Digibron.nl

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 185

Bron: Abraham Kuyper Collection
Datum: zaterdag 1 januari 1898
Auteur: Abraham Kuyper
Pagina: 185

VIL

Salome.

iwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot Hem met hare zonen, Hem aanbiddende, en begeerende wat van Hem.

Toen

Matth. 20

20.

:

Salome was de vrouw van Zebedeüs, en alzoo de moeder van Joannes en Jacobus. Dit blijkt ii terstond zoo ge Mare. 15 40 56. Bij Marcus toch wordt onder de vergelijkt met Mattli. 27 vrouwen, die voor Jezus' begrafenis zorgden, met name ook Salome genoemd; terwijl bij Mattheus de riaam van Salome niet voorkomt, maar wel de moeder van de zonen van Zebedeüs wordt genoemd. Salome mocht zich zelve dus, als moeder van twee van Jezus' meest geliefde discijielen, zalig prijzen. Jezus' drie grootste apostelen waren ongetwijfeld: Petrus, Joannes en Paulus. Bij dit hooge diietal treden alle overigen in de schaduw terug. En nu nam, eer Paulus optrad, Jacobus de derde plaats in dit drietal in. Hij wordt altoos met Petrus en Joannes afzonderlijk genoemd. En wel verdwijnt hij juist als Paulus zijn plaats zal innemen maar hij verdwijnt door den marteldood (zie Hand. 12 2), en is alzoo allen apostelen, door het overigen bloedgetuigenis, in de hemelen voorgegaan. Van het elftal, dat op den Olijfberg den Heiland bij zijn opvaart nastaarde, is Jacobus het eerst van allen tot de zalige gemeenschap met den verheerlijkten Verlosser opgeroepen. Salome is dus niet bedrogen uitgekomen. Haar beide zonen blijven een plaats der eere in het apostolaat innemen. Jacobus is de eerste apostel, die de eerekroon ontvangt, en Joannes is de :

:

: