studd aangetast door malariakoorts, die een week lang aanhield. Met veel moeite bereikten de mannen Masindi, waar Buxton, die weer enigszins hersteld was, op een zware proef werd gesteld. Er was een telegram voor hem gekomen uit Engeland: „Dringend verzoeken wij u terug te keren, familie Buxton."

Wat moest Alfred doen? Niet naar Engeland terug; geen denken aan! Zou hij Studd alleen achterlaten? Dat nooit.

We kunnen begrijpen hoe blij Studd was met dat vaste voornemen. Met goede moed werd verder gereisd. Die moed hadden de mannen wel nodig, want ze waren nu gekomen in een gebied waar een stam woonde, die verscheidene moorden op zijn geweten had. Nog maar kort geleden was een Engels olifantenjager door giftige pijlen van de inboorlingen gedood. Toch zouden de reizigers het wagen; ze waren zonder veel moeilijkheden de grens van Belgisch Kongo gepasseerd en dat was ook al veel waard, want de Belgen lieten Engelsen niet zo gemakkelijk door. Het was dus wel een gunstig voorteken, dat dit heel geen oponthoud gaf om in de Kongo toegelaten te worden.

In de woeste streek, die ze nu door moesten, raakten ze de dragers van de bagage kwijt. Daar stonden ze nu. Welke kant moesten ze op? Ze gingen op goed geluk, maar 't was een verkeerde weg, tenminste naar het voorgestelde plan. Voedsel hadden ze niet; dat hadden de dragers en ze moesten toch aan het eten blijven. Gelukkig ontmoetten ze een inboorling. Met gebaren trachtten ze de man aan het verstand te brengen wat ze begeerden. Glimmende knopen van hun jassen werden getoond om in ruil daarvan voedsel te bemachtigen. Het gelukte: de zwarte was wat blij met de blinkende voorwerpen en de mannen waren gered.

Op eigen gelegenheid werd de tocht voortgezet en na enkele dagen arriveerden ze in een negerdorp. Geklede mensen

had men daar nog nooit ontmoet, dus trokken de twee blanken de volle belangstelling. Het werd een hele beroering in de nederzetting. Aan alles was wel te zien, clat de inboorlingen menseneters waren, maar ze betoonden zich toch erg gastvrij, wellicht door het ongewone van de verschijning dier blanken."

Als we in gedachten Studd en Buxton volgen, clan moeten we wel grote bewondering hebben voor de durf van die twee. In een oerwoud, met alleen een eenvoudige kampeeruitrusting, en clan te midden van kannibalen!

Hoe zou je aan slapen durven denken in zo'n omgeving! En toch . . . als de avond was aangebroken, sloegen die twee hun tentje op, kookten een eenvoudige maaltijd op een vuurtje en legden zich clan tot slapen. De volgende morgen waren ze weer uitgerust en hadden ze weer nieuwe krachten verkregen om de tocht voort te zetten.

Het zou alles wel gaan, als ze maar gezond bleven. Maar wat gebeurde? Studd werd op zekere avond aangevallen door vreselijke koorts, zo erg, dat men niet zou denken, dat cle andere dag nog voor hem zou aanbreken. Dat gevoelde Studd maar al te goed. Wat moest er gebeuren? Buxton wist ook geen raad. En zie, evenals in andere kritieke ogenblikken was gebeurd, geschiedde ook nu. Het bekende woord van Jacobus kwam met kracht in het hart van Studd: „Is iemand krank onder u, clat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeenten, en clat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in de naam des Heeren." Dat Schriftwoord had de Heere al meer van kracht willen maken in het leven van de zendeling, maar nu stonden de zaken toch wel een beetje anders. De medische student was geen ouderling en er was geen andere olie voorradig dan de olie die gebruikt werd in de lamp van de tent. Wat zouden ze doen? Er moest iets gebeuren, want zo niet, dan was het met Studd zeker afgelopen eer het morgen was. De trouwe metgezel van de zendeling praatte niet langer. Hij knielde neer en bad tot de Allerhoogste, Wiens ogen ook de streek van het oerwoud doorlopen. Vervolgens wreef hij het voorhoofd van zijn oudere makker met de lampolie in en wachtte af wat de Heere zou doen.

En de volgende morgen? Studd staat op, gezond en verfrist en in staat om de reis te vervolgen! Hij schreef naar huis: „Hoe God mij gezond gemaakt heeft, weet ik niet en ik maak mij er ook geen zorgen over, maar de andere morgen wist ik dit wel: ik was tot stervens toe ziek geweest en nu was ik beter. Wij kunnen God wel te weinig vertrouwen, maar nooit te veel!"

Na een moeilijke tocht door een gebied, dat ook door Stanley doorkruist was, bereikten ze half oktober de plaats Niangara, gelegen aan een rivier, behorende tot het stroomgebied van de machtige Kongo. In deze omgeving zouden de eerste zendingsposten gesticht worden. De streek was zeer vruchtbaar en dicht bevolkt. Hier zouden ze het wagen met Gods hulp.