Digibron.nl

Johannes Beukelman

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 15 april 2010
Auteur: A. van Heteren
Pagina: 6, 7

Johannes Beukelman werd 11 maart 1704 in Hoorn geboren. Hij studeerde in Utrecht en Leiden. Hij werd als predikant bevestigd te Driehuizen toen hij nog maar net 22 jaar was. Vervolgens heeft hij in Alblasserdam gestaan: een jaar en dertien dagen. In 1729 werd hij beroepen in Zierikzee. Daar heeft hij ruim zeven jaren gearbeid. In 1737 werd hij predikant in zijn geboorteplaats Hoorn. Daar is hij bijna twaalf jaar predikant geweest. Zijn volgende standplaats was Rotterdam. In 1749 deed hij daar intrede. Hij bleef daar slechts een jaar en zes maanden. 's Gravenhage werd zijn laatste standplaats. Hij stierf daar op 17 augustus 1757. Hij was toen nog maar 53 jaar. In de laatste ogenblikken van zijn leven hijgde zijn aan de wereld gestorven ziel met alle krachten naar het ontslag uit het aardse lichaam om in de dood het echte leven en de grootste winst te ontmoeten. Zo mocht hij de eeuwige heerlijkheid ingaan. Na zijn dood is in 1774 zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus uitgekomen. In 1775 verschenen van hem "Uitgelezen Keurstoffen Oude Testament", in i777"Vervolgstoffen", en in 1775 "Lijdens- en Feeststoffen." In de uitgave die ik in mijn bezit heb zijn twee delen gewijd aan het lijden van Christus en het derde deel behandelt feeststoffen.

Pasen
Zo kort na de herdenking van de opscanding van Christus is het een goede zaak iets door te geven uit een preek over de verscbijning van de opgestane Levensvorst aan Maria Magdalena. De preek gaat over Johannes 20:11-18. In de voorafspraak handelt Beukelman over het afwentelen van de steen van het graf, het geld dat de overpriesters aan de soldaten gaven en 1 Cor. 15. De preek bevat twee punten: 1.Maria's gedrag, ontmoeting en gesprek met de twee engelen. 2Jezus' verschijning en openbaring aan Maria Magdalena.

We lezen van Maria Magdalena dat zij weende en in het graf bukte. Die tranen spreken van liefde. Zij dacht nog niet aan de voorzegging van de opstanding. Beukel man maakt dan deze toepassing: "Zo is Gods volk dikwijls bedroefd uit onkunde en ongeloof, vvanneer zij behoorden verblijd te wezen in de wegen, die Gods wijze voorzienigheid met hen houdt." Toen Maria in het graf bukte zag zij twee engelen in witte klede ren zitten. Wit is het teken van de overwinning: Christus heeft getriomfeerd over hel en dood. De twee engelen geven volgens Beu kelman aan dat Christus het ware verzoendeksel is, waarboven ook twee cherubijnen gezien werden. De twee engelen zeiden tot Maria Magdalena: 'Vrouw, wat weent gij?' Hier klinkt een vriendelijke berisping in door. "Hoe zijt gij nu zo klemmoedig, daar gij van vreugde behoordet op te springen en door uw droefheid op al de tekenen en bewijzen van Jezus' opstanding geen acht geeft." Ma ria antwoordde: "Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben en ik weet niet waar zij Hem gelegd heb ben." Zouden de vijandige Joden Hem weggenomen hebben?

Toen Maria zich achterwaarts keerde zag zij Jezus staan en zij wist niet dat het Jezus was. Beu kelman schrijft: "Jezus had haar scherp kunnen bestraffen over haar ongeloof en over haar kleinmoedigheid, maar neen, Hij heeft medelijden met haar zwakheid." Maria dacht dat het de hovenier was die haar aansprak. Als Jezus haar naam noemt, herkent zij Hem. Maria noemt Hem Rabbouni, dat is Meester. Over deze aanspraak schrijft Beukelman: "Zij toont hierdoor haar verwondering, alsof zij zeide: mijn lieve Meester! Zijt Gij daar Zelf, is het mogelijk, zie ik U van dood weder levend geworden, en mag ik het geluk hebben om U het eerst te zien? Zij toont hier haar schaamte over haar ongeloof en haar onwetendheid in de Schriften, die de opstanding van de Heiland zo duidelijk voorzegd hadden. Zij toont hier haar geloof en dat zij Hem thans hield voor de Messias, voor haar Heere en Meester, met Wien zij te voren zo gemeenzaam had omgegaan. Zij toont hier haar begeerte en haar verlangen naar Jezus en haar onderwerping aan Hem. Ziet hier dan, welk een levendmakende kracht met het ene woord van Jezus vergezeld ging. Alzo verandert God dikwijls de droefheid van de Zijnen op het aller onverwachtst in ware blijdschap."

