Digibron.nl

Onthouding.

Bron: De Heraut
Datum: zondag 26 april 1896
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 2

XII.

De kanker van het alcoholisme vreet daarom zoo diep in, omdat dit voortwoekerend kwaad niets spaart, maar zich op alle kanten van ons menschelijk leven met iets van de kwaadaardigheid van den bloedzuiger werpt.

Waar het alcoholisme tijd van doorwerking heeft, laat het ten slotte niets onaangetast.

Het werkt ontzenuwend en krachtroovend op het lichaam, , en demoraliseerend en verdoovend op de ziel. Het ondermijnt ons godsdienstig en het' verderft ons zedelijk leven. Het vervalscht de snaren van ons hart en verdonkert de klaarheid van ons verstand. Het haalt de woonhuizen ledigen vult gevangenis GO. gekkenhuis. Het vermorst tijd, verkwist geld, en breekt op den duur de arbeidskracht.. Het verkoelt de natuurlijke liefde, en prikkelt tot de smadelijkste zonden. Het gaat zwanger van moord en zelfmoord. Het drijft uit tot oneerlijkheid, om te kunnen drinken, en als er gedronken is tot twist en vechterij. Het scheidt den man van zijn eigen vrouw en lokt hem naar de vreemde vrouw. Atavistisch kweekt het een achteruitgaand geslacht en leidt tot verwaarloozing vanj de opvoeding. Het bluscht alle geestdrift voor wat ideaal en hoog staat, en kweekt|lust; , 'in het gemeene en lage en verachtelijke. En het einde van zijn wegloopt uit niet op het Jeruzalem dat boven is, maar op de saamvergadering van Satans genoodigden in|jde. hel.

Al vat men dan'fook alles saam, wat de eenzijdigste onthouders kwaad van deze pestilentie hebben gesproken, dan zal men, ook al kon men de felheid der aanklacht in scherpheid van woordenkeus verdubbelen, er nog nimmer in slagen in haar volle breedte en lengte de vernielende, heillooze werking van dezen demonischen kanker te beschrijven.

Het woord »pestilentie", dat we in ons vorig artikel bezigden, is dan ook niets te kras gekozen.

En dat we metterdaad in dit alcoholisme een pestilentie hebben te zien, die in onze eeuw een invasie deed, zooals vroeger nooit, wordt allerminst omvergestooten door de herinnering dat ook in vroeger eeuwen dronkenschap een bekend kwaad was, ja, dat dit kwaad zelfs in de eeuw der Hervorming onder onze aristocratie veel breeder afmetingen aannam dan thans.

Want wat men ook uit de historiën dier riddergelagen, uit de kluchten dier dagen, uit de boetpredikatiën, en uit de school van Jan Steen saamleze, om ons ia schrille kleuren de drinkzonde dier dagen te teekenen, nochtans blijft het kwaad van toen voor vergelijking met het nu uitgebroken kwaad ten eenemale onvatbaar.

Zelfs bij de heidensche volken heeft het kwaad van het alcoholisme nimmer zoo schriklijke hoogte bereikt, en nu nog zijn het niet de Fetischdienaren in Airika waarbij wij dit kwaad vinden, maar zijn het onze Christelijke kooplieden, die om geldelijk profijt dit »vuurwater" op hun schepen, soms tegelijk.-met een zendeling aaa boord, aan die nog wilde volkeren brengen.

Noch over de uitgestrektheid, noch over het pestilentieuse'', van dit^kwaad, is daarom onder kenners van den toestand tweeërlei meening mogelijk.

Mogelijk is wel, dat ge zelf in stiller kring leeft, waarin het kwaad niet insloop, en dat ge, aldus buiten het breede leven der wereld staande, niet uit eigen aanschouwing dit maatschappelijk booze hebtleeren kennen. Zoo zijn er ook velen, die geen flauwe voorstelling hebben van den kanker der prostitutie, doordien onbekendheid met den feitelijken toestand, hen niet tot een vi^ake roepen over zoo ƒ schandelij ken \j, toestand uitdrijft.

