Digibron.nl

Gedenken

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 4 mei 1995
Auteur: Ds. H.C. v.d. Ent.
Pagina: 8, 9

“Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was”

Geliefde vrienden,

Het gaat in het tekstwoord, dat we voorgelezen hebben als uitgangspunt van dit openingswoord, over “denken”.

De mens is een redelijk schepsel, met verstand en rede begaafd. Hij kan denken! Hij is daardoor onderscheiden van het dier. Want het dier mist het denkvermogen. Toen God de mens had geschapen was zijn denkvermogen zuiver. Alles wat liefelijk is, al wat goed is en wel luidt, dat bedacht hij.

Door de val is dat allemaal veranderd. Want het gedichtsel van des mensen hart is ten alle dage alleenlijk boos. De Kenner der harten zegt, dat uit des mensen hart voortkomen boze bedenkingen.., en dan volgt er een hele rij van allerhande schandelijke zaken. Wie zijn eigen hart heeft leren kennen, zal dit alleen maar kunnen onderschrijven.

De tekst is gesproken door een engel. Dat is een gezant van God. Een boodschapper van goede tijding uit de hemel. Het is dus wel de moeite waard om daarnaar te luisteren. Te meer, omdat hetgeen hij zegt, gaat over de Heere Jezus, en wat door Hem gezegd is, toen Hij nog in Galilea was.

Hij was daar. Hij is daar niet altijd geweest. Dat Hij er verkeerde, wijst op de staat Zijner vernedering. Hij heeft er als mens, slechts tijdelijk verkeerd. Hij verkeerde daar niet als een vakantieganger, zoals er zovelen tegenwoordig naar toe gaan. Hij verkeerde er als de Gezondene van de Vader. Hij verkeerde er als de Knecht des Heeren. Hij was daar om een bepaalde opdracht te vervullen. Die opdracht was al geprogrammeerd in de eeuwigheid. Daar was Hij zelf bij betrokken. Want Hij, die te Galilea als mens gesproken heeft, was meer dan een mens. Hij was tegelijkertijd ook God. Want als de Zoon van God, was Hij wezensgelijk aan God de Vader en God de Heilige Geest. Te samen vormden zij de Drieëenheid. In de Drieëenheid is men overeengekomen hoe een gevallen mens, met behoud van al Gods deugden zou kunnen zalig worden. Dat is een zeer belangrijke zaak. Want het raakt ten diepste de eer van God. Die was door de mens, als Beelddrager van God, geschonden. Men geloofde de waarheid niet meer. Men geloofde wel de leugenaar. Wat die zei, werd voor waarheid aangenomen. Met als gevolg dat men God, die de Waarheid is en de waarheid heeft gesproken, voor een Leugenaar ging houden.

’t Gevolg was, dat men het rechte spoor verliet, dat voerde naar het eeuwige leven. Men zette zijn voet op het spoor der ongerechtigheid. Men deed niet meer datgene wat recht was in de ogen des Heeren. ’t Gevolg was, daar God van Zijn recht geen afstand kan doen, en de waarheid niet verloochenen kan, dat de mens als Beelddrager van God, onder het oordeel des doods kwam te liggen. Want de ziel die zondigt, die moet sterven. Dat is duidelijke taal. Hoe zou nu een mens, met behoud van Gods deugden zalig kunnen worden?

Dan moest er een ander komen, die plaatsbekledend zou doen, wat de mens uit en van zichzelf nooit meer kan doen. Die Ander is niemand anders dan de Eniggeboren Zoon van God, Die in de Drieëenheid daartoe is verordineerd en Die zichzelf daartoe heeft gepresenteerd. Hij is in de tijd door de Heilige Geest verwekt in de schoot van Maria. Uit haar heeft Hij de menselijke natuur aangenomen, om als mens, plaatsbekledend, aan al de deugden Gods voldoening te schenken.

Toen Hij op aarde kwam, had Hij als mens de opdracht bij Zich, om aan al de eisen van God te voldoen. Hij moest de wet onderhouden en de schuld die de mens door de zonde gemaakt heeft, betalen. D.w.z. Hij moest lijden en sterven, de dood in al zijn omvang en verschrikkelijkheid ondergaan.

Daar heeft Hij te Galilea getuigenis van gegeven. “Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.” Matth. 16:21 e.m.a.pl.

Hij heeft meerdere malen gezegd wat Hem te wachten stond. Wat Hij te doen had, en waartoe zijn arbeid strekken zou. Namelijk tot de zaligheid, de volkomen verlossing, van verloren zondaren.

Hij heeft dat gezegd, niet tegen de elite, die het uit de schriften ook hadden kunnen weten. Doch tegen “u”, dat waren eenvoudige mensen. Die hadden het gehoord. Zij waren de verachten, de onedelen in de wereld. “Galileërs”! Doch zij waren door God uitverkoren om de heilgeheimen te horen, nl. hoe en op welk een wijze men zalig zou kunnen worden.

