Digibron.nl

Siegerswoude-De Wilp

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 18 mei 1995
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 5, 6

De tekst voor de bevestigingspreek was 2 Tim. 2:15 “Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.”

Nadat is gememoreerd dat dit een dag van blijdschap en dankbaarheid is zowel voor de gemeente Siegerswou-de als voor fam. Den Boer, wees Ds. Boiten op het kerkvergaderend werk van Christus. In dat kader krijgt Ds. den Boer vanuit de tekst een vermaning tot getrouw ambtswerk: 1. de houding bij dat werk; 2. de ijver tot dat werk; 3. de opdracht voor dat werk.

Bij de vele aanwijzingen die de apostel Paulus in deze brief geeft over het ambtswerk heeft hij ook aandacht voor Timotheüs zelf. Hij moet zich bewust zijn allereerst een dienaar van Gód te zijn en niet van mensen. De houding van de getrouwe dienaar is dat hij zich Gode beproefd voorstelt, en niet mensen behaagt. Paulus waarschuwt voor leraars die zich in woordenstrijd verhezen. In Joodse theologie kan heel wat gediscussieerd worden over kwesties over de onderhouding van de wet. Dan moet de leraar zich waar maken en uitmunten in het redeneren. Het gaat dan om de eer van de mens. Dat mag voor Timotheüs niet de houding zijn waarin hij te werk gaat. Hij staat in dienst van de Heere. Gezonden door de Heere, is hij verantwoording schuldig aan God. In het dienstwerk moet Gods werk in Christus centraal staan: “houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.” Dat vraagt een afhankelijke houding, met ootmoed en vertrouwen. Het kost een ambtsdrager strijd om bij de centrale heilswaarheid van de opgestane Christus te blijven en daarvan niet af te wijken. Gode beproefd: de toets van God en Zijn oordeel kunnen doorstaan.

Ds. den Boer heeft een tijd van beproeving doorgemaakt. Hoe verschillend de gedachten van de mensen ook waren: de intentie om de Heere in het ambt te mogen dienen bleef. Dat in de J uitoefening van het ambt die houding mag blijken: het gaat om de Heere en Zijn eer. En wat wil de gemeente voor een predikant? Eén die voldoet aan uw wensen, uw keuring kan doorstaan, of: Góde beproefd? Gods dienaar en Zijn volk weten van het beproefd worden. God keurt Zijn eigen werk! Mag het in oprechtheid voor Gods Aangezicht zijn: “beproef, vrij van omhoog, mijn hart dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag”? Een eerlijke, open houding voor God. Niet wat een mens zegt of mijn hart gevoelt, maar hoe God ons geloof beoordeelt is doorslaggevend!

De ambtsdrager die zo verantwoord voor God zijn werk mag doen, zal een arbeider zijn die niet beschaamd wordt. Ambtsdragers zijn werkers in de wijngaard. Van hen wordt een volledige inzet voor hun werk gevraagd. Zonder ijver kan het ambtswerk niet getrouw verricht worden. Gods dienaren mogen geen part-timers zijn: voor een deel geef ik me aan de gemeente, maar ik heb recht op een vrije dag, zodat het gebeurt dat een predikant geen tijd heeft om een begrafenis van een lid te verzorgen! Zullen zulke arbeiders niet beschaamd worden als de Heere hun werk gaat keuren? Zal er genoeg ijver en inzet zijn voor de dienst des Heeren? Ds. den Boer moge zó werken, dat hij met een gerust hart het onderzoek van Zijn Opdrachtgever tegemoet kan zien. Wiens ijver en inzet is volkomen? Het is altijd tekort. Dit moet ons brengen tot Christus: Hij heeft Zich ten volle ingezet. Stel u voor dat Hij recht op een vrije dag had geclaimd! Hij gaf Zich geheel in Zijn ontfermende zondaarsliefde. Zijn liefde en ijver brandde om aan Gods recht te voldoen. Dankzij die “harde Werker” voor God en Zijn kerk is er verzoening en redding. Toen God als Rechter Zijn werk op Golgotha kwam keuren, is Hij niet beschaamd geworden, maar kon Christus roepen: “Volbracht!” Als die volmaakte ijver van Christus ons een wonder is geworden, willen we met ijver de Heere dienen. Al is er dan strijd en teleurstelling, al is de dienaar niet volmaakt, al kleeft de zonde aan al het werk, dan toch, door genade: een arbeider die, Gode beproefd in Christus, niet beschaamd wordt. Benaarstig u daarvoor, letterlijk: spoed u! Voor zo’n ambtsdrager zijn het altijd spoedgevallen, want het zijn zielen voor de eeuwigheid en het gaat om de eer van God!

