Digibron.nl

Christelijke politiek na 1945

Bron: Driestar bundels
Datum: maandag 14 november 1994
Auteur: drs. J. Verboom
Pagina: 169, 170, 171, 172, 173, 174, 175, 176, 177, 178, 179, 180, 181, 182, 183, 184, 185

INLEIDING

Dinsdag 30 augustus 1994 was een historische dag. Minister-president Kok legde de regeringsverklaring af en voor het eerst in meer dan 75 jaar zaten er geen bewindslieden uit een christelijke partij achter de regeringstafel. De een zal een zucht van opluchting geslaakt hebben: voor het eerst verlost van christen-democraten die in hun arrogantie ('we run this country") dachten het land te regeren. De ander zal een zucht van zorg hebben geslaakt: een paars kabinet zal nog veel moeilijker aanspreekbaar zijn op christelijke waarden en normen.

Het paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 symboliseert de neergang van de christelijke partijen in Nederland. En daarmee ben ik bij mijn onderwerp: de ontwikkeling van de christelijke politiek na 1945.

Wat is christelijke politiek
Bij dit onderwerp is het in de eerste plaats van belang wat we onder christelijke politiekmoetenverstaan. Van verschillende zijden is wel gesteld dat christelijke politiek niet bestaat. Een aantal vragen die daarbij aan de orde komen zijn:

* Politiek gaat om aardse macht. En heeft Jezus juist niet gezegd dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is, maar geestelijk van aard. Worden christenen niet opgewekt om dat Koninkrijk te zoeken?

* Is het niet veel te pretentieus om over christelijke politiek te spreken, waimeer we weten dat politiek wordt uitgevoerd door mensen. Mensen die net als alle andere 'geneigd zijn tot alle kwaad'. ledere politiek, ook als zij door christenen wordt gevoerd, ontkomt derhalve niet aan het oordeel van onvolkomen, onheilig, zondig. En mogen wij daar dan het keurmerk 'christelijk'op drukken?

* In het verlengde hiervan ligt de beduchtheid dat politici door hun politiek christelijk te noemen. God voor hun politieke karretje spannen. Kunnen wij bij de vele en vaak complexe politieke vraagstukken wel weten wat Gods wil is? Is de kreet 'God wil het' in de geschiedenis niet eerder misbruikt?

* Het feit dat een partij de naam 'christelijk' draagt, is nog geen waarborg dat er metterdaad een christelijke politiek gevoerd wordt. Bij christelijke politiek gaat het ten slotte om de inhoud en niet om de vorm of de naam. Wanneer in Italië de christen-democratische partij wordt vereenzelvigd met corruptie en fraude, dan is dat een regelrechte aanfluiting voor christelijke politiek.

Bovengenoemde vragen en opmerkingen geven wel aan dat het begrip 'christelijke politiek' zeker niet onomstreden is. Ze moeten tot bescheidenheid en steeds weer kritisch zelfonderzoek leiden.ook al houden we vanuit de gereformeerde traditiestaande dat christelijke politiekbestaat. Christelijke politiekis mogelijk, omdat God beginselen en richtlijnen voor het maatschappelijke leven gegeven heeft, die we vanuit de Bijbel mogen kennen.

Christelijke politiek wil ik dan ook definiëren als politiek die in de ordening van de samenleving probeert aan die bijbelse beginselen en richtlijnen gestalte te geven. Met het woord 'probeert' wil ik de bescheidenheid aangeven, die christen-politici eigen moet zijn. Vanuit hun zelfkennis zullen zij erkennen dat dit slechts met meer vallen dan opstaan plaats vindt, maar de intentie is er wel! En men is daarop aanspreekbaar. Dat betekent in ieder geval dat in het beginselprogramma van een partij die intentie moet zijn vastgelegd. Op grond van het bovenstaande zal ik mij in dit artikel over christelijke politiek beperken tot de KVP, ARP en CHU, later opgaand in het CDA, en SGP, GPV en RPF. Een aantal kleine partijen die slechts korte tijd actief zijn geweest, zoals de Evangeliche Volkspartij en de Rooms Katholieke Partij Nederland, laat ik buiten beschouwing.

Vraagstelling

Wie de eerste Tweede-Kamerverkiezingen na de Tweede Wereldoorlog in 1946 vergelijkt met de laatste van 1994 zal opmerken dat er grote verschillen zijn:
* Zowel in 1946 als in 1994 zijn er vier christelijke partijen: in 1946 drie grote en één kleine; in 1994 één grote en drie kleine. KVP, ARP en CHU zijn opgegaan in één nieuwe partij, het CDA. En behalve SGP bestaan nu ook GPV en RPF.
* Het aantal stemmen dat de christelijke partijen behaalde, is drastisch geslonken: In 1946 behaalden KVP, ARP en CHU gezamenlijk 51,55% van de stemmen en 53 van de 100 zetels in de Tweede Kamer; de SGP met 2,14% 2 zetels. In 1994 behaalde het CDA met 22,2% van de stemmen 34 van de 150 zetels en RPF, SGP en GPV met 4,8% 7 zetels.

Het zijn ontwikkelingen die de volgende vragen oproepen:

1. Hoe zijn deze ontwikkelingen verlopen?
2. Wat zijn de achtergronden van deze ontwikkelingen?
3. Wat is de toekomst voor de christelijke politiek in Nederland.

Over deze vragen wil ik in dit artikel een aantal opmerkingen maken.

ONTWIKKELING CHRISTELUKE POLITIEK 1945-1994

Mislukte 'Doorbraak'
De samenleving van voor de Tweede Wereldoorlog was sterk verzuild. ledere levensbeschouwing had haar eigen maatschappelijke organisaties. Er was een rooms-katholiek(e), een protestants(e), een socialistisch(e) krant, omroep, ziekenhuis, vakbond, sportvereniging, boerenorganisatie, school, politieke partij, enz.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog groeide het verzet tegen deze maatschappelijke ordening. De oorlog had een zekere eensgezindheid onder de bevolking teweeggebracht. En voor de wederopbouw van Nederland was een eendrachtige en niet een op levensbeschouwelijke grondslag verdeelde bevolking nodig. Dit oude stelsel diende doorbroken te worden. En politiek moest die doorbraak zijn gestalte krijgen in een nieuwe partij. Een partij die voor iedereen, christen, socialist of liberaal, open stond. Die partij werd de Partij van de Arbeid, waarin de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), een vrijzinnig-liberalepartij, en de Christen Democratische Unie (CDU), een progressief-christelijke partij, samengingen. Ook een aantal prominente CHU-ers sloot zich erbij aan.

Tot teleurstelling van de vernieuwers bleven de vooroorlogse christelijke partijen echter bestaan. ARP, CHU en SGP gingen op dezelfde voet verder.

De Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) werd vervangen door de Katholieke Volkspartij (KVP). Mede vanwege het blijven bestaan van de christelijke partijen, werd de PvdA een meer moderne en burgerlijke voortzetting van de SDAP. De vooroorlogse politieke situatie leek teruggekeerd.

Ontwikkelingen 1946-1994

1946-1963:
Bij de eerste verkiezingen na de Tweede Wereldoorlog in 1946 behaalde de KVP 30,1 % van de stemmen (32 zetels), de ARP 12,9% (13 zetels), de CHU 7,8% (8 zetels) en de SGP 2,1% (2 zetels). Vergeleken met de laatste verkiezingen voor de Tweede Wereldoorlog veranderde er niet veel. Van een 'doorbraak' was geen sprake. Daarentegen behoorde een coalitie van alleen christelijke partijen voorgoed tot het verleden, hoewel KVP, ARP en CHU tot 1967 over een parlementaire meerderheid beschikten. De KVP stond in het centrum van de politieke macht en was permanent in de regering vertegenwoordigd. Zij vormde coalities met PvdA en VVD, waaraan meestal ook de protestants-christelijke partijen deelnamen.

De eerste 20 jaren na de Tweede Wereldoorlog veranderde er buitengewoon weinig in de politieke verhoudingen. Bij de verkiezingen in 1963 behaalde de KVP 31,9% (50 zetels), de ARP 8,7% (13 zetels), de CHU 8,6% (13 zetels) en de SGP 2,3% (3 zetels). Het verschil in zetelaantal is te wijten aan de uitbreiding van de Tweede Kamer in 1956 van 100 naar 150 zetels. Voor de rest is het stabiliteit dat de klok slaat, met uitzondering van de ARP, die vanaf 1948 bij iedere verkiezingen licht verliest. De drie grote christelijke partijen hebben in 1963 echter nog steeds een meerderheid in het parlement van 76 zetels. Ook bij de twee andere grote partijen, de PvdA en de VVD doen zich weinig veranderingen voor.

Nieuw is wel de oprichting van het GPV in 1948. Na het ontstaan van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in 1944 ontstond rond deze kerk eveneens een zuil met gereformeerd-vrijgemaakte organisaties op allerlei maatschappelijk gebied. Zij die de Gereformeerde Kerk synodaal verlieten, braken ook met de gereformeerde ARP. Zij vormden vrije kiesverenigingen, die zich verenigden tot het GPV.

Vanuit de nauwe binding tussen kerk en maatschappelijk leven en het zware accent dat op de eigen kerk als (enige) ware kerk werd gelegd, kwam aansluiting bij CHU (vooral hervormd) of SGP (vooral bevindelijk gereformeerd) in het geheel niet in beeld.

1963-1994
Vanaf 1963 volgen politieke ontwikkelingen zich echter in een snel tempo op. De rust en stabiliteit van de eerste 20 jaren maken plaats voor verandering. In de 10 jaar die volgen, zijn het vooral de KVP en CHU die zware klappen te verduren krijgen. KVP en CHU worden bijna gehalveerd. In 1967 verliest de KVP 8 zetels, in 1971 7 zetels en in 1972 opnieuw 8, waarmee ze zakt van 50 naar 27 zetels. De CHU gaat in die periode terug van 13 naar 7 zetels. Alleen de ARP blijft stabiel en gaat zelfs van 13 naar 14 zetels. Ook bij de kleine christelijke partijen wijzigt er weinig. De SGP blijft als een rots in de woelige politieke baren met drie zetels in de Tweede Kamer. Het GPV dat in 1963 met een zetel in het parlement kwam, kreeg bij de verkiezingen in 1972 er één bij. Voor de positie van de christelijke partijen in Nederland betekent dit dat zij van de 80 zetels in 1963 er in 1972 nog maar 53 over hielden.

Inhoudelijk zijn het voor de christelijke politiek ook roerige jaren. Indringend werd de vraag gesteld naar het bestaansrecht van christelijk politiek. Binnen de ARP werd, geïnspireerd door het evangelie, met een nieuw elan de koers verlegd in meer progressieve richting. Bij de KVP was de binding met de Rooms-Katholieke Kerk vanaf het midden van dejaren '50 al minder geworden. Een deel van de partij wilde vervolgens eveneens een meer progressieve politiek, geheel los van de Rooms-Katholieke Kerk. De hoofdstroming binnen de KVP voelde daar evenwel niets voor, waarna de progressieven uit de partij stapten en de PPR stichtten. De CHU kende geen grote interne strubbelingen en bleef de enigszins conservatieve, weinig dogmatische christelijke partij. Enkele schuchtere pogingen tot vernieuwing leden schipbreuk.

Na deze 10-jarige politieke storm stabiliseerden de verhoudingen zich min of meer. De drie grote christelijke partijen gingen op in het CDA dat tot 1994 zijn stemmers goed kon vast houden. Hadden de drie partijen in 1972 gezamenlijk 48 zetels, in 1977 kreeg het CDA 49 zetels, in 1981 48 zetels, eenjaar later 45 zetels en in 1986 en 1989 steeg het aantal tot 54 zetels.

Het aantal kleine christelijke partij werd in 1975 uitgebreid met de RPF. Een partij die hoofdzakelijk is opgericht door twee groepen 'politiek daklozen'. De eerste bestond vooral uit leden van de Nederlands Gereformeerde Kerk, die in 1967 vanuit de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt ontstond. Leden van deze kerk konden niet terecht bij het GPV, omdat het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt voorwaarde was voor deelname. De tweede groep werd gevormd door verontruste leden van de ARP en CHU. Zij hadden grote moeite met de vorming van het CDA, met name omdat het christelijk karakter van deze partij niet voldoende tot uiting kwam. De drie kleine christelijke partijen waren met 5 tot 7 zetels in het parlement vertegenwoordigd.

1994
Bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1994 zien wij evenwel opnieuw een forse verschuiving in de politieke verhoudingen. Het CDA lijdt een fors verlies en moet 20 van de 54 zetels inleveren. Net als in de jaren '60 weten de kleine christelijke partijen nauwelijks van dit verlies te profiteren en winnen zij gezamenlijk slechts één zetel. Opmerkelijk is daarbij wel dat de SGP haar derde zetel kwijtraakt. Het RPF wint twee zetels en komt op drie. Daarmee komt het aantal vertegenwoordigers van christelijke partijen in de Tweede Kamer op een absoluut minimum van slechts 41. Bovendien is er voor het eerst sinds 1918 een kabinet waarin vertegenwoordigers van een christelijke partij ontbreken.

Conclusie
In de periode 1945 tot 1963 hadden de christelijke partijen in het Nederlandse parlement de meerderheid. Daarmee hadden zij de mogelijkheid om een belangrijk stempel te drukken op de politiek besluitvorming. Een voorbeeld daarvan is de vrij strikte zondagswetgeving in 1953. In de periode 1963 - 1972 verliezen de christelijke partijen fors terrein. Met de totstandkoming van het CDA wordt de teruggang gestopt, maar in 1994 verliest het CDA weer fors.

Al deze jaren maakten christelijke partijen deel uit van de regering. Coalities werden aangegaan met PvdA en VVD. Enerzijds betekende dit dat er water bij de christelijke wijn gedaan moest worden. Bovendien gold met name voor de KVP dat die weinig behoefte had zich als christelijke partij, gebaseerd op bijbelse normen en waarden, te profileren. Zij ontwikkelde zich meer in de richting van een brede, open middenpartij, waarbij de binding met de Rooms-Katholieke Kerk steeds minder werd.

Anderzijds hield dit in dat - ondanks dat de afbrokkeling van hun machtspositie -de grote christelijkepartijen vanuiteen confortabelemiddenpositieuiteindelijk toch een relatief grote invloed konden uitoefenen, ook al verloren ze een belangrijk deel van de aanhang. Op veel ontwikkelingen had het CDA een remmende invloed. Te denken valt aan wetgeving op het gebied van abortus en euthanasie, zij het dat op deze gebieden wel compromissen moesten worden gesloten. Terecht konden de kleine christelijke partijen het CDA bekritiseren op de mate waarin deze partij compromis-bereid was. Als zodanig vervulden zij een belangrijke 'waakhond'-functie met betrekking tot de christelijke identiteit van het CDA.

