Digibron.nl

Naamchristendom

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 9 november 1989
Auteur: Ds. v.Z.
Pagina: 1

“Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood”.

De herdenking van de reformatie is geweest. Het is goed dat we herdacht hebben. Gods grote daden in het verleden mogen we nimmer vergeten. Maar om nu te denken dat één reformatie voldoende was geweest dan gaan we toch wel fout. Reformatie is altijd weer en meer nodig.

Eens gaf de verhoogde Koning, de Heere Jezus Christus, aan Johannes op Patmos de opdracht om brieven te schrijven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië. We weten: die brieven zijn ook bestemd voor de kerk van alle eeuwen en inzonderheid voor de kerk in de eindtijd.

In een van die brieven, namelijk de brief aan Sardes, wordt gesproken van naamchristendom. Ook in ons leven is er het gevaar dat we slechts in naam christen zijn. Dat laat Christus niet onbewogen. Met die achtergrond adresseert Christus Zijn brief aan zulken, en zegt Hij toe het genadeloon voor hen die zich bekeren.

We zouden Sardes een prachtgemeente kunnen noemen. Er was rust en vrede. En dat in tegenstelling met andere gemeentes. Daar strijd, moeiten, konflikten. Wereld en satan lieten geen moment met rust. In Sardes lieten die het afweten. Ze schenen geen vat meer te hebben op Sardes. Jongemensen zouden kunnen denken: Sardes is een ideale gemeente. Zo behoort het te zijn. Geen geharrewar, geen ruzie, geen staan tegenover elkaar. En zelfs een dienaar des Woords zou zich zulk een gemeente kunnen begeren. Elke vergadering die glad verloopt en waar artikel 43 van de kerkorde overbodig is geworden.

Echter laten we ons niet vergissen. O zeker -dwaalleer wordt in Sardes niet gehoord. Men is rechtzinnig in de leer, en voor zover men beoordelen kan christelijk in de wandel. Schandelijke praktijken als in Thyatira worden niet gevonden. Leer en leven zijn, menselijk beoordeeld, in overeenstemming. Maar daar is het spreken van Hem Die de Bezitter is van de zeven Geesten en de zeven sterren. Hij spreekt: Ik weet. Wij menen soms ook te weten ten opzichte van een kerk of van een ander. Ons weten is echter feilbaar. Zijn weten onfeilbaar. Alle dingen zijn voor Hem openbaar; niets is er voor Hem verborgen. Hij weet hoe het in de kerk is; Hij weet hoe het in uw leven is. Hij weet hoe het in ons hart is. Voor hem Die de zeven Geesten heeft, is geen ding verborgen.

Nu zoudt u kunnen denken dat het Sardes ontbrak aan goede werken. U denkt dan verkeerd. De Koning der kerk betuigt: Ik weet uw werken. Door die werken heeft Sardes naam gemaakt. In de wijde omgeving ging een goed gerucht van de gemeente uit. Sardes staat bekend als een levende gemeente. Diep schokt ons het getuigenis van Christus. Hij getuigt van Sardes: gij hebt weliswaar de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood. Slechts enkele leden zijn levend, maar de gemeente als geheel is dood. Sardes is dood, geestelijk dood.

Zie - dat is nu het naamchristendom, dat zijn nu naamchristenen. Ze hebben de naam dat ze levend zijn, maar ze zijn dood. Ze zijn nooit wedergeboren. Ze liggen midden in de geestelijke dood. Ieder houdt hen voor ware christenen, maar het wonder van de wedergeboorte kennen zij niet.

Daarom was het zo rustig en vredig in Sardes. Op naamchristenen komt satan en de wereld niet af. Dan laten die ongemoeid. Waar wedergeboorte is daar komt vanzelf de strijd. Satan vliegt op de levendgemaakte af met de enige bedoeling om weer dood te maken.

Zult u nu niet op de zeef van satan komen, dan moet u wel heel goed letten op wat Christus verder zegt. Hij geeft precies aan hoe het naamchristendom zich openbaart. Allereerst daarin: naamchristenen zijn niet wakende. Er is geen waakzaamheid. Ze hebben de ogen dicht. De rust beminnen zij. Voorts: zij versterken niet het overige dat dreigt te sterven. Zij zijn tevreden met hun eigen geloof. Zij kennen geen verantwoordelijkheid voor de anderen. Of daar een buurman of een medegemeentelid geestelijk dreigt onder te gaan, laat hun koud.

