Digibron.nl

Opening middagsamenkomst

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 6 mei 1993
Auteur: M. v.d. Sluys.
Pagina: 5

Waarom?

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, omdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Joh. 3:16.

Deze tekstwoorden zijn de laatste waar ds. P. Beekhuis in zijn leven over gepreekt heeft. Daar hij bij de opening van de middagvergadering zou hebben gesproken hebben we deze laatste woorden ter overdenking gekozen. Enkele kemachtige gezegden van hem willen wij hieronder “aanhalen”.

Waarom heeft de Koning van de Kerk deze dienaar ons zo vroeg ontnomen? Zijn vriend en broeder te Broeksterwoude schreef: Nog maar 57 jaar. Zo jong al een kroon te ontvangen. Hij moet bij de hemel bemind zijn geweest, dat hij ons niet langer gegund werd.

Is het in Gods toom als Hij ons een getrouwe dienaar ontneemt? Is het ons tot droefheid dat wij geen recht meer op zijn prediking hadden? Doorzoekt onze ziel de reden waarom God de tegenheden ons in zulke mate zond? Is het vanwege de zonden van het kerkelijke leven? Is het omdat wij hoe langer hoe meer het pand kwijt raken? Laten we met de vele vragen bij het licht van de tekst tot inkeer mogen komen. Wat ons ook in dienaren van het Woord ontnomen wordt, de Heere heeft ons in Zijn liefde Zijn levende Woord nog gegeven.

Wie ontvangt die liefde Gods? Ten diepste zijn het de verkorenen ten leven die in de goddelijke liefde zullen delen. Voor de grondlegging der wereld zijn ze in de Vrederaad door de Vader aan de Zoon gegeven. Maar God heeft dat eeuwige besluit terstond na de val bekend gemaakt en beloofd dat Hij Zijn Zoon zou geven in deze wereld. En de eeuwen door heeft Hij dat Woord herhaald. In deze belofte heeft God Zijn Zoon gegeven. Aan wie?

Aan de wereld. Dat is de wereld die voor de val als een sieraad uit Gods hand was voortgekomen. Maar door de zonde is “de kosmos tot een chaos” geworden. Aan die vijandige, doodschuldige wereld beloofde God Zijn Zoon te zenden. Die liefde van God wordt niet opgewekt door medelijden tot de mens. De verkiezende liefde van de Vader vindt geen redenen in de mens. Er is enkel vijandschap bij de mens. Dan is het wonder alleen maar te groter dat God Zijn Zoon aan vijanden schenkt.

Wanneer wij vrienden liefhebben dan geven wij veel aan hen. Maar het wonder van de goddelijke liefde is dat Hij aan vijanden alles geeft wat zij missen. Verkiezende liefde is”gevende liefde van de Vader”.

Het is niet zo dat God Zijn liefde aan mensen gunt die dat zo graag willen ontvangen. “Het is tegenwoordig heel anders. De kerk zit vol goede mensen. Maar vrije genade kan men niet verdragen. Dan stapt men op naar een andere kerk. Kerken genoeg”.

Maar “de werkende liefde van de Heilige Geest” werkt niet de kerk uit. Integendeel. “Het Woord veroordeelt, maar toch voelt men zich aangetrokken tot dat Woord”. Dan wordt gebeden: Gun leven aan mijn ziel. Wanneer God Zijn liefde gunt, dan wil dat zeggen dat God Zijn liefde ook daadwerkelijk in het hart geeft van vijanden.

Bij het ontvangen van deze liefde heeft toen een dichter de volgende regels geschreven: Waarom hebt Gij mij verkoren? Waarom was ’t op mij gemunt. Daar er duizenden gaan verloren. Die Gij geen ontferming gunt; Schoon Gij ruim zo grote zonden. Hebt in mij als hun gevonden.

Waarom kan God die liefde aan vijanden schenken? Als wij iets aan een ander geven, dan willen wij toch er zelf ook nog van genieten. Maar God de Zoon geeft Zichzelf over in de dood voor vijanden. Alleen omdat in deze weg van recht en genade “de verdienende liefde van de Zoon” verheerlijkt zou worden.

Daarom “is in de hemel Zijn plaats leeg geworden en was er op aarde geen plaats”. Nu zal een zondaar niet in de liefde Gods kunnen delen zonder de kennis aan het recht Gods. De Heere wil ons er bij bepalen te moeten sterven en zo niet te kunnen sterven als wij geboren zijn. Opdat er een buigen en roepen zou komen of er nog een weg is om die welverdiende straf te ontgaan en weder tot genade te komen.

“Er is een juridisch element in de bekering tot God”. Er komt een besef dat wij voor God verloren liggen. En dat God geen onrecht zou doen als wij zouden verloren gaan. “Door recht verdoemd, door recht verzoend”.

Wanneer de Heere dan van uit die dood geestelijk levend maakt komt het tot een kennen van de zonde. “Tegenwoordig is men zo gauw zondaar. Dan dekt men alles toe en klaar ben je. Maar zo gaat het niet”. De grondtekst spreekt nier maar over een ieder die gelooft, maar over die geloven, dat is wanneer het geloof in de beoefening is en werkzaam is. Dat is dat men van zichzelf wordt afgebracht en de rijkdom gaat zien die buiten de mens ligt. En hoe zal ik daar deel aan krijgen?

Door diezelfde “werkende liefde van de Heilige Geest”. Hij geeft kennis aan de noodzakelijkheid van de Borg voor uw zonden. Hij doet belijden dat zo’n Middelaar gepast is voor de zonden. Hij schenkt het vertrouwen in het dierbare bloed van de Zaligmaker van zondaren. “Adam niet geleerd, Christus niet begeerd”. Voor schuldenaren is er een schuldovememende Borg. Wanneer op deze wijze het werk van de Drieënige God verheerlijkt wordt in het leven van een zondaar, dan doet de dichter dat eindigen in God.

Daarom moest Uw Geest mij trekken, Om de vrijheid en de kracht, Van Uw liefd’ aan mij te ontdekken, Daar ik jammerlijk versmacht, Ongezuiverd, onverbonden, Lag te sterven aan mijn wonden. Mij moest Uwe Geest bewerken, Om mij, die was blind en doof, Mijnen wanstaat te doen merken, En de heilmaar, door ’t geloof, En het aangeboôn erbarmen, In Uw Zoon te doen omarmen.

“Soli Deo Gloria”