Met het paarse kabinet is voorlopig een einde gekomen aan de directe invloed van christelijke partijen op het regeringsbeleid. En dat is in de eerste maand van de nieuwe regering al te merken: het schrappen van Gods naam uit de troonrede, een versoepeling van het vervolgingsbeleid bij euthanasie, flinke bezuinigingen op de kinderbijslag. Een rem op de 'ontkerstening' van de politieke besluitvorming is weggevallen.

OORZAKEN VAN TERUGGANG

Maatschappelijke ontwikkelingen
Ontwikkelingen in de politiek staan uiteraard niet op zichzelf, zij zijn een afgeleide van ontwikkelingen in de samenleving, van veranderde opvattingen bij de bevolking zelf. Het waren ten slotte de kiezers die de christelijke partijen de rug toe keerden.

Evenals de politiek werden dejaren 1945 tot 1963 gekenmerkt door maatschappelijke rust en orde. Kritiek en onvrede, die al in de jaren '50 opkwamen, bleven grotendeels nog ondergronds. In de jaren '60 breken zij echter door en wordt de (schijnbare) rust in de samenleving ruw verstoord: provo's, studentenbezettingen, rookbommen bij het huwelijk van prinses Beatrix, hippies, anti- VS- demonstraties, popmuziek, moderne litaratuur, dolle Mina's. Het zijn slechts een aantal kreten om de veranderende tijd aan te duiden.

Hoe in een aantal j aren zoveel dingen op hun kop kunnen worden gezet, kunnen wij niet altijd zo maar verklaren. Wat dat betreft blijft de geschiedenis ten diepste ondoorgrondelijk. Wel zijn er een aantal oorzaken die de ontwikkelingen begrijpelijker maken.

In de eerste plaats werd in de jaren '60 een nieuwe generatie volwassen, die de oorlog niet bewust had meegemaakt en niet daadwerkelijk aan de wederopbouw had bijgedragen. Zij keek dan ook vanuit een andere invalshoek en met minder waardering naar de samenleving. Het betrof een generatie die veel meer scholing had genoten, daardoor kritischer stond en minder zaken als vanzelfsprekend aanvaardde. Mondigheid en zelfbeschikking werden sleutelwoorden. Gezag werd niet meer als zodanig aanvaard, maar moest zichzelf legitimeren. Het was een generatie die zelf actief wilde deelnemen in politiek en samenleving en die de traditionele kaders daarvoor te eng, te verstard en te burgerlijk vond. En vandaar dat zij zich sterk tegen deze kaders afzette. Anderzijds werd deze generatie ookmoeilijkbegrepen door de ouderen. Zij hadden met veel moeite en hard werken een nieuwe welvaartsstaat opgebouwd. En in plaats van dank oogstten zij ondank en verzet.

In de tweede plaats werd de samenleving steeds meer opengebroken. Er bestond een trek van het platteland naar de steden, waar de sociale controle veel minder was. Moderne vervoermiddelen maakten de mensen veel mobieler. En vooral de media kreeg een belangrijke rol. Vanaf 1953 veroverde de tv een prominente plaats in de huiskamer van de Nederlanders. In 1956 zijn er 26.000 tv-toestellen geregistreerd, in 1960 zijn dat er 585.000 en in 1968 zijn het er meer dan 3 miljoen, waarnaar meer dan 80% van de bevolking kan kijken. De tv werd een middel in het verzet tegen het bestaande bestel. Met name de VPRO en de VARA maakten het gezag door satirische programma's belachelijk. Protesten tegen de overheid en het niet altijd even tactisch optreden van die overheid daartegen waren voor heel het volk te zien en hadden een versterkend effect.

Door de tv kwam de wereld zichtbaar dichterbij, ook de tegenstellingen tussen rijk en arm, tussen koloniale machten en koloniën. Wreedheden in koloniale oorlogen en in de Vietnam-oorlog kwamen in de huiskamer op het scherm. En dat riep bij vooral de jongere generatie de vraag op of de Westerse, christelijke beschaving wel zo goed was. Of de wederopbouw die een hogere welvaart had gebracht, maar tegelijk ook de tegenstellingen in de wereld had vergroot, wel steeds nagestreefd moest worden? De christelijke partijen moesten het bij deze kritische houding zwaar ontgelden. Het waren immers deze partij en die zo lang aan de macht waren en hun stempel op de samenleving hadden gezet?

Ontkerkelijking en secularisatie
Achter bovengenoemde ontwikkelingen die de samenleving en de politiek in beroering brachten, gaat een diepergaand proces schuil, dat van ontkerkelijking en secularisatie. Uit een in 1991 gehouden onderzoek in Europa (de voormalige communistische staten waren niet in dit onderzoek betrokken) blijkt dat Nederland in een periode van 25 jaar een van de meest geseculariseerde landen is geworden^. Wat betreft kerklidmaatschap (44% van de bevolking) en het geloof in een leven na de dood (53% van de bevolking) betreft, 'scoort' Nederland het laagste en ook het percentage mensen dat in het bestaan van God gelooft, is internationaal vergeleken bijzonder laag, namelijk 50%.

