Digibron.nl

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bron: Amsterdamsch Zondagsblad
Datum: zondag 6 december 1891
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 1, 2, 3

De Apostel gaat voort met ons te doen zien, hoe groot onze ellende is, hoe diep zij gaat, hoe wij haar leeren kennen, juist dan, wanneer het ons te doen is, om in Gods wil en gebod te wandelen, zoodat wij er niet aan kunnen denken, om zeiven de Wet in onze handen te nemen, om haar in eigenen wil, in eigene kracht te houden, om zoo naast de rechtvaardigheid uit het geloof alleen nog eene andere gerechtigheid, eene eigene heiligmaking op te richten. Uit hetgeen hijzelf bij voortduring ervaart, toont hij ons aan, hoe bij de geloovigen, bij degenen, die tot God — niet tot zichzelven — bekeerd zijn, wel het willen aanwezig is, maar dat zij het volbrengen van het goede niet bij zich vinden, ja dat zij juist datgene doen, wat zij haten, — een bewijs, hoe zeer zij in zichzelven van God afgevallen zijn, hoe groot de macht is der zonde, die in hen woont, zoodat het eigenlijk in het geheel niet meer aankomt op hun eigen persoonlijk willen of niet willen, doen of laten, wijl het geheel, de geheele mensch, ons geheele leven staat in de macht der zonde, die in ons woont. Daarom gaat hij aldus voort: Zoo v i n d ik d a n d e z e w e t i n m i j , a l s i k h et g o e d e wil d o e n , d a t h e t k w a d e mij b i j l i g t.
Dit blijft dus waar: God heeft het door Zijne genade, door Zijnen Heiligen Geest ons in het hart gegeven, dat wij het goede willen doen, hetgeen voor God en naar Zijne "Wet goed is. Waar wij genade gevonden hebben in het bloed vanJesus Christus, waar wij in onze verlorenheid door Zijne eeuwige ontferming opgenomen zijn in het verbond Zijns vredes, daar leeft toch dit in het hart, dat wij gaarne bij Hem zouden willen blijven, Hem aanhangen met geheel ons hart, de wereld en hare begeerlijkheden vaarwelzeggen, het kruis op ons nemeu en onszelven verloochenen; daar zouden wij toch gaarne in Zijne liefde blijven, blijven in het waarachtig geloof, om ons alleen te houden aan het Woord, aan de belofte, om ons daarmee heen te slaan door deze wereld, die in het booze ligt, onze zielen onbevlekt van haar bewaren, niet meedoen in de ongerechtigheid; daar zouden wij zoo gaarne den goeden strijd strijden, den loop voleindigen, het geloof behouden, zouden zoo gaarne onzen ganschen weg in Gods hand stellen, het zorgen achterwege laten, alles, wat ons treft, uit Zijne vaderlijke hand aannemen, zouden zoo gaarne bij alles de eere Gods op het oog hebben, niet het onze zoeken, maar wat des naasten is, hem van ganscher harte vergeven, ieder het zijne geven, gerechtigheid jegens hem oefenen, de liefde laten regeeren, hartelijk, vriendelijk, voorkomend, liefderijk jegens hem zijn, en dat niet nu en dan slechts, maar te allen tijde. Dat ligt zoo in het hart van den bekeerde, dat heeft God er in gelegd, — maar zoodra wij dat nu willen doen en volbrengen, in waarheid daarnaar willen leven, zoodra het niet slechts schoone gedachten bij ons zijn, maar wij het in het leven willen toepassen en er naar willen doen, vinden wij d e z e wet in ons: dat ons het kwade bijligt. Dat is ons als eene wet gegeven, en onveranderlijk vastgesteld, zoodat wij haar niet maar kunnen opheffen of haar ontgaan. . Het is die wet, welke God reeds in het paradijs heeft uitgesproken: „Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven" ; die wet, dat het met ons uit is, dat wij uit onszelven voor God niets tot stand kunnen brengen, dat goed zou zijn, of, zooals het hier heet, dat ons bij al het goede, dat wij willen doen, het kwade bijligt. Wij kunnen dat niet van ons afschudden, hoe gaarne wij ook goed, rein en heilig voor God zouden willen verschijnen. Alles wordt er door bevlekt en verontreinigd, ook het beste, het heiligste, dat ik heb, zoodat ik bij al mijn geloof steeds moet klagen over mijn ongeloof, en op zijn best genomen met dien vader moet uitroepen: „Ik geloof, Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp", — ja den Heere steeds reden geef tot do bestraffing: „Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen!" en er bij al mijne liefde toeh steeds liefdeloosheid en eigenliefde aan het licht komt, en ik mij moet vero'ordeelen, omdat ik slechts mijzelven zoek. Zelfs kan ik niet eens bidden, zooals het behoort, ik weet geene woorden te vinden, ja, hoe dikwijls gevoel ik in het geheel geenen aandrang tot het gebed ; telkens vind ik mij zoo dood, zoo koud, zoo machteloos. Ik mag beginnen, ik mag doen, zooals ik wil, ik ben en blijf zondaar en kan nooit voor God komen en zeggen: dit heb ik nu eens goed gedaan, daarmee kan ik voor U bestaan.
