Digibron.nl

STADHOUDER WILLEM II EN ZIJN TIJD

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 1 december 1950
Auteur: MEVAH
Pagina: 3, 9

27 Mei 1626—6 Nov. 1650

De gebeurtenissen tijdens de regering van Stadhouder Willem II en vooral de houding van de Staten na diens dood getuigen van een grote ondankbaarheid tegenover het Oranjehuis. Evenwel moeten we bedenken, dat deze houding slechts gevonden werd bij een klein gedeelte van ons volk, bij de bovendrijvende laag van de Regering, de kleine, maar alles te zeggen hebbende partij der Regenten. Het eigenlijke volk was diep aan het Oranjehuis verknocht en zo het volk meer invloed had gehad op de Regering zo zou onze Historie niet de vernedering van het Oranjehuis en de vreselijke ondankbaarheid tegenover dat geliefde Vorstengeslacht te aanschouwen hebben gegeven. 1617 en 1650 zijn de jaren waarin de Regenten hun triomfen vieren. Een kleine boven het volk staande partij. Uit eigenbelang fel ingenomen tegenover het Oranjehuis. Een kleine bovendrijvende bevolkingslaag. Vijand van enige invloed van het volk op de Regering. Een partij, die van de Calvinistische beginselen niets weten wilde. Die in de geloofsstrijd tegen Spanje meestreed, niet om de vrijheid van het Geloof, maar uitsluitend om de Staatkundige vrijheid.

Libertijns gericht en vele vrijgeesten onder zich tellend. Nakomelingen en geestverwanten van Coornhert en de zijnen. De geloofsbezieling van de kleine man, die met opoffering van goed en leven streed voor de Vrijheid om naar Gods Woord te kunnen leven was hun vreemd. Zo, niet bepaald ongodsdienstig aanvaardden ze de godsdienst om tot hun ambten te kunnen komen of te kunnen behouden.

Was bij het Gereformeerde volk de vrijheid van Christelijke Godsdienstoefening het voornaamste doel waarvoor men streed, bij de meerderheid der Regenten, onverschillig voor de Godsdienst, waren hun voornaamste grieven de schending van hun privelegiën. Het Gereformeerde volk leed en streed ten bloede toe, de Libertijnse regenten hadden zich door de vlucht veilig gesteld voor Spanjes woeden en toen het gevaar voorbij was keerden ze terug, om, mannen van invloed zijnde, zich te plaatsen op het kussen der Regering. Vele van de Stedelijke regenten, onverschillig voor de godsdienst hadden maar één doel: handhaving van de vrijheid en het bezit van de privelegiën en bovenal handhaving van zichzelf, hun ambten en voorrechten. De strijd tegen Spanje is begonnen om de Godsdienst. Is voortgezet om de Godsdienst, zelfs dan, wanneet Spanje op alle punten wilde toegeven behalve in geloofszaken. De Gereformeerden vormden de kern van het verzet. Als anderen wilden toegeven en zich onderwerpen hielden zij vol. Door de strijd om het Geloof is de Staat der Verenigde Nederland gevormd. De Kerk in vrijheid, beschermd door de ringmuur van de Staat. Dat alles was te danken aan de onverzettelijkheid, aan de geloofsmoed der Hervormden. God heeft Zijn Kerk hier geplant en de Vorsten van het Oranjehuis als instrumenten gebruikt om de Kerk te bevrijden en te beschermen. Zo was het geloof van het Gereformeerde volk, van de „kleine luiden" en wanneer dan Maurits getuigt, op het voorlezen van zijn ambtseed in 1586 afgelegd waarin gewaagd wordt van: „dat de Staten zich met hen verbonden om, tot hun laatste druppel bloed, de Gereformeerde Religie, de eerste oorzaak van de strijd te beschermen. „Die Godsdienst zal ik handhaven, zolang ik leef", dan vindt dat diepe weerklank in de ziel van dat eenvoudige volk.

Voor Gods Woord is de strijd gevoerd. De Heere heeft daarbij het Oranjehuis gebruikt om Zijn Kerk te bevrijden, dat zijn de twee hoofdwaarheden waarbij het Gereformeerde volk leeft. Dat bepaalt hun verhouding tot Oranje. Daaruit vloeit voort hun aanhankelijkheid, hun verering, hun liefde voor het Oranjehuis, Oranje en zijn geslacht wordt door hen gezien als het Gods geschenk dat hen verlost heeft van de Roomse en Spaanse tyrannie.

Niet alzo de Regenten. Voor hen waren slechts staatkundige beginselen in het gedrang. Voor hen waren de Oranjes slechts ambtenaren, officieren, die onder de Souvereintieit der Staten met geluk de strijd tegen Spanje hadden gevoerd.