Al in de jaren '50 was kerkverlating van met name jongeren een belangrijk onderwerp binnen de grote kerken. Ondanks alle zorg kon de ontkerkelijking niet worden gestopt. Hoe snel de ontkerkelijking in Nederland is gegaan, blijkt wel uit de volgende gegevens. In 1958 was 76% van de bevolking lid van een kerk. In 1966 was dit 64%, in 1970 61%, in 1980 50% en in 1991 nog slechts een minderheid van 43%. En wat de toekomst betreft zijn de verwachtingen somber: in de leeftijdscategorie van 17 tot 30 jaar was in 1991 72% niet kerkelijk. Ter vergelijking: in 1958 was dit slechts 20%.

In de Rooms-Katholieke Kerk ging het verval het snelste: in 1991 had bijna de helft (48%) van hen die rooms-katholiek waren opgevoed, deze kerk verlaten. Voor de Nederlandse Hervormde Kerk was dit percentage 40%, voor de Gereformeerde Kerken 30%.

Niet alleen verlieten de Nederlanders massaal de kerk, voor degenen die daar achterbleven kreeg de kerk ook steeds minder betekenis: in 1971 bezocht 70% van de Rooms-Katholieken elke week de mis, in 1991 was dit gedaald tot 30%. De kerkgang bij de hervormden liep terug van 50% naar 43% en van de gereformeerden van 89% naar 73%. Van alle Nederlanders gaat nog slechts 16% ten minste één maal per week naar een kerk.

Dubbele ontzuiling
Mede vanuit de ontkerkelijkingen de secularisatie kwam de ontzuiling. Mensen die met het geloof en de kerk breken, hebben in het algemeen ook geen belangstelling meer voor christelijke organisaties en christelijke partijen. De maatschappelijke achterban van de christelijke partijen wordt snel kleiner.

Deze ontwikkeling wordt nog eens versterkt, doordat ook voor hen die wel kerkelijk blijven, de binding met christelijke politiek vermindert. Kerkleden zijn minder snel geneigd om op christelijke partijen te stemmen. Het onderstaande geeft deze ontwikkeling aan.

Van de rooms-katholieken stemt in de jaren '50 ruim 85 % op de KVP. In 1967 is dat teruggelopen tot 75 % en in 1972 tot 48%. Vanaf de oprichting van het CDA schommelt dit percentage rond de 50%. Bij gereformeerden (variërend van synodaal tot de Gereformeerde Gemeenten in hun verschillende variaties) is deze tendens veel minder sterk. In 1948 stemt 84% van de gereformeerden op de ARP en 11% op de SGP. Tot 1967 blijft het percentage gereformeerden dat op de ARP stemt stabiel: 85%. Maar ook dan gaat het naar beneden tot 60% in 1972. In de jaren '80 stemt ongeveer 55% van de gereformeerden op het CDA. Het aantal dat op de drie kleine christelijke partijen stemt, groeit evenwel tot 20% a 25%. De stemkeuze van hervormden is altijd veel uiteenlopender geweest dan van rooms-katholieken en gereformeerden. Vanaf het begin van de PvdA hebben hervormden in deze partij een belangrijke rol gespeeld. In 1948 stemde maar liefst 41 % van de hervormden op de PvdA en 12% op de VVD. De christelijke partijen CHU, ARP en SGP behaalden respectievelijk 24%, 14% en 4%. In de jaren '80 geeft ongeveer 40% van de hervormden hun stem aan het CDA. Met de komst van de RPF groeit het aantal hervormden dat op de drie kleine christelijke partijen stemt tot 10%.

Het is, in het licht van het bovenstaande, niet verwonderlijk dat de grote christelijke partijen zich in de jaren '60 gingen bezinnen op hun positie. Het resultaat daarvan was uiteindelijk de opheffing van deze partijen en de oprichting van het CDA.

DE VORMING VAN HET CDA

Al eindjaren '50 waren er stemmen binnen de drie grote christelijke partijen die een pleidooi hielden voor nauwere samenwerking. Veel concrete resultaten leverde dat echter niet op. Het is vooral het stemmenverlies na 1963 dat de uiteindelijke totstandkoming van het CDA heeft bevorderd.

Bij de totstandkoming van het CDA heeft de vraag naar het christelijk karakter van de partij een belangrijke rol gespeeld. Wat zou de grondslag en doelstelling van de partij zijn? Tussen de drie partijen bestonden duidelijke verschillen van inzicht. Aan de ene kant was er de KVP die het liefste een brede volkspartij wilde zijn voor christenen en niet-christenen. De Bijbel zou niet meer dan één van de inspiratiebronnen zijn. Daartegenover stond de visie van de ARP, die een beginselpartij wenste op basis van het evangelie. De leden en zeker de volksvertegenwoordigers van het CDA moesten deze grondslag onderschrijven en direct aanspreekbaar zijn op het evangelie. De ARP vreesde dat de KVPvisie op termijn zou leiden tot een grauwe midden-partij zonder enige evangelische bezieling. En daarvoor wenste zij zichzelf niet op te offeren. De CHU stond tussen KVP en ARP in. Enerzijds wenste zij dat het CDA geen open maar een christelijke partij zo zijn; anderzijds vond zij dat de ARP overvroeg door aan leden de voorwaarde te stellen dat zij persoonlijk instemden met de Bijbel als grondslag van de partij.

De verschillen van inzicht werden overbrugd in een compromis. Enerzijds wordt het bijbelse getuigenis van Gods beloften, daden en geboden als van beslissende betekenis voor mens, maatschappij en overheid aanvaard (art. 1 Program van Uitgangspunten). In antwoord op de oproep van de Bijbel krijgt de politieke overtuiging van het CDA gestalte. Die overtuiging dient voortdurend getoetst te worden aan de Bijbel. Die politieke overtuiging (en dus niet de Bijbel) is het samenbindende element waarop een ieder in het CDA aanspreekbaar is (art. 2 Program van Uitgangspunten). Niet-christenen die zich in de politieke overtuiging van het CDA kunnen vinden, zijn welkom als lid en als vertegenwoordiger.

Daarmee bleef het spanningsveld tussen beginselpartij en open partij bestaan. Aantjes, fractievoorzitter van de ARP verwoordde het aldus: 'Wij hebben de open partij aanvaard: het CDA doet een beroep op iedereen zonder onderscheid. Wij hebben ook de beginselpartij aanvaard: het evangelie zal richtsnoer zijn van het politieke handelen. Op die basis hebben wij elkaar gevonden, inclusief de inconsequentie die dat naar twee kanten met zich meebrengt' 3

In de praktijk zou moeten blijken hoe met dit spanningsveld zou worden omgegaan. In het begin onder leiding van Van Agt werd het christelijk karakter van het CDA meer benadrukt. Met zijn oproep tot een 'etisch reveil' appelleerde hij direct aan christelijke normen en waarden. Onder Lubbers kwam de partij echter in pragmatischer vaarwater, waarbij het CDA meer een open middenpartij werd, zoals de KVP dat voorstond. In deze periode doet een hindoe zijn intrede als Tweede-Kamerlid voor het CDA en neemt een islamiet zitting in het partijbestuur.

Of uiteindelijk de christelijke politiek als zodanig erop vooruit is gegaan, valt te betwijfelen. Enerzijds heeft het CDA in eerste instantie de kiezers meer aan zich weten te binden. Anderzijds is het christelijk karakter van het CDA in de jaren '80 verbleekt. Als argument werd nogal eens naar voren gebracht dat wie regeert genoodzaakt is om compromissen te sluiten en daarmee 'vuile handen' te maken. Nu het CDA in de oppositie is beland, speelt dit argument geen rol meer en kan worden afgewacht of het in het verleden inderdaad terecht is gebruikt.

Voor de kleine christelijke partijen waren en zijn er geen electorale redenen om zich op de eigen positie te bezirmen. Zij hebben te maken met een kerkelijke achterban die niet afneemt. Weliswaar vindt er kerkverlating plaats, maar die wordt 'gecompenseerd' door het hogere geboortencijfer. Bovendien is de band tussen kerk en politieke partij nog steeds hecht. Maar ook bij deze partijen beginnen zich tekenen te vertonen dat de vanzelfsprekendheid van bevindelijk gereformeerden om op SGP of van vrijgemaakt-gereformeerden om op GPV te stemmen afneemt.

Wel deden zich binnen deze partijen enkele hevige discussies voor. Bij de SGP ging die onder meer over de positie van de vrouw binnen de partij. Binnen het GPV over het openstellen van de partij voor anderen dan vrijgemaakt gereformeerden. Voor een eventuele nauwere samenwerking of eenwording zijn de uitkomsten van deze discussies zeker niet onbelangrijk. Terwijl die bij het GPV daarvoor meer mogelijkheden biedt, geldt voor de SGP het tegenovergestelde.

TOEKOMST CHRISTELUKE POLITIEK

Een slinkende achterban
Zoals al is aangegeven, zal het aantal Nederlanders dat lid is van een kerk naar verwachting verder dalen: in het jaar 2020 zal dat naar verwachting nog geen kwart van de bevolking zijn. Hervormden en gereformeerden zullen nog geen 10% van de bevolking uitmaken.

Christelijke partijen moeten het voor wat leden en kiezers betreft van deze steeds kleiner wordende groep hebben. Voor niet-christenen is de drempel om op een christelijke partij te stemmen, laat staan er lid van te worden, hoog. Tussen 1954 en 1972 brengt slechts rond de 4% van hen zijn stem uit op een christelijke partij. In 1986 en 1989 groeit het aantal niet-gelovigen dat op het CDA stemt opeens tot 12%. Het zal de uitwerking zijn van het zogenaamde 'Lubbers-effect', die met zijn pragmatische instelling ook niet-christenen wist te bekoren. De forse nederlaag van het CDA in 1994 is voor een deel te verklaren uit het weglopen van deze kiezers: het aantal niet-christelijke stemmers daalde tot 6%.