Daarom is de opdracht: het Woord der waarheid recht snijden. Voor de uitleg van deze beeldspraak worden tal van beroepen genoemd. We mogen in elk geval denken aan de bekende belofte uit Spreuken: de Heere zal al uw paden recht maken. Uit het Woord moeten de hoorders de rechte weg, de juiste richting worden gewezen. De dienaar zal wegwijzer maar ook gids op die weg moeten zijn. De Heere maakt zalig in de rechte weg. We mogen niet om de zonde en schuld heen. Alleen in Christus is genoegzame gerechtigheid. Zalig worden is een wonder van God alleen. Het Woord recht snijden - dan moet de eis der bekering worden gesteld zonder aanzien des persoons. Maar ook mogen de gaven en weldaden van Christus uitgestald, zodat Hij begeerlijk wordt. Het recht snijden van het Woord is een opdracht voor de priester. Het wijst op het goed verdelen van het offer op het altaar. Sommige delen die niet geofferd mogen worden, moeten apart gelegd worden. Zo moet het een priesterlijke prediking zijn waarin alles wordt afgesneden wat in strijd is met het offer van Christus. Alleen Zijn bloed brengt ware verzoening! Met priesterlijke bewogenheid de Gekruisigde voor te stellen in Zijn noodzakelijkheid en dierbaarheid. Een afsnijdende prediking om van eigen doodlopende wegen afgebracht te worden en op het enige fundament van Christus’ werk te bouwen. Dat is zeer troostvol voor een zondaar die zelf niets heeft.

Een arbeider die zo het Woord recht snijdt zal niet beschaamd worden. Want God wordt alles in allen. Amen.

Tekst intredepreek te Siegerswoude-de Wilp op 6 mei 1995

“Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.”

II Timotheüs 2 vs 19

Samenvatting:

Het is een wonder van Gods goedheid en van Zijn aanbiddelijke voorzienigheid dat we na jaren van beproeving weer een eigen gemeente mogen gaan dienen. Geen gemeente die wij hebben uitgekozen, maar die de Heere ons heeft geschonken. Laten we zien dat we van Godswege aan elkaar geschonken zijn. De Heere heeft ons de “lastbrief’ gegeven, het goede pand ons toebetrouwd; opdat God aan Zijn eer zal komen en u aan de zaligheid.

Daarbij zal ik met twee woorden moeten spreken: zonde en genade, dood en leven; wee mij als ik iets zou achterhouden van “al de raad Gods”. Timotheüs moet weten dat dit niet vanzelfsprekend het geval is; dat Gods Woord lang niet altijd recht gesneden wordt; dat zijn kwaadaardige kankergezwellen in de kerk (vs 17). Maar, onze tekst wil vóór alles bemoedigen in de ambtsdienst die zo gewichtig, zo bedreigd, en van zo grote verantwoordelijkheid en zo vol teleurstellingen is. Ons thema is: Gods vaste fundament. We zien achtereenvolgens:

1. Dat fundament stáát;

2. Dat fundament is dubbel verzegeld, nl.

a) De Heere kent de zijnen;

b) De zijnen kennen Hem.

“Evenwel, het vaste fundament Gods stáát”.

Paulus weet van het vele dat tegen de prediking van het zuivere Evangelie wordt ingebracht. Er wordt onkruid gezaaid tussen de tarwe. Er is vandaag zovéél te horen op godsdienstig gebied. Velen brengen een aantrekkelijker boodschap, aangepast aan het moderne levensgevoel; waarbij je jezelf kunt blijven. Er zijn vele halve waarheden. Voorbijgegaan wordt aan het feit dat de gemeenschap met Christus in dit leven voornamelijk kruisdragen inhoudt, smaad dragen, lijden. Men stoot zich hieraan. Wat moet de jonge Timotheüs beginnen met de boodschap van kruis en opstanding; dat hij mèt Christus alle dagen moet sterven, wil er éénmaal zijn een met Hem eeuwig, zalig leven en als koningen heersen.