De Apostel zet dit nog nader uiteen, door te zeggen (Vers 22): W a n t ik heb een v e r m a a k in de W e t Gods n a a r den i n w e n d i g e n mensch. De Apostel zegt ook eenmaal 2 Cor. 4 : 1 6 : „Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag". Op gelijke wijze spreekt hij ook hier van eenen „inwendigen mensch" in tegenstelling met de leden, waarvan hij in het volgende, 23ste y e r a spreekt. „Naar den inwendigen mensch", — daarmee bedoelt de Apostel den. mensch, zooals hij in gemeenschap met Christus staat, door de genade herschapen is, doordien hij een nieuw hart ontvangen heeft naar de belofte: Ik zal het steenen hart uit u wegnemen en u een vleeschen hart geven, — een hart dus, waarin de liefde Christi is uitgestort door den Heiligen Geest, dat dus verlicht is tot de kennis van Jesus Christus. Zooals het dus in den grond van het hart en in het wezen des wedergeborenen ligt, zegt hij, heb ik een vermaak in de Wet Gods, of, nauwkeuriger vertaald: ik verheug er mij mede in, t. w. met God, zooals Hij Zich verheugt in Zijne Wet, in de gansche openbaring van Zijnen wil, gelijk Hij alles heeft vastgesteld in Christus Jesus, — want Christus is het einde der Wet, alles loopt uit op Hem, •—- zoo heb ook ik mijn vermaak, mijne vreugde daarin. Toen God hemel en aarde geschapen had, zag God al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. God had daarin Zijn vermaak, Zijne vreugde. Zoo heeft Hij ook Zijne vreugde en Zijnen lust, en in nog hoogere mate, in de nieuwe schepping der genade, waarin in Christus alles weder hersteld is, en naar den inwendigen mensch verheug ik mij mede en heb eveneens daarin een vermaak. O, waar men zijne zonde, zijne verlorenheid heeft leeren kennen, waar men zelf alles had verkwist en verloren, en men genade ontvangen en vrede gevonden heeft in het bloed van Jesus Christus, daar begint in waarheid de vreugde over Gods Wet; want daar hebben wij niet alleen te denken aan de Tien Geboden, maar aan alle verordeningen Gods met . betrekking tot den hoogepriester, de offers, den tabernakel, aan den ganschen raad Gods in Christus Jesus, zooals God dien in Hem heeft vastgesteld, opdat de Wet weder opgericht en de gevallen mensch in Christus Jesus weder vernieuwd zij tot eenen wandel in den weg Zijner geboden. Daarin heb ik een vermaak, dat er geschreven staat: „Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb", Die u uit de macht der zonde en des doods verlost, uit het diensthuis der Wet bevrijd heb, „gij zult geene andere goden voor Mijn aangezicht hebben", houdt u aan Mij alleen; dat er geschreven staat: Leg uwe handen op het Lam en geloof alleenlijk; dat God mij Zijnen Christus heeft gegeven tot mijne gerechtigheid, heiligmaking en volkomene verlossing; dat Hij mij in Hem de belofte heeft gegeven: „Ik zal maken, dat zij in Mijne inzettingen zullen wandelen, en Mijne rechten zullen bewaren en doen", en: „Ik zal u reinigen van al uwe onreinheid, van al uwe afgoden"; dat God Zelf door Zijne genade en door Zijnen Geest'allesin mij werken wil, wat Hem welbehagelijk is, mij bekleeden met de kleederen des heils, met den mantel der gerechtigheid, dat Hij mij wil leiden aan Zijne hand en houden in den weg Zijner geboden, dat Hij Zijne Wet wil schrijven op de tafelen mijns harten, opdat zij vrijwillig gehouden worde en niet uit dwang, opdat zij zij eene Wet der vrijheid en niet der vreeze, opdat er waarachtige liefde zij, — zoodat ik niets ben en Hij alleen alles. Dat is de Wet G o d s , zoo heeft Hij haar gegeven, zoo haar bedoeld. En 0 ja, daarin heeft de tot God bekeerde een vermaak, naar den inwendigen mensch, hij wil haar niet anders hebben, hij verheugt zich over deze openbaring der heerlijkheid, hij ziet Gods eere op het hoogst verhoogd en zichzelven voor eeuwig verlost. Maar ach, terwijl hij daarin een vermaak, daarin