De rol van de kerk
De basis voor christelijke partijen zal dan ook verder afnemen. Wat dat betreft ligt de toekomst van de christelijke partijen meer nog in de kerk dan in de Kamer. Of beter nog, buiten de kerk, waar via evangelisatie getracht wordt de geseculariseerde burger weer te overtuigen van de noodzaak van het christelijk geloof.

Het lijkt een hopeloze zaak. De wortels van de secularisatie zitten zo diep. Techniek, wetenschap en welvaart hebben het vertrouwen op God overbodig gemaakt. De mens kan steeds meer, is steeds beter in staat om natuur-processen te beïnvloeden en te beheersen. De visser die voor de oorlog uitvoer 'op hoop van (Gods) zegen' heeft nu de beschikking over apparatuur, waarmee het opsporen van vis in vergelijking tot vroeger een koud kunstje is. En we mogen nu van een zegen spreken wanneer vissers niet zoveel vangen dat de zee helemaal wordt leeggevist. De resultaten van wetenschap en techniek hebben geleid tot een rationeel wereldbeeld, waarin voor alles wat zich aan menselijke bewijsvoering onttrekt geen plaats is. God, engelen, duivelen, hemel en hel zijn achterhaalde begrippen. Voor velen staat het christelijk geloof op eenzelfde hoogte als de Griekse en Romeinse mythologie. En de gedachte dat er een God in de hemel zou zijn die het menselijk handelen oordeelt, druist lijnrecht in tegen het moderne levensgevoel van mondigheid: de mens bepaalt zelf wel wat hij doet.

De moderne mens heeft God achter de horizon van zijn bestaat geschoven. Er is sprake van een 'Godsverduistering'. En vanuit de Bijbel weten we dat het niet de mens is die die verduistering kan doen opklaren. Dat is Gods werk. Het gebed mag daarom wel zijn: 'Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt' (Jes. 64:1).

Bij het bidden hoort ook het werken. En dan denk ik dat, net als in de eerste christengemeenten, de apologetiek (hoe verdedig ikhet christelijkgeloof) weer een grotere plaats zal moeten krijgen in het onderwijs van de kerk. Maar ook voor het christelijk onderwijs ligt hier een taak. In feite moet weer geleerd worden hoe op een begrijpelijke wijze aan de moderne mens de waarde van het christelijk geloof kan worden duidelijk gemaakt. Naarmate de kerken daar meer in slagen, zal de christelijke politiek meer toekomst hebben.

Godsdienst is privé
Niet alleen wordt de achterban van christelijke partijen steeds kleiner, ook de houding van niet-christenen tegen christelijke politiek verandert. De dag dat ik dit schrijf (13 september) viel het volgende bericht in de krant te lezen. D66 heeft geen behoefte aan overleg met de kerken en weigert in te gaan op de uitnodiging van de Nederlandse Hervormde Kerk om daar een werkbezoek te brengen. De argumentatie was: D66 is voorstander van een strikte scheiding tussen politiek en levensbeschouwing. De kerk behoort ook niet tot het zogenaamde maatschappelijke middenveld: de maatschappelijke organisaties waar de overheid wel relaties mee onderhoudt, omdat die maatschappelijk nuttig zijn. De enige conclusie die getrokken kan worden is dat de kerk, dat levensbeschouwing niet een plaats heeft in de samenleving, maar enkel en alleen in het privéleven van burgers.

Meer dan enige andere partij is D66 de vertegenwoordiger van het moderne denken. En als dit denken verder terrein wint, is dat een regelrechte bedreiging voor de christelijke politiek. Een beroep op de Bijbel om bepaalde politieke opvattingen te onderbouwen of in de praktijk te brengen zal dan steeds minder worden getolereerd. Wat dat betreft is de felheid waarmee in politiek en samenleving is gereageerd op het besluit van de SGP inzake het vrouwenlidmaatschap een teken aan de wand.

REACTIE CHRISTELIJKE PARTIJEN

Christelijke identiteit
Hoe moeten de christelijke partijen zich tegen deze weinig rooskleurige toekomstverwachting opstellen? Wat van wezenlijk belang blijft, is dat christelijke partijen niet afwijken van de Bijbel als inspiratiebron en norm voor het politieke handelen. Gebeurt dat, dan wordt de christelijke politiek in haar kern aangetast. Met de toenemende secularisatie kan de verleiding groot zijn om wel die weg op te gaan. Christelijkepartijen zouden de drempel voor niet-christelijkekiezers kunnen verlagen door minder de nadruk te leggen op het christelijk karakter. Dat dit electoraal enig succes op kan leveren, bewijst de winst van het CDA bij de verkiezingen van 1986 en 1989. De verkiezingen van 1994 geven echter ook aan hoe wankel deze winst is.