Het schenden der privelegies ging hen meer ter harte dan de vrijheid des geloofs. Gekant tegen Rome zeker, maar velen hunner waren nog vijandiger tegen de Gereformeerden. Het volgende voorbeeld illustreert de gezindheid van de Regenten. Tijdens de belegging van Leiden waren er noodmunten geslagen. Het opschrift van een der uitgegeven noodmunten luidde „Om des vrijheids wille." Een predikant critiseerde dit opschrift op het noodgeld en gaf te verstaan, dat het opschrift moest luiden „om der wille van de Godsdienst"

Een van de aanhangers van de Regenten, de secetaris Van der Hout, ontstak hierover zo in woede, dat hij een geladen pistool trok en tegen de naast hem zittende burgemeester zei „Wil ik hem van de predikstoel afschieten." wat gelukkig door de burgemeester werd belet.

De aantasting van het gezag van de Stadhouder in 1617 en de grote ondankbaarheid tegenover het Oranjehuis in 1650 is niet uitgegaan van het volk, dat was te zeer aan Oranje verknocht, maar was een uiting van de op hun macht en positie naijverige Regenten. 1617 en 1650 zijn twee jaartallen uit onze Geschiedenis, die spreken van het niets ontziende eigenbelang van de partij der Regenten. Geleid door hun afkeer tegen het ware Gereformeerde beginsel riskeren ze zelfs in bond met de Remonstranten in 1617 een burgeroorlog om zich in 1650 in hun oligarchische strevingen in grote ondankbaarheid te keren tegen het Oranjehuis.

1617 en 1650 werpen geen smaad op de Gereformeerden, op de „kleine luiden" maar ze getuigen van de eigenbaat van de Regenten. De handhaving van hun souvereinitiet, het niets ontziende opkomen van hun belangen, moge het land op de rand van een burgerkrijg brengen, moge de snoodste ondankbaarheid tegenover oranje vormen, het deert hen niet, zo slechts de welstand van hen en hun familie verzekerd is.

Zij waren de Souvereinen van het land. Bij de Regenten berustte de hoogste macht van het land. Aan hen had ieder zich te ondeiwerpen. Voor de burgerij hadden ze niets dan verachting. Bij hen was het vernuft, de wijsheid. Het gemene volk had niets te zeggen. Daarop zagen ze uit de hoogte neer. Zij waren de dragers van het gezag. Daaraan waren ook de Stadhouders onderworpen. Hun heerszucht was grenzeloos. Vorst, Graaf,

(Zie voor vervolg pag. 145.)

(Vervolg van pag. 139)

Stadhouder, of wie dan ook, alles goed en wel, maar aan de Heren Staten ondergeschikt; die waren souverein. Het volk enige invloed op de Regering? Geen sprake van. Dat was goed om te betalen. Maar rechten hadden ze niet. Als bij het ontzet van Leiden enige burgers hun honger stillen door in eens te veel voedsel tot zich te nemen waaraan ze helaas stierven, schrijft P. C. Hooft, de bekende historicus, een waardig vertegenwoordiger van de Regenten: „Daarentussen zag men er een menigte, die het voedsel tot vergif gedeegh (gedijdde), mits de onmaat hunner gulzigheid: zulks dat zij, onder weg met het eten tussen de tanden, verstikt bleven. Een overerbarmelijk ding, na het ontworstelen van zo velerlei ramp, in de haven zijns heils te sneuvelen. Maar zo luttel bedachtzaamheid vindt men, in alles, bij de gemene man, om zijn eigen nut te weten tenzij de Overheid het bezorgt en hem te voren meet."

Zo schrijft op laatdunkende wijze cle aristocratische Regent over het gemene volk. Dat blijkbaar niet op zich zelf passen kan. Voor wie de Overheid, dat zijn de Regenten zorgen moet. Neen het volk, de kleine luiden" waren bij de Regenten niet geacht. Met grote minachting zagen ze op de ijverige burgerij neer en vooral was de ware godsvrucht, die oncler de burgerij gevonden werd hun een doorn in het oog.

Burger te zijn was oorzaak om met minachting dooide Regenten behandeld te worden, maar burger te zijn en in de ware vreze des Heeren te willen leven maakte hen in de ogen van de Libertijnse Regenten tot een voorwerp van smaad en verachting. Het waarachtig geloof der „kleine luiden" en hun liefde tot het Oranjehuis waren aanleiding om ze te bespotten en te smaden op allerlei manier.

Zij, de Regenten waren de mannen voor wie men eerbied moest koesteren, zij waren, voorlopers van de Liberalen uit de vorige eeuw, het denkend deel der natie. Hun kwam de macht toe. Het volk verachtten ze tot in het diepst van hun hart. Aan het volk invloed op de Regering verlenen er was geen sprake van en onbegrijpelijk was het voor hen dat Prins Willem van Oranje aan de gilden, schutters en poorters wel een stem in het kapittel wilde verlenen, wat echter door hen belet werd. Niet het volk, ook niet de Stadhouder kwam de macht toe, zij waren de heren van het land, wat wij in een slotartikel nader zullen zien.