Digibron.nl

De Borg verbrijzeld

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 15 maart 2007
Auteur: Ds. A. van Heteren
Pagina: 1

Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen

We worden in de lijdenstijd bepaald bij het lijden en sterven van Christus. Van eeuwigheid heeft Hij de bereidheid uitgesproken deze zware en smartelijke weg te gaan. In de tijd is de Zaligmaker er niet voor teruggedeinsd daadwerkelijk het lijden te dragen. In volkomen overgave aan de wil van Zijn Vader heeft Hij geleden. De profeet Jesaja heeft van dit lijden geprofeteerd. De Zaligmaker wist wat het lijden zou zijn. Hij kende als geen ander de profetieën van het Oude Testament. Hij zou verbrijzeld worden. Het woord dat voor verbrijzelen wordt gebruikt betekent eigenlijk ‘in een mortier fijnstampen, verpulveren, tot gruis maken’. We kunnen ook denken aan het vermalen van korenkorrels tussen twee molenstenen. Of het vertreden van druiven in de wijnpersbak. De Zone Gods moest verbrijzeld worden vanwege de zonden der Kerk die op Hem lagen en in Hem moesten gestraft worden. Hebt u daar iets van mogen zien? Hebt u er iets van mogen beleven dat het uw zonden en ongerechtigheden zijn waardoor de Zone Gods verbrijzeld moest worden? Onze tekst zegt: “Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen”.

Dit is van eeuwigheid besloten en in de eeuwigheid uitgedacht. Niemand kon de Heere daartoe dwingen. Er was niets buiten God dat Hem daartoe kon bewegen.

Uit de bewoordingen van de tekst blijkt dat God van eeuwigheid gewillig is tot het werk van de verlossing. Hij bemint de zaligheid van zondaren. We moeten het echter niet zo verstaan dat de Heere behagen heeft in het lijden van de volmaakte Onschuldige zondermeer. Op zichzelf genomen kan dat de Heere nooit behagen wanneer een Onschuldige wordt gerekend en gestraft als een schuldige. We mogen het zo zien dat de Heere er behagen in heeft ziende op het vruchtgevolg van deze verbrijzeling, namelijk de verlossing van verloren mensenkinderen. Het behaagde de HEERE Zijn Zoon op aarde te zenden ten einde in een weg van verbrijzeld worden verlossing te verwerven.

Een andere weg kon Hem niet behagen. Want het kan de HEERE nooit behagen dat er verlossing zou zijn met schending van Zijn heilig recht. Een verlossing is uitgedacht van eeuwigheid, waarbij geen van Gods deugden wordt gekrenkt, maar waarbij juist de deugden Gods worden verheerlijkt. Want de Zoon van God zal voldoen aan het recht Gods. Niet met schending van het recht, maar met opluistering ervan zullen Gods kinderen zalig worden. Zij willen zelf ook niet anders. Zij zouden niet willen dat op enigerlei wijze tekort zou worden gedaan aan de deugden Gods.

We hebben te bedenken dat de Heere boven de zonden staat. Hij regeert ook over vijanden. Hij is immers de Almachtige. Hij bepaalt hoever de vijanden in de lijdensgeschiedenis kunnen gaan. Hij doet alles zelfs medewerken ten goede. Hoewel de tegenstanders er geen erg in hebben, moeten zij er huns ondanks toch aan meewerken dat de satan verslagen wordt en dat de zaligheid verworven wordt. De mens heeft zijn boze gedachten en voornemens, maar de Heere volvoert Zijn raad. Alles geschiedt zo dat de Heere geen deel heeft aan de overtredingen van mensenkinderen. Ook van de lijdensgeschiedenis geldt: Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht.

“Doch het behaagde de HEERE.” Een opmerkelijke formulering. Want er staat niet dat het de jóden behaagde. Ook staat er niet dat het Herodus en Pilatus behaagde. Zij waren allen dienstbaar aan de vervulling van de raad. Gods. In die raad is de mate, de duur en de zwaarte van het lijden van Zijn Zoon bepaald.

Het behaagde de HEERE dat Zijn eniggeboren Zoon zou voldoen aan de gerechtigheid Gods. De mens heeft in Adam tegen de gunst Gods en voor Zijn toorn gekozen. De mens heeft er ten diepste voor gekozen verbrijzeld te worden onder de rechtvaardige gramschap Gods. Wie dat niet ziet en beleeft kent ook geen verwondering over de verbrijzeling van de Zone Gods. Wie onbekeerd blijft voortleven, zal eenmaal eeuwig de toorn Gods moeten dragen. Hij zal tot in eeuwigheid verbrijzeld worden. De lijdensgeschiedenis waarschuwt hiervoor. In de verbrijzeling van de Zaligmaker is te zien wat het betekent getroffen te worden door de toorn Gods. Zo roept de lijdensgeschiedenis op tot waarachtige bekering. Zij roept op tot het dienen van de Heere, tot het zoeken van het ene nodige. De Heere betuigt ook in de lijdenstijd dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze en zondaar, maar daarin heeft Hij lust dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. De Heere geve u te zien dat u het verdiend hebt verbrijzeld te worden. Verwondering dat de Zoon deze weg wilde gaan en dat voor een volk dat van nature niets voor de Heere over heeft maar Hem alles wil onthouden. Voor een vijandig en afkerig volk dat door de Heere zo wordt bearbeid dat die vijandschap en afkerigheid tot zonde en schuld wordt. Het wordt de belijdenis van zichzelf geen behagen te hebben in het dienen van God, in het gehoorzamen van Hem en in het vrezen van Hem.

Hoe is het mogelijk dat het Gode behaagd heeft naar zo’n vijand om te zien. Zo’n totaal verdorvene op te rapen. Welk een onbegrijpelijk wonder, in het zondige eertijds niet verbrijzeld te zijn onder de toorn Gods. Een wonder van genade, oog te mogen krijgen voor de Zaligmaker, Die verbrijzeld is geworden opdat Gods kinderen de gunst, de genade en de liefde Gods zouden ondervinden. Het gaat Gods kinderen almeer behagen ter ere Gods te leven. Er blijft alleen maar verwondering over: Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Hij verbrijzeld geworden opdat ik nimmermeer verbrijzeld zou worden, maar eeuwig zou mogen delen in de gunst des Heeren.

Daarvan zal de drieënige God Zelf eeuwig de eer ontvangen.