Digibron.nl

Actueel in onze tijd

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 25 juli 1952
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 5, 6

Isaac da Costa (1798—1860)

Een tiental jaren (1830—1840) zweeg Da Costa grotendeels als dichter. Na dit intermezzo ontstaan voornamelijk zijn tijdzangen, die zeer bekend zijn geworden, en waardoor hij een eigen plaats inneemt onder de dichters van zijn tijd. Deze zangen getuigen van grote verbeeldingskracht en er ligt een oosterse gloed over. Da Costa was een echte verskunstenaar, zoals tot hiertoe de 19e eeuw nog niet had opgeleverd.

In „Vijf en twintig jaren", een vorige maal al genoemd, worden verschillende voorvallen uit het verleden genoemd. In 1817 was het drie eeuwen geleden, dat Luther van zich deed spreken.

, , 't Is Luther! Worstelend in de engte van zijn cel, of zwervend door de stad der Cesars, vraagt hij beide wat geen van beide heeft te geven! „En God zeide: „Daar zij licht!" en 't licht verrees hem uit dat [Woord,

op Erfurts kloosterstof heroverd! Ja, hij hoort als uit Gods eigen mond den Evangelie-zegen: „Geloof! — De zaligheid wordt door geen doen [verkregen van mensen. Ze is Gods werk. Gerechtigheid en heil, voor schat noch wijsheid, voor geen boete of aflaat [veil, is gave van Zijn liefde aan zondaars, 't Eeuwig leven (geloof in Christus en Zijn zoenbloed!) is gegeven." Dat woord werd leven in zijn ziel, wordt in zijn mond een overwinnend zwaard... Hervorming', 't Was uw stond.

De Monnik, in de kracht van 't Heil, hem [aangebroken, heeft op de dag te Worms 't getuigenis uitgesproken! Daar staat hij! ja, God hielp, Daar knielt hij, keer [op keer!

Onweders drijven af, en regens plassen neer; gevaarten storten in, die de eeuwen reeds trotseerden, en waarheden staan op, die als in 't graf verteerden In 't huis des Heeren is de Kandelaar herplaatst, en schittert van een licht, dat Rome-zelf weerkaatst."

Ook de uitvinding van de boekdrukkunst wordt ter sprake gebracht:

„O, Drukkunst! — van licht, van wetenschap, van woord, van wil, van macht. Het was een [reuzenstap ten hemel — en ter hel. Ja, mensdom', ook ter helle." Voorts de uitvindingen uit de 19e eeuw: „Een nieuwe loopkring is voor heel deze aard [begonnen! Uit kool-en ijzermijn ontsprongen haar de bronnen van snelheid, macht en licht. Het helle koolvuurgas vervangt de tinteling van 't maagdelijke w r as. Het zeegevaarte voelt zijn ingewanden leven, en roept geen drijfkracht meer van buiten, om te [zweven.

Ja meer! de vrije zee, waarin de stoomboot zwemt, en 's aardrijks vaste korst in ijzren band geklemd waarop de spoortrein gonst, wedijvren met elkander. Zie langs zijn tweelingslijn dien feilen Salamander! Vuur sist het uit zijn buik, die rammelt over de aard. Hij voert bevolkingen en legers in zijn staart, metalen tenten, die met bliksemende wielen wat stand houdt, waar hij schreeuwt, verplettren en [vernielen.

Hij runt, hij vliegt, hij rukt, verwaten en verwoed, afgronden in 't gezicht, en bergen tegemoet, die wijken, of, doorboord, een open heirbaan laten. De steden naadren tot elkander; Volken, Staten doorkruisen, mengen zich. Eén zelfde stoomkracht-[vaajt Sleept heel ons mensdom voort, en effent heel onze [aard, bij 't ruisen van een zee muziek-en zangakkoorden 1 ), waar 't lied van Strauss2) mee stemt, en invalt met [dees woorden: „zie hier uw goden: Kunst en Kracht en Industrie! en voorts! geen eerdienst meer dan de eerdienst van ['t Genie!"

Het grote gedicht (546 regels) eindigt in 9 grote coupletten, waarin Da Costa tegenover de menselijke kracht, de vooruitgang en het zweren bij het genie, de Goddelijke kracht plaats. God zal uiteindelijk regeren en zal Zijn almacht tonen.

„Op 's hemels wolken zal Hij komen, die aan dien nacht een einde maakt! die, in Zijn heemlen opgenomen het troostwoord uitsprak: „Wacht Mij! waakt!"

„Ja, 't woord is uit de mond des Heeren naar 's werelds einden uitgegaan, 't Zal nimmer tot Hem wederkeren, tenzij voldragen en voldaan: Mijn Koning, ziet! Hij zal regeren! Hem zullen alle Volken eren, Hem, alle Vorsten hulde biên, Hem, allen die Zijn smaadheid droegen, die om behoudnis naar Hem vroegen, in Zijn aanbidbre schoonheid zien.

Brengt aan die Koning op uw knieën, o Koningen! uw heerlijkheid! Zij voor Zijn voetbank, o Genieën! uw schatting needrig neergeleid! Gij Wetenschappen en gij Kunsten! gij krachten, machten, gaven, gunsten, door d' Adem Gods in ons veiwekt! weg-met de dienst der heiligschennis! gij hoort den Goël toe, diens kennis eerlang het aardrijk overdekt!

Gij, o vooral! gij Harpenaren, die de aandrift voelt tot hoger lof! voor uwe aan God gewijde scharen wat ongelijkbre zingensstof! Laat — wat de wentelende jaren van worstelingen of gevaren, van dreiging of verleiding baren, — trots Eeuwgeest en Algodendom, — laat met de galmen van uw snaren, het wachtwoord van Gods Geest zich paren, en lovende ten hemel varen: „Kom, Koning Jezus! kom, ja kom!"

Men ziet: ook voor onze tijd is Da Costa zeer actueel. „Een lied in 1840" geldt grotendeels ook voor 1950.

INDEX.


1) Hier doelt de dichter op de opera's. In „Bezwaren" schrijft hij: „een eeuw, die millioenen besteedt aan het bouwen van Operazalen en Schouwburgen."

2) modern theoloog (1800—1874); schreef „Het leven van Jezus, critisch bewerkt, " dat een verbazende opschudding teweeg bracht in de theologische wereld. *