Digibron.nl

Uit het leven van Titus Klose 2.

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 11 januari 1990
Auteur: Wordt vervolgd.
Pagina: 5, 6

“Ach!”, riep zijn vrouw, terwijl zij in tranen uitbarstte, “hoe kun je je toch aan zulke verkeerdheden over geven?” Ons aller hart is immers ten enenmale alleenlijk boos van de jeugd aan, en uit dat hart komen, zoals de Heere immers Zelf gezegd heeft, allerlei boosheid en zonde voort, waarvoor wij wel terecht mogen sidderen. Ik wil graag geloven, dat je hart niet beter is dan dat van Klose, maar.... God heeft je de ogen geopend, zodat je het bederf inziet. En tevens heb je die dierbare Heere Jezus leren kennen als de énige weg der behoudenis voor een schuldig zondaar. Dat ziet Klose niet in en daarom ben jij geschikt om ons de weg des levens te verkondigen, maar hij niet. Kom, lieve Samuël, de gemeente wacht op je; vraag de Heere om Zijn ondersteunende genade. Hij heeft het beloofd aan hen die ongetroost zijn en door onweder voortgedreven worden, dat Hij hun stenen gans sierlijk zal leggen en hen op saffieren zal grondvesten. Als je op de kansel komt zal de Heere je wel weer moed en vreugde geven, zoals Hij wel meer gedaan heeft. En:


Hun geeft Hij moed en krachten,
Die hopend op Hem wachten.


“De weg des levens”, herhaalde de leraar, “ja, als ik geschikt was om die aan anderen te verkondigen, dan zou ik immers ook vruchten op mijn arbeid moeten zien, maar wie heeft ooit gehoord, dat er door middel van mijn prediking zondaren bekeerd zijn geworden?”

“Wat?” antwoordde zijn vrouw, “vergeet je zo spoedig de genade van de Heere? Zijn het niet Anna Johnson, Philip Cowroom, Philip Bades en nog anderen die allen getuigen, dat zij onder jouw prediking tot licht zijn gekomen! Van hen kunt gij zeggen dat zij het zegel van je apostelschap zijn.”

“Ach, dat is al lang geleden en toen was ik nog in mijn jeugdige kracht. Maar nu is de kandelaar van mij weggenomen. Ik ben een dorre boom, die geen lommer of vruchten meer heeft.”

“Nu”, sprak zijn vrouw, terwijl zij haar ogen opsloeg, want zij had in stilte de Heere gebeden, “nu, dan zal de Heere deze morgen nog eens weer een scheut uit je dorre wortel doen voortkomen. Want Hij is machtig om de onvruchtbaren te stellen tot een vader van menigten der volken. Ga heen, Samuël, ik bid het je, de Heere zal met je zijn.”

Met deze woorden gaf de vrouw hem zijn stok en kap, kuste hem hartelijk en met een stille verzuchting liet zij hem de deur uit.

Terwijl de goede predikant Annear onder zuchten en tranen, storm en regen de weg naar de kerk inslaat, verplaatsen wij ons naar de kamer van Titus Klose. Hij heeft het gordijn van zijn venster, dat op de landweg uitziet, hoog opgetrokken, daar de donkere lucht hem het daglicht ontzegde. Er waren wolken aan het onstuimige zwerk, maar niet minder sombere wolken dreven er op het aangezicht van deze woeste jager. Ontvreden fronste hij het voorhoofd. Ondertussen keek hij door het venster naar buiten en aanschouwde hij de strijd van de elementen.

“Is dat weer!” Zo bromde hij bij zichzelf. “Het is alsof het erop gezet is om mij het leven te verbitteren. Verleden donderdag werd ik op zee heen en weer geworpen, en nu we eens een vrolijke dag willen hebben, is het een weer, dat niemand er op uit durft. De jongens zullen niet komen. Daar is geen kijk op.”

Met deze woorden drong hij zijn gelaat tegen de glasruiten aan. Hij keek naar links en rechts de landweg op, om te zien of er ook een van zijn vrienden in aantocht was.

“Geen stoffelijk wezen”, sprak hij, “zelfs geen hond. Dat de duivel hen hale, dat ze voor zo’n beetje regen en wind bang zijn!”

Toen keek hij op zijn horloge en liep hij brommend en hoofdschuddend door zijn kamer en ondertussen wenste hij elk van zijn kameraden een dozijn vervloekingen toe. Eindelijk trok hij aan de schel en beval hij zijn knecht om zijn paard te zadelen.