Doch men had er geen acht op geslagen. Zij waren met andere gedachten vervuld. Zij beseften niet, nog niet, dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld was. En nu was alles geschied, wat door Hem was gesproken. Het in de eeuwigheid uitgedachte heilswerk, was in de tijd uitgewerkt, door de Heere Jezus. Hij heeft geleden, is gekruisigd, gestorven en begraven en ten derden dage wederom opgestaan. Doch daar hadden de “hoorders” nog geen oog voor. Zij hadden wel liefde, doch misten in de praktijk de beoefening van het geloof. Daarom: “Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was”. Met hun verkeerde gedachten zaten zij op het verkeerde spoor. Zij worden nu nader onderwezen in die dingen die ter zaligheid nodig zijn. Opdat zij zouden komen, door de toepassende werking van de Heilige Geest, tot de volle kennis van de Heere Jezus Christus, die overgeleverd was om hunne zonden en opgewekt, opgestaan was, tot hunne rechtvaardigmaking.

Opwekken en opstaan zijn twee zijden van één zaak, gelijk één munt twee kanten heeft. Welke kant je ook bekijkt, het is altijd dezelfde munt. Het is altijd dezelfde Zaligmaker.

Wij leven nu na Pasen. En dan niet alleen na de jaarlijks terugkerende gedenkdag, doch na dat eenmalige feit. Want Hij is slechts een keer opgestaan, en is nu gezeten aan de rechterhand Gods.

Wat heeft dan de tekst, die we als uitgangspunt van onze overdenking hebben gekozen, ons nu nog te zeggen? Is het alleen maar een stukje bijbelse geschiedenis, waar je kennis van kunt nemen, als een historisch gebeuren, gelijk er in het leven zo veel gebeurtenissen zijn, die nu verleden tijd zijn? Als dat zo was, zou je na het aanhoren, het weer rustig kunnen vergeten, gelijk dat zo menigmaal gebeurt. Velen zijn er, helaas, die het zo zien. Wat Jezus gezegd en gedaan heeft, heeft dan voor hen niet de minste betekenis meer.

Na Pasen is onze tekst nog hoogst actueel. “Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was.” Hij heeft in het verleden gesproken, doch spreekt in het heden nog. Wij moeten ook nu gedenken wat Hij gezegd heeft. Het is de moeite waard om dat te doen. Want het betreft Zijn heilswerk, ten bate van helwaardige mensen.

Wij moeten ook heden gedenken wat Hij gedaan heeft. Want Zijn zeggen en doen liggen in één lijn.

En wat doen wij nu? Zijn wij heilig geïnteresseerd in Zijn zeggen en doen? Of nemen wij het alles gewoon voor kennisgeving aan?

We horen het wel en weten het wel, en we geloven het wel. Doch het doet ons niets.

Het wordt anders als ons door de zonde verduisterd verstand verlicht wordt. Dan ontdekken we dat we de leugenaar hebben geloofd en de waarheid voor leugen hebben gehouden. Dan komen we er achter dat we tegen een goeddoend God hebben gezondigd. Dat we er helemaal naast zitten. Dat we het heilspoor bijster zijn, en op het spoor naar de hel ons bevinden. Hoe zullen we ooit zalig kunnen worden? En dan op een zodanige manier dat God er niet aan te kort komt, dat Zijn deugden geen schade behoeven te lijden. Want, die door God zaligmakend bearbeid worden, die willen voor alle dingen eerlijk zalig worden.

Als dan dit woord, door de kracht des Heiligen Geestes, op ons afkomt: “Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was”, dan gaan de gedachten zich vermenigvuldigen. Dan worden de gedachten “goede gedachten”. Dan gaan we in alles wat de Heere gezegd heeft, de liefde des Heeren ontdekken, die van a tot z eenzijdig is. Dat Hij nu in de eeuwigheid al de heilsweg heeft uitgedacht en dat Hij die in de tijd heeft uitgewerkt. Hij voor mij! Daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven, opdat ik nu het eeuwige leven zou kunnen beërven.

Zalig wonder, als deze dingen hoofd en hart vervullen. Dan zijn Zijn woorden en daden zo groot, dat men het van blijdschap haast niet geloven kan, dat dit nu al voor mij geschied is.

Doch als de Heere er in mee komt, wat iedere keer weer nodig is, dan moet men het geloven, met een geloof dat de Heere Zelf werkt. Dan wordt het: “Ik wil en zij zullen”.

Ik weet wel, daar kunnen vele bestrij - dingen op af komen. Want juist in het stuk van geloven, blijft de mens afhankelijk van de Heere. Zonder Hem vermogen wij niets. Doch als het geloof gelooft, dan is het vast en zeker waar. Dan is het een geloof, dat op dat moment bergen verzetten kan. Dan worden alle bergen tot een vlak veld gemaakt. Dan kan men met de dichter zeggen: “Ik roem in God, ik prijs het onfeilbare woord, ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord, ’k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord. Wat sterveling zou mij schenden”. Hij heeft het gezegd, wat Hem te wachten stond. Hij heeft het ook gedaan. Hij heeft alles gedaan, wat tot mijn zaligheid van node is. En nu behoef ik niets meer te doen. Het ligt vast in Hem. Hij is een “volkomen Zaligmaker”. In Hem heb ik nu alles, wat tot mijn zaligheid van node is.

Dan wordt het een zalig gedenken, overdenken, wat Hij gezegd en gedaan heeft, toen Hij nog in Galilea was, en wat Hij nu nog zegt door middel van Zijn Woord, en doet door de toepassende werking van de Heilige Geest. Dan krijgt een Drieënige God de eer en de zondaar de zaligheid. Men gaat dan als van zelf zingen:


Psalm 77:7,8
Psalm 56:4,5,6