Digibron.nl

Apeldoornse Dogmatiek (6)

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 6 mei 1993
Auteur: v.d.Meij.
Pagina: 7, 8

De openbaring (B)

Openbaring in de Schrift

Terecht benadrukt de A.D. dat menselijke ervaringen zondermeer geen vaste grond kunnen zijn voor het christelijk geloof. De Schrift is voor de kerk meer dan de optelsom van de ervaringen met God.

Echte theologie begint met luisteren naar wat God Zelf in Zijn beschreven Woord ons heeft te zeggen. Daarmee begon ook het geloofsleven van Abram, de vader van alle gelovigen.

God verscheen d.i. openbaarde Zich aan Abram.

In die openbaring gaat het ten diepste om God Zelf. Het gaat om de roem van Zijn heilige Naam. De openbaring is theo-centrisch: God staat in het middelpunt. Hij openbaart verborgenheden (Grieks: mustèria). Als Hij de verborgenheid van de godzaligheid openbaart (1 Timotheüs 3:16) betekent dat nog niet dat wij dat mysterie dan ook begrepen hebben. Het heilge-heim dat God geopenbaard heeft, blijft een mysterie, dus ondoorgrondelijk. In Zijn openbaring gaat het ten diepste om de openbaring van de Vader door de Zoon. Niemand kent de Vader dan de Zoon en die het de Zoon wil openbaren (Mattheiis 11:27).

Maar omgekeerd is ook waar. De Vader is het die de Zoon als de Christus, de Zoon van de levende God, openbaart in het hart van de gelovigen. We denken aan de belijdenis van Petrus in Caesarea Philippi (Mattheiis 16:16, 17).

De openbaring geschiedt niet alleen door het Woord maar ook door Gods daden. In het Hebreeuws betekent “dabar” zowel woord als daad. God geeft Zich te kennen (Woord) en tegelijk doet Hij Zich gelden (daad).

Zo doorloopt de openbaring ook een geschiedenis. God heeft niet alles ineens gezegd en gedaan. Wel is de openbaring in de persoon en het werk van Christus tot een hoogtepunt gekomen. In Hem is de openbaring Gods volkomen en definitief. God heeft Zich in Hem uitgesproken (39). Hij heeft Zijn laatste Woord echter nog niet gesproken. Er is bij de gelovigen een uitzien naar de openbaring van de Heere Jezus Christus (1 Korinthe 1:7). Tenslotte zal de kennis Gods volmaakt zijn, als zij Hem zien zullen van aangezicht tot aangezicht.

Openbaring in de kerkgeschiedenis

Het grote doel van de openbaring is dat wij God zouden kennen (Johannes 17:3). Die kennis Gods moet niet theoretisch opgevat worden. Dat is het grote bezwaar van de A.D. tegen de Roomse theologie van Thomas van Aquino en het eerste Vaticaanse Concilie van 1869. In de omschrijving van het geloof door Rome wordt de nadruk gelegd op het verstandelijk voor-waar-houden van wat God geopenbaard heeft. De Reformatie heeft een meer persoonlijke opvatting van openbaring en geloof. Luther zei: In Zijn openbaring spreekt God de mens aan, om hem te doen ontdekken hoe hij is tegenover God en Wie God is voor hem. Heel belangrijk voor de Reformatie was de gedachte dat God Zich in Christus heeft geopenbaard. Zonder Hem, zegt Luther, zien wij alleen maar een toornige en verschrikkelijke Rechter. Christus is de weerspiegeling van het hart van de Vader, anders gezegd: Zonder Christus geen zuivere kennis van God. Zonder Hem geen kennis van de Vader. Maar, aldus Luther, zonder openbaring door de Heilige Geest ook geen kennis van

Christus. Calvijn zegt: God is in Zichzelf onzienlijk, niet alleen voor onze ogen maar ook voor de menselijke geest. Hij wordt alleen in Christus ons bekend. Hij past Zich aan in Zijn openbaring aan ons geringe bevattingsvermogen. Hij praat als een voedster met een kind. In Zijn openbaring, Zijn Woord, vernedert Hij Zich. Hij daalt tot ons af. Daarbij benadrukt Calvijn ook heel sterk dat in het verstaan van die openbaring, vooral de Heilige Geest de hand heeft. Hij is “de inwendige Leermeester”. Door Zijn verlichting in het hart ontsluit Hij de toegang voor het Woord.

Openbaring en verlichting

De gereformeerde theologie, zegt professor Van Genderen op p. 52, schrijft het op bijbelse gronden aan de Heilige Geest toe, om de mens tot geloof en gehoorzaamheid te brengen. Mag je nu dit werk van de Heilige Geest ook “openbaring” noemen, een openbaring in ruimere zin? Dr. H. Bavinck meent van wel. Van Genderen gebruikt hier liever het woord “verlichting” (illuminatie). Dit in aansluiting bij het Nieuwe Testament. “God Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting (!) der kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus”, aldus de apostel Paulus in 2 Korinthe 4:6.

De persoonlijke openbaring wordt inderdaad als “verlichting” omschreven in het Nieuwe Testament. Maar Paulus zegt ook in Galaten 1:16 dat het God behaagd heeft Zijn Zoon in Hem te “openbaren”? Maar hoe het ook zij, als we er maar van doordrongen zijn dat hoe volkomen God Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, de persoonlijke kennis van God noodzakelijk is. Ons kerkelijk leven is niet gediend met een prediking die alleen maar rationele weergave is van een objectieve openbaring, maar met een die aandringt op persoonlijke doorleving van die openbaring door de Heilige Geest. Anders zouden we wel eens heel spoedig aan de misère van de moderne theologie kunnen vervallen. Hoe kon in zo’n korte tijd het getij in de Gereformeerde Kerk keren van orthodox naar vrijzinnig? Is het niet omdat de beleving van het Woord van de openbaring gemist werd? Dan zijn we een opengebroken stad, zonder muur. Maar anderzijds: voor velen is net als bij moderne theologen, als Kuitert, de openbaring niet meer dan ervaring. Echter alles wat wij ervaren, is nog geen openbaring. Alle bevinding is nog geen kennis Gods. Wij hebben de ervaring te toetsen aan de openbaring. Als dat vergeten wordt, glijdt rechts in het zelfde moeras weg als links. De openbaring Gods is meer dan mijn ervaring.