Digibron.nl

Heidense geestenverering Laat de zending ons koud ?

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 12 november 1954
Auteur: M. NIJSSE.
Pagina: 2

De gezondheid wordt het meest gewaardeerd als we ziek zijn, of als we horen van arme többers, die jaren lang sukkelen met een zwak lichaam. Zo is het ook met het kerkgaan: dit wordt ook het meest gewaardeerd als we van kerkgaan verstoken zijn door allerlei omstandigheden, of als we vernemen dat er landen zijn waar de belijders van Christus worden vervolgd.

Wij hebben van jongsaf de Schriften geweten, die ons tot zaligheid kunnen leiden. Waarderen we het? Wellicht gaan onze ogen open voor het grote voorrecht, dat wij geschonken worden, wanneer we in dit zendingsrubriekje horen van de grote, nood, die er heerst in de heidenwereld. Misschien komt er dan waardering voor hetgeen we hebben en een weinig liefde voor het zendingswerk in het algemeen.

Laten we ons daarom nog eens verplaatsen in die heidense gedachtenwereld. Van kindsbeen af worden de Toradja's opgevoed in de leer, dat de God van hemel en aarde niet aangebeden moet worden, maar de hemel en aarde zelf. Hier is dus al een begin van veelgodendom: de hemel en de aarde. De hemel geeft regen en maakt dat de aarde vruchtbaar wordt. Vanzelfsprekend neemt de zon een zeer grote plaats in. Het vorstengeslacht stamt af van de zon en is heerser en bezitter van het hele Toradjaland en de hoogste vertegenwoordiger van het godsdienstig denken. Als een nieuwe vorst voor het eerst een bezoek brengt aan een zekere plaats, bestrooit de wachtende bevolking die vorst (die dus eigenlijk een godenzoon is) met ongestampte rijst. De rijst, die op de grond valt, wordt gretig verzameld en naar huis meegenomen, want die korrels zijn door de aanraking van de vorst zeer kiemkrachtig geworden. Als de vorst intrek neemt in het huis waar hij zal overnachten, dan wordt water over zijn voeten gegoten, maar tot de laatste druppel wordt dit water opgevangen en gebracht naar zieken, die het moeten drinken: het water heeft door de aanraking van de vorst een genezende kracht gekregen.

De zon wordt aangemerkt als een godheid die zegen geeft. Vandaar dat tussen het houtsnijwerk aan de huizen der aanzienlijken steeds een zonnefiguur is te vinden.

Onlangs werd opgemerkt, dat het contact met de hemelheer was verbroken, en dat er nu een verering was gekomen van de lagere geesten. De Toradja's vereren twee soorten geesten, de goede en de kwade. De goede kunnen hulp en bijstand zenden en de kwade moet men zien gunstig te stemmen. Aan beide soorten moeten offers gebracht. Vier voorname offerbeesten hebben de Toradja's: het eerste heeft ten doel zegen voor mens, dier en gewas af te smeken; het tweede beoogt voornamelijk om de zieken genezen te krijgen; het derde is meer een dankoffer voor genoten zegeningen; het vierde heeft plaats bij de inwijding van een nieuw stamhuis of als de dakbedekking moet worden vernieuwd. De dieren, die geofferd worden, zijn varken, kip en buffel. De geesten, waaraan wordt geofferd, worden vereerd alsof zij scheppers en bestuurders van alles zijn. Men onderscheidt boze geesten boven de aarde; de pokkengeest, die de verschrikkelijke ziekte kan teweeg brengen en die gunstig gestemd moet worden; de geesten die verblijf houden in de rivieren en die mensen en dieren in de diepte kunnen meesleuren.

Behalve de offers die gebracht worden aan de verschillende geesten, zijn er ook offers, die gebracht worden aan de zielen der afgestorvenen. Van die voorouders ontvangt de mens het leven. Vandaar worden deze met goddelijke eer overladen. De overledene, die met zeer veel plechtigheden ter aarde is besteld (meestal in een tijdsverloop van een paar jaren), wordt beschouwd als een godheid, die macht heeft om zijn familieleden, die nog in het leven zijn, te zegenen. Alles wordt in het werk gesteld om de zielen van de gestorvenen te vriend te houden, om maar gezegend te worden. Het is dus puur eigenbelang, al die vereringen en offerplechtigheden. Een langdurige zieke of een afgeleefde laat men tijdens het leven haast van gebrek omkomen, maar de begrafenis is rijk en niets wordt ontzien. Verscheidene buffels worden geofferd, want als de overledene arm in het zielenland zou aankomen, dan zou hij wraak kunnen nemen, en daar moet voor gezorgd worden. Het zou ook kunnen gebeuren, dat hij niet in het zielenland terecht zou komen, en dan was de ellende niet te overzien; dan zouden die zielen blijven ronddolen en zodoende een bedreiging vormen voor de nabestaanden. Op de dodenfeesten worden 100 tot 200 buffels geslacht en dan nog de nodige varkens! De dodenverzorging kost grote sommen geld en velen moeten zich in schulden steken, waaronder ze hun hele leven niet meer uit kunnen komen.

Als we deze dingen overwegen en op ons in laten werken, dan moeten we eensdeels wel tot de gedachte komen: hoe zwaar is het werk van een zendeling, die onder deze bevolking moet vertellen van de enige Naam die gegeven is tot zaligheid; hoe moeten we dan eerbied en respect hebben voor mannen als Kruyt, die het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht onder deze Toradja-bevolking. Maar aan de andere zijde: hoe beschaamd moeten we zijn als we de lauwheid bemerken van ons, die het kerkgaan als de gewoonste zaak van de wereld vinden; die zelfs slaperig kunnen aanhoren de Woorden des levens; die bij al de weldaden, die genoten worden, durven te twisten over de vraag van wie ze zijn: ik ben van Paulus, ik van Apollos en ik van Cefas! Zou het de lieden van de Toradja-landen niet verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan ons?