Digibron.nl

Als gij in uw huis zit - pagina 250

Bron: Abraham Kuyper Collection
Datum: zondag 1 januari 1899
Auteur: Abraham Kuyper
Pagina: 250

238

Ook onder ons, Gereformeerde Christenen, mocht in dit opzicht de teederheid wel iets grooter zijn. Als Jezus aan Lazarus' graf staat, en in diepe ontroering over het sterven van zijn vriend weent, Hgt hierin wel allerminst een goedkeuring voor die koudheid en hardvochtigheid waarmee men onder ons vaak bij de lijkbaar en bij de geopende groeve verkeert. En als de apostelen des Heeren zoo gedurig spreken van hen die ons zijn voorgegaan en in Christus ontslapen zijn, blijkt hieruit toch het denken aan onze broederen en zusteren, die in duidelijk, dat Jezus ontslapen zijn, van de liefdestrekking in Gods kind onafscheidelijk

is.

Ongetwijfeld handhaaft, wie uit den geest onzer vaderen leeft, ook bij het graf het hoog gebod, dat óók bij de lijkbaar God alleen groot moet zijn, en dat de liefste doode ook niet voor één oogenblik een schaduw op de eere van Gods naam mag werpen. Daarom sieren we onze graven niet, achten dat een bloemkrans op de lijkkist hinderlijk is, en willen we in den dood den dood, in het graf het graf, beide in ernstige realiteit voor ons zien. Dien ernst durven we, omdat we van Christus zijn, aan. En ook spreekt bij de gedachte aan ons eigen sterven niet in de eerste plaats het verlangen, om onze dooden weer te zien. Als het goed in uw hart staat, en het heimwee naar den hemel soms trekt, moet het een verlangen zijn, om „ontbonden te worden en bij Christus te zijn'^ David zong in zijn hed, niet dat hij zich vermaken zou met het beeld van zijn dooden, maar dat hij zich eeuwiglijk vermaken zou

met het beeld van zijn God. Het groot en eerst en hoog gebod duldt het niet anders. In leven en sterven onzes Heeren, en daarom in leven en in sterven God de eerste en God de laatste in onze gedachten, in onze verbeelding, in onze heugenis, in ons heimwee. Dat, dat alleen is, bij het graf, en bij het naderen van den dood, en bij het denken aan onze dooden, uit den geest der vaderen, een leven naar Gods heilig Woord.

Maar juist langs dien weg leeft de heugenis aan wie in Christus ontslapen zijn, dan ook vanzelf in ons op, vooral waar die vroeg ontslapenen de onzen, en ons van God gegeven waren. Over wie niet in Jezus ontsliep, zwijgen we. oordeelen niet. Ook waar wij niet merkten dat ze in Jezus ontsliepen, weet geen onzer te zeggen, wat in den jongsten snik nog tusschen God en die ziel voorviel. De mysteriën der ziel en het mysterie van Gods genade ligt zoo diep. Aan Hem, niet aan ons, staat het oordeel.

We