Digibron.nl

Huiscatechisatie

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 8 februari 1952
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 5

ii.

Een Goddelijk bevel.

Bleek ons de vorige maal uit hetgeen we uit de acta van de Nationale Synode neerschreven, van hoeveel waarde onze Vaderen de huiscatechisatie hebben geacht, we willen thans zien, dat er voor het houden hiervan een duidelijk bevel des Heeren is, uitgedrukt in onderscheidene Schriftuurplaatsen. Enkele daarvan willen we noemen:

Deut. 6 vers 6 en 7: En de woorden, die ik U gebiede, zullen in uw hart zijn; en gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken als gij in uw huis zit, eai als gij op de weg gaat, en als gij nederligt en als gij opstaat.

Jozua 4 vers 21 en 22: Wanneer uw kinderen morgen hun vaders vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze artenen? Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, fceggende: Op het droge is Israël door deze Jordaan gegaan.

Psalm 78 vers 4: Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, voor het navolgende geslacht, vert ellende de loffelijkheid des Heeren; en in vers 6: Opdat het navolgende geslacht die weten zou; de kinderen die geboren zouden worden; en zouden opstaan en vertellen ze hunne kinderen.

Spreuken 1 vers 8: Mijn zoon, hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet.

Handelingen 16 vers 31: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

Efeze 6 vers 4: En gij Vaders! verwekt uw kinderen niet tot toorn! maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

Verplichting krachtens belofte bij de Doop.

„Ten derde, of gij niet belooft en voor U neemt, deze kinderen als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn... in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen (en te helpen) onderwijzen? "

Dit is de belofte, die de Ouders in het midden der gemeente gedaan hebben, als voor het aangezicht des Heeren, aangaande de opvoeding van en het onderwijs aan hun kinderen.

En nu hebben we wel het voorrecht, dat er alom Christelijke Scholen zijn, waar onze kinderen onderwijs krijgen uit Gods Woord, maar daarmede zijn de ouders niet van hun verplichting af! Want deze doopsvraag atelt het ZELF-onderwijzen voorop en dat terecht, want het zullen ook in de allereerste plaats de ouders zijn, van wie rekenschap geëist zal worden, van hetgeen ze gedaan hebben met de kinderen die God hen geschonken heeft. En deze verantwoording is voor onze ouders zo dubbel zwaar, daar ze voor deze kinderen begeerd hebben te ontvangen het teken des Doops. Dat houdt wat in, daarmee zijn ze afgezonderd van de wereld, dat legt de verplichting op om ze anders op te voeden dan de kinderen der wereld, want ze behoren de Heere toe. Let op Ezechiël 16 vers 20 en 21: Voorts hebt gij uwe zonen en uwe dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzclve geofferd om te verteren; is het wat kleins van uwe hoererijen, dat gij Mijne kinderen geslacht hebt en hebt hen overgegeven, als gij dezelve voor hen door hét vuur deed doorgaan?

Dat het gewicht van deze doopsbelofte toch wegen mocht, ziende op het woord des Heeren in Deuteronomium 23 vers 21: Wanneer gij de Heere, Uw God, een gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertragen, die te betalen; want de Heere, uw God, zal ze zekerlijk van TJ eisen, en zonde zou in U zgn.

Niet allereerst letten op de uitkomst.

Bij het nakomen van de verplichting in deze, hebben we niet allereerst te letten op de voor ons zichbare uitkomst van het werk.

Doen we dat, dan zou het kunnen leiden tot moedeloosheid en ook tot hoogmoed. Zou een getrouwe leraar niet moedeloos worden als hg ziet op de geringe uitkomst van zijn arbeid? Zou een onderwijzer zich in moedeloosheid niet afvragen of Christelijk Onderwijs wel zin heeft, wanneer het soms lijkt of de vermaningen en onderwijzingen uit Gods Woord slechts een voorbijgaande indruk schijnen na te laten?

En als God uit genade geringe mensenarbeid wil zegenen tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk, is het misschien grote genade als God de gezegende uitkomst van die arbeid verbergt, opdat de mens zich in hoogmoed niet zou verheffen. Daarom: niet allereerst letten op de uitkomst, maar in biddende afhankelijkheid Gods bevel volbrengen, dat is onze dure plicht.

„God moet mijn kinderen bekeren", zo hoort men zeggen. Het is volkomen waar, maar wanneer dit dient als een dekmantel voor onze traagheid en ontrouw in de opvoeding der kinderen, is het niet dan schijnvroomheid.

God bindt ons aan de middelen, maar Hijzelf is er niet aan gebonden, doch bepaalt Zelf de uitkomst naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Zouden Jacob en Ezau niet dezelfde opvoeding genoten hebben van hun vader Izak? Zouden Orpa en Ruth niet hetzelfde onderwijs ontvangen hebben van hun schoonmoeder Naomi? En toch, hoe verschillend is de uitkomst; een verschil waarvan de oorzaak niet gezocht moet worden in iets dat van de mens is, maar alleen in God, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn Wil.

Worden de kinderen die een getrouwe opvoeding ontvangen, behouden, dan komt daar alleen God de eer van toe. Gaan zulke kinderen verloren, wandelen ze op de brede weg des verderfs, dan zal hun opvoeding én hier reeds én in de eeuwigheid tegen hen getuigen. God zal er in verheerlijkt worden.

Intussen gaat er van een getrouwe opvoeding in afhankelijkheid van de Heere reeds een zegen uit voor dit tijdelijke leven. Wat een samenbinding kan het geven in het gezin; wat kan het bewaren voor veel kwaad; wat kan het onder Gods zegen opvoeden tot een tere consciëntie.

Daarom: Ouders weest getrouw in dit werk, ook als uw kinderen nog jong zijn. En tot onze opgroeiende jonge mensen zouden we willen zeggen: Verijdelt dit werk van uw ouders niet, maar stelt U er biddende onder, of het God behagen mocht het U tot een eeuwige zegen te stellen.