Bovendien zullen christelijke partijen zich moeten realiseren dat binnen de kerken een steeds groter deel zich afwendt van christelijke partijen. Ten opzichte van deze burgers zullen christelijke partijen moeten duidelijk maken dat christelijke politiek inderdaad een extra dimensie heeft. En dat gebeurt niet En dat gebeurt niet wanneer christelijke partijen in hun beleid steeds minder gaan verschillen van andere partijen. Wil christelijke politiek geloofwaardig blijven, dan zal het duidelijk moeten maken dat bijbelse waarden en normen van directe betekenis zijn voor het maatschappelijke leven, ook al gaan die normen en waarden rechtstreeks in tegen die van de moderne tijd. Dat betekent soms radicale keuzes. Niet alleen op medisch-etisch vlak of met betrekking tot de zondag heeft de Bijbel betekenis voor de politiek, maar ook op het gebied van sociaal beleid, milieu, justitie. En daarin zullen christelijke partijen consequent moeten zijn, ook als dat de belangen van de eigen kiezer kan raken. De SGP heeft in haar beginselprogramma staan dat het haar niet gaat om de kwantiteit maar om de kwaliteit. Zonder kwantiteitkan het natuurlijkniet. Maar het streven naar meer kiezers mag niet geschieden door de christelijke identiteit te verdoezelen. Aanpassing aan de verwereldlijkte kiezer is een heilloze weg. Het betekent een ondergraving van de christelijke politiek van binnen uit. En wanneer de christelijke vlag de lading niet meer dekt, zal die vlag zo snel mogelijk verwijderd moeten worden, want daarvoor is zij te veel waard. Christelijk is tenslotte afgeleid van Christus.

Eenwording
Daarnaast dienen de drie kleine christelijke partijen zich in volle ernst af te vragen of het gescheiden van elkaar optrekken te verantwoorden is. We leven in een tijd waarin de secularisatie als een vloedgolf over Nederland spoelt en waarin het christendom als geheel in de toekomst een marginale plaats zal hebben. Een tijd waarin mensen zich het recht aanmatigen te beslissen over het leven van ongeboren kinderen en van ouderen van wie de kwaliteit van het leven naar de maatstaven van de mens tekortschiet. Een tijd waarin individualisering huwelijk en gezin ondergraaft en scheiden even gewoon wordt gevonden als trouwen. Een tijd waarin de zondag een gewone dag wordt.

Is het in zo'n tijd verantwoord dat drie kleine protestants-christelijke partijen naast elkaar blijven opereren? Drie keer achter elkaar wordt in het parlement in ernst en bewogenheid overheid en samenleving opgeroepen om naar Gods geboden te leven. Maar de sprekers blijken zelf niet onder één politiek dak te kunnen leven. En naarmate die oproep in een en hetzelfde debat vaker klinkt, wordt het effect minder. De geloofwaardigheid van de christelijke politiek zelf is in het geding. En dat moet zwaarder wegen dan welk partij belang dan ook.

Het is begrijpelijk dat eenwording niet eenvoudig is. Er bestaan zonder meer verschillen tussen SGP, GPV en RPF; verschillen in cultuur, maar ook meer principiële verschillen, zoals de visie op de verhouding tussen kerk en staat en op godsdienstvrijheid. Die verschillen hoeven niet verdoezeld te worden. Wel moet serieus afgewogen hoe zwaar die verschillen in deze tijd wegen tegenover het vele gemeenschappelijke dat er is. Tenslotte gaat het om partijen die een gemeenschappelijke wortel hebben in de Reformatie en daarin nog nader het calvinisme.

Vanuit de reformatorische traditie heeft Nederland een rijke geschiedenis, ook wanneer het gaat om het bestuur van het land. Het was slechts bij de gratie Gods. En wanneer het over de toekomst gaat, hebben calvinisten de goede gewoonte om te spreken over 'Deo Volente'. Dat moge deze wat sombere beschouwing over de toekomst van de christelijke politiek relativeren.

Noten
1. Uitspraak van het CDA-Tweede-Kamerlid Van lersel.
2. SCP-rapport 'Secularisatie in Nederland.'
3. CDA, De groei naar het CDA, pag. 126.

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Becker, Uwe, Nederlandse politiek in historisch en vergelijkend perspectief, Amsterdam, 1993.
Dunk, H.W. von, e.a.. Wederopbouw, Welvaart en Onrust, Houten, 1986.
Daalder, H. e.a.. Compendium voor politiek en samenleving in Nederland, losbladige uitgave, Houten-Zaventem.
Luykx, Paul en Hans Righart, Van de pastorie naar het torentje, een eeuw confessionele politiek, Den Haag, 1991.
Sociaal Centraal Planbureau, Secularisatie in Nederland, Den Haag, 1994.
Wetenschappelijk instituut CDA, De groei naar het CDA, momenten en impressies van dertien bewogen jaren, Den Haag, 1980.
Wetenschappelijk instituut CDA, 'Christen Democratische Verkenningen', themanummer: Het CDA: crisis en perspectief; 7/8, 1994