Ten derde: hun werken zijn niet vol. Daarmee wordt niet bedoeld dat hun werken nog onvolkomen zijn. Hun werken zijn lege vormen. Ze komen niet op uit waar geloof. Het eigenlijke, het leven ontbreekt eraan. Sardes is nooit bediend uit de volheid van de Geest, die Christus heeft. Sardes kan het zelf. Sardes kan zelf werken. Sardes heeft de vuile bron van wanbedrijven niet leren kennen, en toen gebeden om het herscheppende werk van de Heilige Geest. Sardes’ beste werken, werken die naar menselijke maatstaf gemeten prijzenswaardig zijn, zijn enkel zonde. Al wat uit het geloof niet is, is zonde.

Over Sardes wordt het strafgericht aange-kondigd. Ik zal over u komen als een dief, en gij zult niet weten op welk uur Ik over u zal komen. Dus onverhoeds, onverwachts zal Christus verschijnen als Rechter. En dan is het te laat. Dan is het heden der genade voorbij, dan is er geen gelegenheid meer om zich te bekeren, dan is het voor eeuwig verloren.

Achter die bedreiging is Christus’ liefde, Zijn bewogenheid. Christus konstateert niet slechts, zoals mensen dat kunnen doen: koud en onbewogen. Dat gebeurt soms. Mensen die zich inbeelden Christus gelijk te zijn. Mensen die menen het hart van een ander te kunnen doorgronden. Mensen die zeggen of denken: die en die zal wel een naamchristen zijn, die gaat naar de eeuwige verdoemenis. Christus alzo niet. Hij is de bewogen Christus. Hij komt met de bedreiging om te doen opschrikken uit de geestelijke rust. Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de dood, laat Christus over u lichten. Hoort toch - Christus wil niet uw Rechter zijn, maar uw Zaligmaker, uw Borg, uw Middelaar.

Hij kan vandaag komen, Hij kan vannacht komen, en wat dan? Wat dan, als Hij uw ziel van u afeist, als u sterft? Zo de boom valt, zo blijft hij liggen. Komt u nu voor het aangezicht van Hem Die de zeven Geesten heeft? En bidt u: Heere, indien er bij mij een schadelijke weg is, leid mij op de eeuwige weg? De verhoogde Christus doet meer dan het naamchristendom ontdekken en het strafgericht erover aankondigen. Hij spreekt er ook van hoe het overwonnen wordt. Hij spreekt ook van het genadeloon voor hen die zich bekeren.

Bekeert u, roept de Koning van de kerk, de dode naamchristenen te Sardes toe. Hij kan en mag dat eisen. U komt toch niet aan Zijn eis? U gaat toch niet allerlei uitvluchten bedenken? Al wat wij tegenover die eis hanteren, komt op uit ons Gode-vijandig vlees. Hij kan rechtens eisen op grond van Zijn toezegging. De eis wil werpen op die toezegging. Wat u ontbreekt, schenkt Hij, zo wij het smeken.

Wie overwint, die zal bekleed worden met witte klederen. Aan overwinning gaat strijd vooraf, en strijd veronderstelt vijanden. Niet de uiterlijke, maar de innerlijke bekering geeft vijanden, plaatst in het strijdperk. Dan hebben we de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw. Het is een geestelijke strijd en een dagelijkse strijd. Een strijd die alleen gestreden kan worden in de kracht van Hem Die de zeven Geesten heeft. Alleen in Hem, door Hem meer dan overwinnaar. Daarom het toegezegde witte kleed genadeloon.

Het witte kleed, dat is het kleed dat Christus verwierf door Zijn borgtochtelijke lijden en sterven. Door dat kleed heeft een zondaar, een onrechtvaardige, een goddeloze, gerechtigheid en heiligheid. Is een zwarte zondaar voor God wit, heilig, rein.

Er is een tweede belofte: Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens. En de derde belofte is: Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

Alzo drie beloften. Ze zijn het genadeloon dat gegeven wordt aan allen die zich bekeren, aan allen die in Christus’ kracht strijden en overwinnen. Waarlijk - voor Gods kinderen geldt het: het lijden van deze tegenwoordige tijd weegt niet op tegen het genadeloon dat gegeven zal worden.

De brief van Sardes waarschuwt ons indringend voor naamchristendom. We kunnen de naam bij mensen hebben dat we leven, maar in werkelijkheid dood zijn. Heel onze godsdienst kan slechts vormendienst zijn. Gewis dan zal er geen kleed zijn dat ons dekt in de dag van het gericht. De levendgemaakte kent de ware dienst. Dan is er waken, strijden en overwinnen. En dan zal het genadeloon worden uitgekeerd. Zoals Hij heeft gezegd zo zal het geschieden.