Toch mag deze moeite niet doen schipperen; want er is vastheid. Gods fundament, Zijn eeuwige, onveranderlijke voornemen om Zijn uitverkorenen tot de zaligheid te brengen, dat stóat. God volvoert Zijn raad. Hij doet Zijn Woord gestand. Timotheüs moet, evenals Paulus, alles willen verdragen om de uitverkorenen, tot hun zaligheid (vs 10). Dat geldt ook de prediker van nu. Paulus schrijft dit vanuit de banden (de gevangenis te Rome). Hij weet: Gods werk gaat door en komt klaar. Hij laat niet varen het werk Zijner handen.

Gods fundament is dubbel verzegeld; het éne zegel luidt: “De Heere kent degenen die de Zijnen zijn”. De Goede Herder kent al zijn schapen, zelfs bij name (Joh. 10). En Hij wordt van de Zijnen gekend! Het is een wederzijds -elkander - kennen. De Heere kent ze met een volkomen liefde, waardoor

Hij zijn léven voor ze gesteld heeft. Hij zoekt verloren, verdwaalde schapen op om te thuis te brengen.

Ons kennen is zo ten dele; wij zien schapen voor bokken en bokken voor schapen aan. Wij vergissen ons in rijke jongelingen, in eigenwillige godsdienst, in het oordelen over openbare zondaars. Sommigen hebben de náám dat ze leven, maar zijn dood. Zoals er o.a. bij de opstand van Korach, Dathan en Abiram een scheiding bleek te lopen onder Israel, zo ligt die er ook nu in de kerk. Er is lippentaal en hartedienst. Maar met Gods volk komt het goed; denk maar aan Zondag 21 van de Catechismus! De Kerk is een uitverkoren volk van eeuwigheid en bestaat uit levende lidmaten die dat eeuwig zullen blijven. De prediking dringt aan tot geloof in het Woord van God en het zich daarbij laten leiden door de Heilige Geest om in de middellijke weg het leven dat in Christus is deelachtig te worden. Vóórop staat: de Heere kent de Zijnen! We moeten ons niet (laten) bedriegen, alsof de mens uit eigener beweging en vrije wil beslist. Alzo liefhad God de wereld... Weten we ons een “gekende des Heeren”? Dat Hij de Eerste is; dat Zijn liefde je te sterk is geworden, zodat je als arme zondaar bij Hem terecht bent gekomen? Dan worden bittere tranen geschreid, die tóch ook zo zoet zijn. Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. De keerzijde van het dubbele zegel op Gods fundament is: de Zijnen kennen de Heere; “een iegelijk die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid”. Ieder bedenke wat het is om Christus’ Naam op de lippen te nemen; dat is: Hem als Koning en Zaligmaker belijden! In de eredienst gebeurt dit veelvuldig, ieder die dit doet, sta af, “valle af’ van ongerechtigheid. Dat is een bevel” bréék ermee; strijd ertegen; haat en vlied de zonde.

De Naam Christus noemen noopt tot waarachtige bekering. Hoe dure prijs kostte Hem ónze ongerechtigheden (Jes. 53).; dan kan de zonde niet langer heersen in ons leven, zo wij Zijn gezegende Naam noemen. De ergste zonden worden door kerkmensen bedreven. Als we onherkenbaar zouden zijn in de samenleving. Alles wat ons schaden of hinderen kan in een toegewijde dienst aan Christus, moet weggedaan worden. Want de duivel probeert alle onderscheid tussen Christusbelijders en wereldse mensen uit te wissen; Wacht u voor en breek met alle wereldgelijkvormighid. Niets is dan neutraal; ook de “vormen” doen er wel degelijk toe. Het zit hem niet in uiterlijkheden, maar wat er in de mens zit, komt er wel in uit! Het noemen van Christus’ Naam vraagt om een eigen “vorm”, om hervorming, heiliging; dat u en jij een leesbare brief van Christus bent. De Heere kent de Zijnen; dat geeft vastheid aan het ware geloof; maar mag nooit leiden tot oppervlakkigheid of lijdelijkheid. Die zijn zelfbedrog, tot eeuwige schade! De keerzijde van Gods kennen van de Zijnen is dat zij Hèm kennen en zich bekeren. Want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien, al heeft hij met de mond in Hem geroemd en in Zijn Naam grote dingen gedaan!