Digibron.nl

4. Handel, scheepvaart en muntwezen.

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 8 oktober 1948
Auteur: P. J. Lamoré.
Pagina: 1, 2

Als Mozes voor zijn heengaan de stammen zegent, zegt hij: sraël dan zal zeker alleen wonen en Jacobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. Gen. 33 : 28.

In deze woorden wordt ons niet alleen de afgescheidenheid des volks voorzegd, maar ook de onderhoudende liefde van een getrouw Verbondsgod.

In hun afgescheidenheid zullen aardse zegeningen ruimschoots hun deel zijn; maar ook de hemelse, die in de volheid des tijds zullen uitgedragen worden tot de heidenwereld.

Daarom moest Israël aanvankelijk geen handeldrijvend volk zijn, teneinde zijn afgescheidenheid niet te verliezen en daardoor geïnfecteerd te worden door het Heidendom.

Alles werkte tot die afgescheidenheid mee. Zo bezat Israël geen havens. De kust was grotendeels bezet door Filistijnen en in het N.W. door de Feniciërs, die beroemde zeevaarders der Oudheid.

De havenwerken van Caesarea dateren van na de ballingschap (Herodes I). De grote handelswegen lopen langs en door het land. En met verachting ziet het volk op handel en handelaars neer. Jes. 23 : 18 v.v.

Dit veranderde echter in de tijd van Salomo. Het was toen een tijd van grote weelde.

Het verbond met Hiram leidde vanzelf tot handelsondernemingen te land en ter zee. Men denke aan de gezamenlijke tochten met grote zeeschepen naar Ofir, vanwaar goud, elpenbeen, apen en pauwen werden meegebracht. 1 Kon. 9 : 26—28.

Hiram kreeg van Salomo tarwe en olie in ruil voor cederhout en werklieden. 1 Kon. 5 : 1 v.v.

Salomo liet uit Egypte paarden komen, die weer aan naburige volken werden verhandeld.

De export en import nam gaandeweg toe: honig, zalven, weefsels, asfalt, zout enz. werden uitgevoerd; metalen, houtsoorten, kostbare klederen ingevoerd.

In Neh. 13 : 16 lezen wij, dat de Tyriërs vis naar Jeruzalem brachten. In Damaskus waren Israëlitische, in Samaria Aramese bazars. 1 Kon. 20 : 34. Zie ook 1 Kon. 16 : 6.

Zo ontplooide zich langzamerhand de handelsgeest, die tot op deze tijd niet verminderd is. Integendeel.

God verbood aan Israël aan volksgenoten te woekeren, d.w.z. rente of overwinst te vragen. Deut. 23 vers 19, 20.

Gevolg hiervan was, dat de binnenlandse handel niet veel betekende.

Maar tevens had de Heere dienaangaande i'oorschriften gegeven, teneinde de heiligheid in het gebruik van gewicht, maat enz. te handhaven. Lev. 19 : 36 enz.

In Gen. 23 : 11 v.v. vinden we een voorbeeld van een eigenaardig handelsgebruik. Men bood de koper het artikel eerst ten geschenke aan, om daarna een buitengewone prijs te vragen. Israël mocht deze heidense gewoonte niet navolgen.

In de Zuidelijke landen van Europa, ook in Palestina geschiedt dit nu nog.

Voor de handel zijn goede wegen onmisbaar. Reeds in de Richteren tijd sprak men deswege van „hoge wegen." Ook leest men van „straten." Richt. 21 : 19; 1 Sam. 6 : 12 v.v.

Het zijn echter vooral de Romeinen geweest die overal goed geplaveide verkeerswegen (met mijlstenen) aanlegden; natuurlijk ook met militaire doeleinden.

Aan deze wegen verrezen de „herbergen" („khan" of „karavanserai".)

Reeds in het O.T. lezen wij van zulke herbergen Gen. 43 : 21; Ex. 4 : 24; Jer. 9 : 2.

Zo'n „karavanserai" was een groot vierkant gebouw rondom een binnenplaats waar de kamelen en het vee samengebracht werden. Op die binnenplaats was meest een overdekte put, waar de lederen zakken konden gevuld worden.

Aan achter-en zijmuren bevonden zich een aantal nissen of kamertjes, die als slaapvertrekken dienst deden.

Men dient echter in 't oog te houden, dat er in dezen, wat de inrichting betreft, heel wat variatie bestond.

Ook in Luk. 2 : 7 komt het woord „herberg" voor. Merkwaardig, dat hieromtrent verschillende opvattingen bestaan.

a. Sommigen zeggen: Er was voor Jozef en Maria geen plaats in de herberg; daarom vertoefden zij in de binnenhof.

b. De „herberg" was een woning, , in eigendom toebehorend aan Jozef en door deze verhuurd aan anderen, 't Was er overvol en daarom gebruikten ze dat gedeelte, dat als stal gebruikt werd.

c. Het gebouw was een eenvoudige boerenwoning met een verhoogd deel voor de mensen en een lager deel voor de dieren. In dit lager deel verbleven dan Jozef en Maria. Ook stonden daar de voederbakken; een ervan was de kribbe.

N.B. Elk huis, waar een vreemde tijdelijk zijn intrek nam was voor hem een herberg.

d. De geboorte had plaats in een grot, die als schaapskooi gebruikt werd.

bit is de opvatting der traditie.

Men verblijft in Palestina wel meer in zo'n kooi; het is er warmer dan in een herberg.

Men stelt het zich dan aldus voor: Jozef en Maria komen in Bethlehem. Alle huizen zijn vol. Ook in de „karavanserai" is geen plaats. En nu krijgen ze de grot (gebruikt als schaapskooi) tot verblijfplaats. Hierin staat de kribbe. (Ontleend aan snoek: In. Bethlehem. en Nazareth; en aangehaald bij Dr v. Deursen: Bijbels beeldwoordenboek.)

Voor het vervoer der handelswaren te land dienden kamelen (voor woestijnreizen), ezels, muildieren, soms ook wagens.

Voor kortere afstanden en vooral in nauwe straten werden lastdragers gerequireerd, die buitengewoon zware lasten konden torsen.

Aan hun werk zijn veel zinnebeelden des Bijbels ontleend.

Men leze maar: um. 11 : 11; Ps. 33 : 5; Matth. 23 : 4; Matth. 11 : 30.