Digibron.nl

Lokken.... In de woestijn.

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 1 juni 1989
Auteur: Ds. M. Vlietstra.
Pagina: 1

Daarom zie, Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.

De naam van de profeet Hosea betekent: drager van heil. Het is een naam van ongeveer dezelfde betekenis als die van Jezus. Jezus betekent ook: De Heere redt, de Heere geeft heil.

Ruim zestig jaren heeft hij de boodschap des Heeren gebracht aan Israël, en dan met name aan het tien-stammenrijk. In een tijd van afgodendienst en grote onrust, tijdens en na de regering van Jerobeam II heeft hij in grote bewogenheid geworsteld met zijn volk om het weer tot de dienst des Heeren te doen terugkeren. Maar tevergeefs! Door eigen schuld. Israël volhardt in het kwaad en het roept zelf Gods oordelen over zich in. En dan spreekt de Heere: “Daarom zie, Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn”!

God zal Israël dus in de woestijn voeren. Waarom? Om dat Israël de Heere heeft vergeten (vers 12). Omdat Israël als een overspelige vrouw haar wettige Man, de Heere, heeft verlaten — daarom zal ze in de woestijn worden gevoerd. Dat is dan haar straf.

Ja, en toch: deze verklaring, die zo heel erg voor de hand ligt, wordt weersproken, in elk geval als onvolledig aangemerkt door dat woordje: lokken.

Lokken in de woestijn, dat betekent niet alleen straf. De gedachte aan straf raakt hierbij zelfs op de achtergrond. Wij moeten bij de woestijn niet alleen, zelfs niet allereerst aan de ballingschap denken. Lokken in de woestijn is niet zonder meer: voeren in ballingschap.

Daarom zie, Ik zal haar lokken. Dit is niet meer: oordeelsaankondiging, maar belofte! De Heere gedenkt in eeuwigheid aan Zijn verbond, en Hij zal maken, dat ook Zijn volk opnieuw daaraan gedenken zal. En daarom zal Hij Israël lokken, dat wil zeggen: Hij zal Israël door liefde tot zich trekken. En haar voeren in de woestijn. Bij dit “voeren in de woestijn” moeten we denken aan de uitleiding van Israël uit Egypte. Dat was immers ook een uitleiding in de woestijn. Maar dat voeren van Israël uit Egypte in de woestijn betekende toch geen oordeel, maar bevrijding. Uit Egypte door de woestijn naar Kanaän.

Zo leidt de Heere Zijn volk nog. Hij roept ze, Hij trekt ze onwederstandelijk uit het dienstenhuis, uit de slavernij van satan en zonde. Hij stort door Zijn Geest Zijn liefde uit in hun hart, zodat ze hun schuld leren belijden, hun zonde leren bewenen en het in Egypte niet meer kunnen uithouden.

Zoals christen uit “De Christenreis” het niet meer kon uithouden in de stad “Verderf”. Maar losgemaakt van en uitgeleid uit Egypte, is Gods kind nog niet zomaar in het beloofde land, vloeiende van melk en honing. Door de Heere gelokt, komen ze terecht in.... de woestijn. Ze worden woestijnreizigers. En een woestijnreiziger moet veel verduren, wat niet aangenaam is. De woestijn is de plaats van de ontbering. In de Schrift staan paradijs en woestijn tegenover elkaar. Het paradijs is de plaats, waar voor de mens alle levens-bronnen vloeien. En de woestijn is de plaats, waar al deze bronnen zijn toegestopt. Nee, het is in de woestijn doorgaans niet aangenaam. En toch gaat de reis naar Kanaan door de woestijn.

Wanneer wij door de kracht van de Heilige Geest worden overreed om Egypte vaarwel te zeggen, dan kunnen we aanvankelijk wel menen, dat we zo, zonder al te veel moeite Kanaan zullen binnengaan. Maar toch: al spoedig merken we wel, dat de weg door de woestijn voert. We meenden de zonden al aardig te boven te zijn, maar ach, wat valt het tegen: ik wist niet, dat mijn tere ziel, zoveel van ’t aardse overhiel’. We meenden aan de wereld gestorven te zijn, maar ach, wat doet die wereld haar zuigkracht nog gelden. We hadden ons zo hartelijk voorgenomen om heel ons leven aan de Heere te geven, maar ach: het goede, dat ik wil, doe ik niet; het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik, ellendig mens!

De woestijn. Amalek valt aan. Satan, wereld en eigen vlees vechten aan: waar is nu God, op Wien ge bouwdet?

De woestijn. De dorst kwelt. God des levens, ach wanneer.... Ai, laat mij niet van druk verkwijnen.

Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn. Dat zegt en dat doet de Heere Zelf. Lokken uit liefde en voeren in de woestijn, eveneens uit liefde.

Waarom dan toch? Wel, opdat de woestijn oefenschool zou zijn. Mozes heeft in de moeite van het woestijnleven zijn vorming ontvangen. En Elia. En Amos. En heel Israël is in de woestijn Gods bruid geworden. En Johannes de Doper is uit de woestijn opgekomen. En Christus Zelf ook. Hij heeft voor Zijn kerk de woestijn geheiligd.

We lezen on Openbaring 12 : 6, dat de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij ze aldaar zouden voeden. Ja, Christus heeft voor de zijnen de woestijn geheiligd. Het is in de woestijn wel moeilijk. Maar de Heere zorgt toch ook wel eens voor een Elim, waar Zijn kinderen even mogen uitrusten onder de palmbomen en bij de waterfonteinen. Ze kunnen in de woestijn wel dorst hebben, maar als ze met de staf des geloofs op de Rotssteen (Christus) mogen slaan, dan stroomt daar het levende water. En ze mogen drinken. Ze kunnen wel honger hebben, maar de Heere laat toch het manna regenen. Ze werden daaglijks begenadigt; met Manna, het hemels brood, verzadigd.

Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, zegt de Heere. En aldaar zal Ik naar haar hart spreken. Dat zegt de Heere ook. En hij doet het! Hij spreekt naar het hart van Zijn kinderen. Zoals ze het, naar de nieuwe mens, zo graag horen en zoals ze het zo onmisbaar nodig hebben. Hij spreekt ze van schuld en vergeving, van zonde en genade. En zo maakt Hij ze tot een gepast voorwerp voor de volle Christus. In de woestijn leren we, dat we het zo helemaal van genade moeten hebben en dat we zo helemaal op de Heere zijn aangewezen. In de woestijn leren we, dat wij Kanaän niet veroveren, maar: beërven. Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen! Zalig wostijnvolk!