Digibron.nl

BIJBELSE ARCHEOLOGIE.

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 27 september 1946
Auteur: P. J. L.
Pagina: 6, 7

1. Man en vrouw.

Wanneer we de schepping der vrouw in Gen. 2 : 20—24 nagaan, zien we, dat' beiden er zijn voor het huwelijk èn het huwelijk is er voor de gezinsvorming.

Het huisgezin is de cel der samenleving. Is het gezin gezond — in een zondige wereld natuurlijk een betrekkelijk begrip — d.w.z. tracht men het te doen beantwoorden aan de regelen, die God daaromtrent in Zijn Woord stelt, dan vaart ook de samenleving in kerk, maatschappij en staat er wel bij.

God schonk de vrouw tot een hulpe tegenover den man.

Toen de zonde kwam, werd de vrouw onderworpen aan de heerschappij van den man. Men moet dit woord niet verkeerd opvatten: heerschappij is geen tirannie of slavernij. Alleen het leven naar den Woorde Gods in het christelijk huisgezin is een waarborg, dat beiden op de plaats komen, hen van God aangewezen.

En dat is ook voor de vrouw een plaats der ere. Let maar op de uitspraken van O. en N.T.; op de voorbeelden der bijbelse, der christelijke vrouwen, die vaak van zo grote betekenis voor Christus' kerk geweest zijn en nog zijn.

Wanneer wij nu de plaats der vrouw onder Israël nagaan, zo valt ons direct op, dat zij bij dit volk door de Wet des Heeren een hoge plaats innam. Gen. 31.

Eert Uw vader en Uw moeder enz., zo luidt het in de Dekaloog (= de 10 geboden); een woord dat geldt voor alle tijden en voor alle volken.

En zware straffen worden gedreigd, tegen het

kind, dat niet alleen den vader, maar ook de moeder veracht.

Al had ook bij Israël de vrouw in tent of paleis haar eigen vertrek toch was dit geen scherpe scheiding. Immers samen gingen ze op naar het heiligdom (v.b. Elkana; Jozef en Maria).

In de H.S. worden ook profetessep, moeders in Israël genoemd, b.v. Debora, Hulda.

Jael vernietigde met één slag de Kanaanitische macht en behoedde daardoor Israël, dus Gods Kerk, voor ondergang. Lees ook Rom. 16. Een pracht hoofdstuk; vooral ook voor onze jonge meisjes. Dat ze maar navolgsters mogen worden. De Israëlitische vrouw was niet rechtloos; zij stond onder bescherming van de Wet.

Een schaduw op haar leven was de polygamie. Deze is tegen de scheppingsorde. God verenigde bij de inzetting van het huwelijk één man met één vrouw. De Kaïniet Lamech nam er al twee. En ook bij Israël kwam ze veelvuldig voor. Denk aan Jacob, David, Salomo e.a. Een uitgedrukt verbod was er dan ook niet. Echter de gevolgen waren meestal treurig: vooral huistwisten aan de orde van de dag.

Het meer of minder aantal vrouwen was tevens een maatstaf van welstand.

Vooral onder de vorsten was het vreselijk gesteld. Hun harems teldensoms honderden. Een van de vrouwen bekleedde de rang van koningin. Haar zoon was de erfopvolger en na de dood van den vorst behield ze nog veel invloed.

Bleef een huwelijk kinderloos, dan werd wel een slavin tot de.rang van vrouw verheven, soms met toestemming van de wettige vrouw.

Echter had de laatste het recht haar weer tot de rang van slavin te vernederen, indien zij zich te veel verhief (Hagar).

Overspel werd bij Israël streng gestraft. De man mocht zijn vrouw verstoten, n.1. indien hij „iets schandelijks" aan haar-gevonden had (Deut. 24:1—4). Echter moest hij haar een scheidbrief geven. De latere Joden maakten daarvan, dat men zijn vrouw verstoten mocht om allerlei oorzaak, mits men maar een scheidbrief gaf. Christus heeft dit vereerd gevoelen weerlegd.

Er waren ook verboden huwelijken: e z.g. „verboden graden" Men kan ze vinden in Lev. 18 : 6— 18 en 20 : "ll—21.

Ook waren verboden de huwelijken met de volken van Kanaan. De geschiedenis is daar, om te bewijzen, welk een treurige nasleep dit had: Simson, Salomo, de dagen van Ezra.

Zeer eigenaardig was het verplichte leviraatshuwelijk (levir = zwager). Wanneer b.v. een oudere broer kinderloos stierf, dan was de jongere broer verplicht diens weduwe te huwen. Deut. 25 : 5 v.v. Het eerste kind, alsdan geboren, werd beschouwd als het kind van den overledene. Hierdoor bleef diens geslacht intact.

De Sadduceen, lochenaars van de opstanding, maakten er een strikvraag van voor den Heere

Jezus. Echter vielen zij er zelf in. Matth. 22 : 23 v.v. In Naomi's tijd schijnt men het losserschap verbonden te hebben met het leviraatshuwelijk. Men leze het maar eens na. Maar de wet doet dat niet.

Erfdochters waren verplicht in hun stam te huwen, teneinde te voorkomen, dat hun erfgoed aan een andere stam kwam. Num. 36 : 8, 9.

De bruidswerving geschiedde door den vader bij , de familie van het meisje. Ook zij werd gehoord. Al zal 't wel eens voorgekomen zijn, dat de betrokken ouders weinig rekening hielden met de wil der a.s. echtgenoten.

De bruid moest gekocht worden. De bruidsschat bestond uit geld, vee, hulp in de krijg. Hoe hoger de stand, des te kostbaarder de bruidsschat.

Bovendien werden aan de bruid en haar familie nog , , geschenken" betaald. Alles, bruidsschat en geschenken werden bij overleg vastgesteld. Men mocht dus maar niet geven, wat men goeddacht.

Nu waren de jongelui verloofd. Verbrak de jongeman zijn verloving, dan mocht het meisje het ontvangene houden. Maar verbrak het meisje deze, dan moest ze alles teruggeven.

Merkwaardig, dat de verloofden geen omgang met elkaar hadden. Bij toevallige ontmoeting bedekte de bruid dadelijk haar gelaat met een sluier. (Rebekka).

D.V. volqende maal de huwelijkssluiting.