Digibron.nl

Bernardus Smytegelt

Bron: Daniel
Datum: vrijdag 4 maart 1960
Auteur: VV. v. G.
Pagina: 6, 7

(i).

Heeft het eigenlijk wel zin, over Bernardus Smytegelt te schrijven? Van alle „oude schrijvers" is hij ongetwijfeld het meest bekend en het meest gelezen. Zijn honderden preken zijn tot op cle dag van vandaag binnen ieders bereik; zijn leven en werk is cloor verschillende auteurs uitvoerig beschreven; talrijke verhalen (en helaas ook legenden) zijn over cle Middelburgse volksprediker in omloop.

Toch zouden we de beweging van de Nadere Reformatie onrecht doen, indien we stilzwijgend aan de figuur van Smytegelt voorbijgingen; daarvoor is trouwens de invloed van „vader" Smytegelt, met name in Zeeland, maar ook daarbuiten te groot geweest. We zullen clan onvermijdelijk dingen moeten zeggen, die overbekend zijn, maar wellicht komen ook minder bekende zaken aan de orde. Moge een en ander leiden tot een beter begrip van de Nadere Reformatie in het algemeen en van Smytegelt in het bijzonder.

Jeugd en studententijd

Bernardus Smytegelt was een Zeeuw onder de Zeeuwen. Hij is in Zeeland geboren, hij heeft er zijn hele leven gewoond en gewerkt (behoudens de vier jaren, waarin hij te Utrecht studeerde) en hij is er ook overleden.

De familie Smytegelt was afkomstig van het eiland Tholen. In de kerk van Tholen bevindt zich het graf van een verre voorvader, burgemeester Cornelis Jacob Smytegelt, aldaar overleden in 1542. Bernardus' vader Marinus Smytegelt en zijn oom Pieter, die van 1680 tot 1697 predikant te Middelburg is geweest, zijn beide in Tholen geboren. Van die stad uit is de familie naar andere plaatsen in Zeeland uitgezwermd.

Marinus Smytegelt vestigde zich als boekhandelaar te Goes. Een zoon uit zijn eerste huwelijk, Pieter, bracht het tot thesaurier van de stad Middelburg.

Uit zijn tweede huwelijk, met de ontwikkelde en godvrezende Anna Lambregtsen, werden drie zoons geboren: Josias, Bernardus en Marinus.

Josias werd later schepen van zijn geboortestad, Marinus was een aanzienlijk koopman. Dit alles zij terloops vermeld, om het wijdverbreide sprookje, als zou Smytegelt van zeer geringe afkomst zijn geweest, uit de wereld te helpen.

Bernardus aanschouwde dus het levenslicht te Goes, op 20 aug. 1665. Zijn vrome moeder had hem reeds vóór zijn geboorte aan de dienst des Heeren gewijd. Bernard was een Timotheüs, die van kindsbeen af de Heilige Schrift heeft gekend en al zeer vroeg de Heere vreesde. Kon hij dus niet van een krachtdadige bekering spreken, wel kon hij uit eigen ervaring vele bekommerden tot troost zijn. Hij zei later weieens van de kansel: „ik acht dat men cle tijd, de plaats en de wijze van zijn bekering niet, of slechts zelden, weten kan; 't is ook niet nodig, 't is genoeg, als men op goede gronden uit Gods Woord en uit een goede kennis van z'n hart en daden besluiten kan, dat men gelooft en wedergeboren is; zelf weet ik de tijd van mijn verandering ook niet, want het is al in mijn kindsheid geschied."

Van zijn ouders kreeg Bernard een in alle opzichten uitstekende opvoeding. Hij bezocht de „Latijnse School" te Goes, waar hij een der beste leerlingen was. Van de bekende Ds. Nicolaas Barentsen (ook wel Barensonius genoemd) die van 1643 tot 1679 te Goes heeft gestaan, kreeg hij catechetisch onderwijs.

Als jongen van 18 jaar vertrok Smytegelt in 1683 naar Utrecht. De theologische faculteit telde in die jaren vier hoogleraren: Petrus van Mastricht, Her-

man van Halen, Melehior Leydekker en Herman Witsius.

Met de eerste twee heeft Smytegelt weinig of geen kontakt gehad, met de laatste twee echter was hij intiem bevriend. Leydekker was bovendien zijn neef en provinciegenoot. Witsius had van 1666 tot 1668 in Goes gearbeid en zal zeker de ouders van Smytegelt gekend hebben. Witsius maakte zo'n indruk op de jonge Smytegelt, clat deze jaren later nog zei: „Die grote man kan niet recht beschreven of geacht worden dan van degenen clie hem van nabij gekend hebben."

De professor zelf sloeg cle student Smytegelt zó hoog aan, dat hij hem een medestudent, die weinig uitvoerde en losbandig leefde, als kamergenoot toevertrouwde, in de hoop dat er van Smytegelt een invloed ten goede op de nietsnut zou uitgaan. Voor Smytegelt zelf was clat natuurlijk geen onverdeeld genoegen!

Reeds in 1687 verliet Smytegelt Utrecht om zich in dienst van de Zeeuwse Kerk te stellen.

Wegens het proponenten-overschot van die tijd, stond hij twee jaar lang „ledig aan de markt."

Daar echter de besten onder de kandidaten toch meestal spoedig een beroep kregen, is de vraag gewettigd, waarom een later zo gevierd prediker zo lang moest wachten. Men heeft cle oorzaak wel gezocht in Smytegelt's kanselvrees, clie hem bij het proponeren hinderde. „Ik bestierf het, als ik moest preken, " vertelde hij zelf. Hoe het ook zij, het was voor kandidaat Smytegelt een duistere weg, zijn leven te willen besteden in de dienst des Heeren en geen plaats te kunnen krijgen. Hij zei later: „Twee jaren lang was ik proponent, niet zonder veel tegenstand." Toen hij uit moedeloosheid had besloten, clan maar naar Schotland te gaan en zich daar beroepbaar te stellen, ontving hij op 12 april 1689 de beroepsbrief uit Borssele. Dat Smytegelt clat beroep per omgaande aannam, behoeft wel geen betoog. Reeds vijf weken later deed hij intrede in zijn eerste gemeente.