vreugde heeft, en niets anders wil naar den inwendigen mensch, ziet hij te gelijk eene andere wet in zijne leden, die strijdt tegende Wet zijns gemoeds, d. i. tegen de Wet Gods, gelijk hij haar in zijn gemoed, in zijn door Gods Geest verlicht gemoed heeft, gelijk hij daarin naar den inwendigen mensch een vermaak heeft. Wanneer de Apostel spreekt van „leden", moeten wij daarbij niet alleen denken aan de leden onzes lichaams, handen, voeten, tong enz., dat alles is mede daaronder begrepen, maar toch ziet de Apostel verder en gaat met deze uitdrukking dieper. Hij spreekt als in een beeld. Gelijk de mensch hetgeen hij denkt, hetgeen in zijne ziel leeft, met de leden uitvoert en volbrengt, zoo heeft ook de inwendige mensch, waarvan hij zooeven sprak, zijne leden, waarmee hij werkzaam is; dat zijn de bewegingen en aandoeningen zijner ziel, zijn denken en peinzen, zijn doen en laten, zijn willen en loopen, en voorts ook al het doen en werken des menschen met hand en voet, met oor en oog en tong. En in dat alles moet de geloovige eene andere wet zien, — niet de Wet Gods, de Wet des levens, waarin hij naar den inwendigen mensch een vermaak heeft, maar eene wet des doods, namelijk dat het vonnis des doods over hem is uitgesproken naar het woord: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven". Zoo is in al mijne leden, geestelijke en lichamelijke, waarmee ik den wil Gods wil doen en volbrengen, in al mijn spreken en denken, werken en doen deze wet, dat het alles in den dood ligt, gelijk het uit den dood voortkomt, dat het alles niet deugt en voor God niet kan bestaan, dat het alles onrein is en bedorven, wijl ikzelf ook van God ben afgevallen. Deze wet komt mij immer tegen, ik vind die altijd bij mij, in mijne leden, juist waar ik Gods wil wil doen, en zij is altijd in strijd mot de Wet mijns gemoeds, zooals ik haar in mijn gemoed heb, d. i.: de Wet Gods, waarin ik naar den inwendigen mensch een vermaak heb, die ik dus in mijn gemoed, in mijn hart draag. Die andere wet, de wet dos doods, die eens voor altijd het vonnis over mij uitgesproken heeft, strijdt tegen deze Wet mijns gemoeds, treedt immer vijandig tegen haar op, zoodat deze niet kan, zooals zij wil, zoodat ik niet k a n gelooven, niet op God k a n vertrouwen, niet in gehoorzaamheid k a n blijven, ja ik voortdurend zie, dat er in weerwil van al hetgeen ik gaarne zou willen, waarnaar ik hartelijk verlang, en waarin ik een. vermaak heb, geen waar geloof, geen waar vertrouwen, geene ware liefde, geene rechte gehoorzaamheid bij mij gevonden wordt, en omdat ik het nu toch gaarne bij mij zou willen zien, omdat ik van ganscher harte er naar verlang en het toch niet bij mij vind, wil ik het nochtans bij mij vinden en begin weder te willen en te loopen, tracht het door mijnen wil, mijne kracht, mijne inspanning, door mijne voornemens en besluiten te verkrijgen, en ben op eenmaal weder g e v a n - g e n o n d e r de wet der z o n d e , die in mij n e l e d e n i s , in de wet van het „doe dat", van het „hier een weinig, daar een weinig", , in de wet, zooals de mensch die altijd weder in zijne hand neemt om daarmee de zonde te overwinnen, gerechtigheid te verkrijgen, met alle deugden versierd te worden, welke wet toch slechts de zonde ontdekt, ja ook de zonde opwekt en gaande maakt, en dus met recht de wet der z o n d e genoemd wordt, ofschoon ik haar beschouw als eenen regel tot heiligmaking. Hoe ik ook strijd, omdat ik aan het geloof, aan het geloof alleen zou willen vasthouden, op eenmaal ben ik overwonnen, en heet het: „De Filistijnen over u", en ben ik in deze wet der zonde verstrikt, zoodat ik niet van haar kan los komen en door haar als krijgsgevangene word weggevoerd, weggesleept, — waarheen ? Yoor den rechterstoel der Wet, die over mij het oordeel der verdoemenis uitspreekt. (Slot volgt.)