“Meneer”, zei de knecht, “in zulk weer?”

“Mijn paard, zeg ik je!” antwoordde Kiose nors. “Ik wil naar Stamfoxe, al zou ik er ook heen moeten zwemmen. Heb ik geen plezier, dan zullen die vrome kwezelaars het ook niet hebben. Ik heb gezworen, dat die paap vandaag eens weten zal, dat het stormt en regent. Maak voort en gezwind!”

Toen het paard gereed was, sloeg Klose zijn regenmantel om en trok hij zijn beremuts over de oren. Hij sprong in het zadel en draafde heen.

Weldra bereikte hij Stamfoxe. Hij bezorgde zijn paard en begaf zich naar de kerk.

Tot zijn verwondering zag hij, dat de predikant nog niet op de stoel was, hoewel de wijzer van de klok aanwees dat het reeds een half uur over de tijd was.

Na korte tijd echter verscheen de leraar. Klose besloot hem eerst een gedeelte van zijn preek te laten uitspreken en dan de vergadering in opschudding te brengen. Hij kon dit nu te gemakkelijker doen, omdat niemand van de aanwezigen hem herkende, omdat hij zich geheel in zijn mantel gewikkeld had.

Toen Klose de predikant op de stoel zag komen, kreeg hij echter een indruk, zoals hij zich niet herinnerde ooit ondervonden te hebben. De gebogen houding van die knecht des Heeren, door een diep verborgen bekommering ter neer gedrukt, dat vrome gelaat, waarop de nederigheid en zachtmoedigheid met droefheid doormengd te lezen waren, dat sprekend oog, waaruit de innigste liefde en diepste behoefte aan hemelse vertroosting hem tegenblonken, dat alles had op de woeste jager reeds dadelijk een uitwerking, die niet ongelijk was aan de lentezon, die de ijsschotsen van de rivieren doet smelten. Er ontstond iets in zijn hart dat tot hem sprak: “Gij zoudt toch een waar hellewicht moeten zijn, ja alle gevoel uitgeblust moeten hebben als gij dit onschuldig lam enig leed zoudt kunnen doen!”

Intussen gaf de leraar het gezang op, dat een berijmde vertaling was van de 68e psalm, die in ons psalmboek aldus luidt:


De Heer’ zal opstaan tot de strijd;
Hij zal Zijn haters wijd en zijd,
Verjaagd, verstrooid doen zuchten.
Hoe trots Zijn vijand wezen moog’,
Hij zal voor Zijn ontzaglijk oog
Al sidderende vluchten.
Gij zult hen, daar G’in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
’t Goddeloze volk wordt haast tot as,
’t Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloênde kolen.


Een der hoorders, die naast Klose stond, bemerkte dat hij geen boek bij zich had. Hij hield hem het zijne voor en nodigde hem vriendelijk uit mee te zingen. Zijns ondanks sloeg hij zijn ogen in het boek. En ofschoon hij niet medezong, hij las toch de triumfzang, die de kinderen des lichts in dit lied reeds bij voorbaat aanheffen over de werkers der ongerechtigheid.

Nu herinnerde Klose zich uit zijn vroegste kinderjaren, dat hij zijn vrome moeder menigmaal hetzelfde lied had horen zingen. Er welden uit de diep verscholen bodem van het hart gedachten op, die zijn ouders toen in hem gezaaid hadden, maar die door de maalstroom van het zondige leven geheel vernietigd waren. Hij had zorgvuldig alles vermeden en tegengewerkt wat hem tot enig nadenken had kunnen brengen.

Maar als de tijd der minne daar is, staat de Heere niets in de weg. Dan roept Hij degenen die in de duisternis zitten te voorschijn!

Onder het zingen van dit lied greep de Onzichtbare hem in de ziel.

Diep bewogen stond hij daar en onwillekeurig neigde zijn hoofd tot het gebed, waartoe de predikant de vergadering uitnodigde. Ook nu wist Klose niet wat hij hoorde. Dat roepen van een diepbedrukte ziel om hulp en troost tot de God van haar heil! Het was niet met dode klanken en aangeleerde termen van een stelselmatige vertoning van nederigheid, maar op een toon, die voelbaar en duidelijk het kenmerk is van een hart, dat in waarheid arm en behoeftig is en smacht naar hulp en troost. Dat pleiten van een zondaar die in zichzelf hopeloos was, maar van de genade en liefde van zijn Ontfermer alles hoopte en smeekte! Dat tastte diep in het gemoed van deze wilde en verwoeste man.