Digibron.nl

Als gij in uw huis zit - pagina 167

Bron: Abraham Kuyper Collection
Datum: zondag 1 januari 1899
Auteur: Abraham Kuyper
Pagina: 167

155

En wat die kleine groep aanbelangt van rijke lieden, die leven van opgegaard geld en brood en meer dan brood hebben, ook al werken ze niet, ook hun wacht het oordeel Gods, indien ze hun roeping niet verstaan hebben, om, waar ze die weelde genoten, te volijveriger bezig te zijn voor de hoogere belangen des volks en in de dingen van het Koninkrijk Gods.

Maar voor den bekeerde neemt God de Heere nu die vernedering van den arbeid weg. Hij is weer kind van zijn God geworden. En gelijk nu in het huisgezin het kind helpt en mede-arbeidt, zonder er bij te denken: „Daarmee verdien ik mijn brood", maar alzoo arbeidt om geen andere reden, dan omdat moeder het zegt en overmits het aan dat helpen van moeder lust heeft, zoo ook is het voor den Christen geworden. Zorge voor zijn brood kent hij niet. Wat toch zou hij bezorgd zijn voor zijn leven, zeggende: Wat zal ik eten, of waarmede zal ik mij kleeden? Doen niet de Heidenen alzoo? En als hij aanziet de vogelen des hemels, dat ze noch zaaien, noch maaien, en nochtans door zijn God gevoed worden, kan hém dan het vertrouwen ontzinken op zijn Vader die in de hemelen is? Nu zeggen we niet dat ieder Christen zóó staat, maar wel dat hij zoo staan moet. Gelijk een kind niet voor zichzelf zorgt, maar zijn vader zorgen laat vOor hem, en nu voor vader werkt, omdat hij zijn vader is, met zoo ook laat een kind van God lust en liefde en in gehoorzaamheid, de zorge voor zijn brood aan zijn God over, en inmiddels werkt hij al de uren van den dag in den dienst van zijn God.

Wat

werk zoekt

is dus niet het loon, niet het geld, niet welbehagen zijns Gods. Hij is bij zijn God thuis, bij zijn God in dienst, en nu werkt hij al den dag in zijn Goddelijk beroep, omdat zijn God hem daarin gesteld heeft, of hij daarin zijn God mocht behagen. Zoo werkt hij niet om daardoor brood te erlangen, d. i. niet om de spijze die vergaat, maar om het welbehagen en de gunste zijns Gods te genieten, d. i. om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven. Aldus is de vernedering overwonnen. Het is niet meer heel het leven opgaande in de zorge voor het lichaam maar omgekeerd ook de meest slaafsche en stoffelijke arbeid ingetrokken in den dienst van zijn God en daarom in zijn God geheiligd. Eiken morgen, dat weer een dag begint, is het zijn vraag en zijn bede: „Wat wilt Gij, Heere, dat ik doen zal?" En eiken avond, als weer de dagtaak volbracht is, legt hij het offer daarvan voor zijn God neder, gevende Gode de eere.

hij

het brood,

;

in zijn

maar

het