Jezus verbiedt Maria Hem aan te raken. Daarbij tekent Beukel man aan: "Ook behaagt ons het gevoelen van onze geleerde kanttekenaars zeer wel, dat Jezus Maria verbood om Hem aan te raken, opdat zij zich niet zou ophouden, maar zich haasten om de liefelijke tijding Zijner opstanding aan Zijn discipelen te verkondigen." De Heere Jezus wilde haar door het voorstellen van Zijn aanstaande hemelvaart van alle aardse dingen aftrekken en tot hemelse dingen opleiden. Op de woorden van de Zaligmaker is Maria naar de disci pelen gegaan en heeft hen gezegd dat zij Hem gezien had en tot haar gesproken had.

In de toepassing maakt Beukelman onderscheid tussen onbekeerden, zoekende zielen en ware gelovigen. Van de onbekeerden zeet hij dat ze Jezus nog missen, Hij heeft Zich nog niet aan hen geopenbaard, onbekeerden hebben nog nooit iets leren kennen van de noodzakelijkheid, de gepastheid, de dierbaarheid en de gewilligheid van Christus. We citeren de volgende regels: "Maar wie weent met Maria over het missen van de Zaligmaker, wie is er met haar op gezet om Hem te zoeken? Mist gij iets van de goederen van deze vvereld, o mensen, terstond is immers uw hart ontsteld! Ontvalt u enig begeerlijk goed, er zijn geen tranen gebrek. Wordt u vrouw of kinderen, of anderen, die u lief en dierbaar zijn, door de dood ontrukt, uw ogen zijn springaders van tranen. Maar wanneer weent gij over het gemis van Jezus? Dit komt u nooit onder het oog. Velen kunnen het buiten Jezus wel stellen. Ofschoon Jezus hen met uitgestrekte armen de onnaspeurlijke rijkdom van Zijn genade aanbiedt, zij worden daarover niet eens aangedaan en vertreden ze met voeten." Onbekeerden zijn er ongevoelig onder dat het Woord van God voor hen een gesloten boek is. Er zijn er die menen rijk en verrijkt te zijn en aan geen ding gebrek te hebben, terwijl zij niet weten dat zij ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt zijn. Onbe keerden die blijven voortgaan op de brede weg zullen Christus op de jongste dag als Rechter ontmoeten.

Zoekende zielen worden bemoedigd. Zij worden aangespoord Jezus te zoeken, want Hij zal Zich laten vinden. Zoekende zielen moeten de moed niet verliezen. We lezen de volgende regels: "Laat dit tot uw bemoediging dienen, zoekende zielen! Houdt maar ernstig aan met Jezus te zoeken, Hij zal Zich ook laten vinden, evenals van Maria. Hij roept u in liefde toe: 'al die wil, kome en neme het water des levens om niet.' Houdt Jezus Zich somtijds ook weleens enige tijd verborgen, laat dat u des te aanhoudender maken in Hem te zoeken, geeft de moed niet verloren. Hij zal Zich niet altoos verbergen, de heilzon zal eindelijk tot uw troost opdagen."

Tenslotte worden de waregelovigen aangesproken. Als zij de vriendelijke tegenwoordigheid van Jezus missen moeten, dienen zij na te gaan waar de oorzaak ligt. We lezen het volgende aan het eind van de preek: "En ontdekt gij dat het uw zonden zijn, zegt dan ook met die Godsman: 'daarom verfoei ik mij en heb betrouw in stof en as.' Bewijst Jezus met Maria al uw liefde en hoogachting, opdat gij met David moogt zeggen: 'Ik zal u hartelijk liefhebben, HEERE, mijn sterkte.' Psalm 18:2. Staat daarnaar dat Christus als de geestelijke Hovenier de hof van uw ziel met geestelijke vruchtbomen beplanten, het onkruid uitroeien en alle takken afhouwen, die geen vrucht voortbrengen. Wordt gij, gelijk Maria, van God geroepen, geeft dan ook gehoor aan die roepstem, volgt Jezus wil volvaardig op, erkent Hem als uw Leermeester en maakt zo van Hem gelovig gebruik. En weet dit dan eindelijk, dat de God en Vader van onze Heere Jezus Christus ook uw God en Vader is; dat de Bewaarder Israels slapen noch sluimeren zal. En moet gij hier dikwijls over het gemis van Jezus' genaderijke invloeden tranen storten, God zal eens in eeuwigheid alle tranen van uw ogen afwissen."