Tot op zekere hoogte zelfs ligt er een genade in, zoo men niet uit eigen aanschouwing met deze diepten van Satan in aanraking is gekomen; en de methode die al meer veld wint, om al deze woeling der zonde naakt en open in geschriften te bespreken, en op meetings aan het woord te laten komen, kwetst de schuchterheid.

Maar ook zonder proefondervindelijke of aanschouwelijke kennis van zulke zonden, spreekt toch de statistiek, spreekt het getuigenis van deskundigen, spreekt de tastbare achteruitgang op alle hooger gebied toch sterk genoeg, om de overtuiging omtrent de schrikkelijke verwoesting, die dit kwaad aanricht, algemeen te maken, en wat door allerlei vereeniging en bond geijverd is, om de kennis dier bitter droeve resultaten in wijder kring te verspreiden, heeft aanspraak op aller dank.

Al is het dan ook, dat we zelven het standpunt der onthouders niet meenen te kunnen innemen, toch is onzerzijds nooit laatdunkend noch minachtend op hun pogen neergezien, en juichten we veeleer de drijfkracht in hun streven, die immer op betrijding van het alcoholisme gericht was, van harte toe.

Al is het niet zonder bijmenging van een gevaar, waarvoor men in hun kringen zoo goed als blind is, toch droeg hun streven een zedelijk en ideaal karakter, en er is geen twijfel aan, of meer dan één persoon, en meer dan één gezin en geslacht is, dank zij hun optreden, uit de omstrengeling van deze woekerplant losgerukt.

Die eere mag noch aan de Christelijke, noch aan de civiele, noch aan de socialistische onthouders betwist worden. Zelfs meer dan één Mahomedaan heeft in dit opzicht gunstig gewerkt. En het Leger des Heils telt meê onder de machten, die dronkaards wisten af te brengen van hun ongemerkte vergiftiging.

Zelfs mag men in meer algemeenen zin zeggen, dat het aan deze onthoudersbeweging gelukt is, in fatsoenlijke, beschaafde kringen zekere antipathie tegen het gebruik van bitter; jenever ën .t)randewijn aan te kweeken, die de verkeerde gewoonte, om eiken middag een alcoholischen prikkel te nemen, gebroken heeft. Wel is de portvrij» en de cognac hiervoor bij velen in de plaats getreden, en heeft men de »petit verre" van voor den eten naar na den eten verlegd, maar toch mag niet ontkend, dat ook op dit terrein nog altoos eenige winste overblijft.

Van de schitterende resultaten door maatregelen van anderen aard in Noorwegen en elders verkregen spreken we in dit verband niet, wijl deze maatregelen een ander karakter dragen.

Maar, ook zonder hierop nader in te gaan, dient toch elk denkbeeld uit den weg geruimd, alsof wij onzerzijds, van ons religieus standpunt, de toewijding, de zedelijke veerkracht, en de veelszins gezegende vrucht van de onthoudersbeweging ook maar eenigszins miskennen zouden.

Integendeel, wat voor hen de vijand is, is ook voor ons een vijand, en wel eender gevaarlijkste satellieten van den vijand die voor ons in al deze pestilentie de hoofdbewerker en de eigenlijke wederpartijder is en blijft.

Bestrijding van het alcoholisme is daarom ook voor ons wel terdege een plicht en een roeping, waaraan niemand die invloed oefent, zich mag onttrekken.

Wat verschil inwerpt is alleen de uiterst gewichtige quaestie, op welke wijze de bestrijding moet gevoerd worden.

En wat we van de onthouders vragen is alleen, dat zij, aan teatallers-fanatisme zich spenend, over wie niet met hen loopt, op gelijke betamelijke wijze oordeelen zullen als wij steeds oordeelden over hen, ook al deelden we niet in hun geloof aan het denkbeeldig panacee.

Met fanatisme, met driftigheid, met passie is in dit geding niets te vorderen.

Indien er ééne quaestie is, die vraagt om nuchtere beschouwing en nuchterheid van oordeel, dan zeker wel het vraagstuk dat het alcoholisme aan de orde stelt.