Digibron.nl

Uit de Pers.

Bron: De Heraut
Datum: zondag 18 augustus 1901
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 1

Naar aanleiding van eenige opmerkingen van Dr. van Goor in de Heidenbode schrijft Ds. Fernhout in de Utrecht se he Kerkbode:

Op het terrein der Zending zijn nog altijd tal van vragen, die beantwoord, van quaesties, die beslist moeten worden. Dat zien wij ook uit het belangrijk besluit, door ons besproken. Die overtuiging wekke op tot studie en gebed!

De opmerking van Ds, Van Goor, dat het besluit van den Amsterdamschen kerkeraad iets geheel nieuws iï, is volkomen juist.

Althans wat betreft de bediening van het H. Avondmaal.

En dáárover loopt het.

Toch werd ten aanzien van het kndere sacrament reeds vóór de kerkeraad van Arasterdam zijn besluit nam, gelijke machtiging verleend aan Ds. Adriaanse alsnd Amsterdam aan Ds. Zwaan gaf.

Oorspronkelijk had Ds. Adriaanse haar niet. Noch ten opzichte van de bediening des H. Doops, noch ten aanzien van het H. Avondmaal.

In zijn instructie had de kerk van Utrecht er zelfs nadruk op gelegd, dat hij was uitgezonden om kerken te vergaderen niet uit de Europeanen op Java, maar uit de Javanen. En gelijk Dr. Van Goor vermoedt, geschiedde dit om te v orkomen, dat de missionaire predikant van zijn eigenlijken arbeid werd afgeleid door onder Europeanen te gaan arbeiden. Waar dan nog bij kwam, dat de kerk van Utrecht, bij het vaststellen van Ds. Adriaanse's instructie, natuurlijk gebonden was door het akkoord tusschen haar en de gezamentlijke kerken; en dit akkoord was aangegaan uit sluitend voor de missie onder de Javanen en niet ook voor de geestelijke verzorging van de Europ. geloovigen op Midden Java.

Toch bleek voorziening in de behoefte aan bediening van den H. Doop bij Europ. christenen van gereformeerde belijdenis, gebiedendnoodzakelijk. En de kerkeraad van Utrecht heeft daarom, bij de eerste aanvrage van den Doop van die zijde, geen oogenblik geaarzeld om zijn missionairen Dienaar tot het bedienen daarvan te machtigen.

We releveeren dit, om van den Utr. kerkeraad den schijn te weren als had hij zich om de gees telijke verzorging van de Europ. christenen op Java in 't geheel niet bekommerd.

Doch een instructie ten aanzien van de bediening des H. Avondmaals, als Amsterdam thans aan Ds. Zwaan gaf, ontving Ds. Adriaanse dus ver niet.

Nooit was daarvoor ook eenige aanleiding.

Nog nimmer kwam een daartoe strekkend ver zoek bij den kerkeraad van Utrecht in, noch van de arbeiders in de Zending, noch van Europ. christenen buiten hun kring. En voor wie de geschiedenis onzer Zending volgde, is het eerste, heaas, ruim zoo verklaarbaar als het laatste.

Het laat zich ook niet aanzien, dat er voor de kerk van Utrecht spoedig reden zal zijn om gelijen maatregel te nemen als Amsterdam.

De kerk van Amsterdam verkeert in een bizon er geval. Behalve den missionairen Dienaar zijn r nóg eenige van haar leden naar Djocja getrok ken. En het ligt voor de hand, dat ze er, bij den grooten afstand tusschen Djocja en de dichtst genabuurde Europ. kerken van Batavia en Soerabaja, op bedacht was deze broeders en zusters door haar Dienaar zelve te blijven verzorgen.

Te Poerworedjo ligt het geval echter anders.

Daar komen voor de bediening des H. Avondmaals buiten Ds. en Mevr. Adriaanse alleen in aanmerking br. Zijidema met zijn gade en de hefr Tuijnman. Doch noch br. Zuidema noch de heer Tuijnman is lid van de kerk van Utrecht. Beider kerkelijke status is in het onzekere, of liever: in 't ongereede.

De kerk van Utrecht kón daarom Ds. Adriaanse niet machtigen aan hen, als uitwonende leden, het H. Avondmaal te bedienen.

De eerste alinea van Amsterdams besluit is op het arbeidsveld van de Utrechtsche kerk niet van toepassing.

Hetzelfde geldt van de tweede alinea.

Voorzoover, althans te Utrecht, bekend is, zijn er noch te Poerworedjo, noch op Utrechts terrein buiten Poerworedjo, geloovigen »die tot eenige gereformeerde kerk in Nederland of in Indië behooren."

Doch ook ten aanzien van hèn komt het ons voor, dat het tusschen de kerk van Amsterdam, die van Utrecht en de Friesche kerken tot geen eenparigheid kan komen.

En dat wel om déze reden, dat de zorg voor Europ. Christenen van geref. belijdenis, die tot geen geref. kerk behooren, door de generale Synode van Groningen is gelegd in handen van haar lo Deputaten.

De zaak is bekend.

Eenige Europ. Broeders en Zusters in Bagelen {zendingsterrein van Utrecht en Friesland) Jogjacarta (zendingsveld van Amsterdam) en Soerakarta zonden een verzoekschrift aan de Synode, waarin ze te kennen gaven:

«hunne ernstige begeerte, dat de Gereformeerde Kerken in Nederland hen helpen, om te kunnen hebben eene rechte bediening des Woords en der Sacramenten, aangezien zij die niet vinden in de Protestantsche kerk van Indië en zij ook bezwaar hebben, om langer in dit zoogenaamde kerkver band te leven, — terwijl zij zich bereid verklaren, om, zooveel zij hiertoe bij machte zullen zijn, de financieele lasten, uit de inwilliging van hun verzoek voortvloeiende, mede te dragen.'

De Commissie van advies stelde voor, hierop het volgende te antwoorden:

dat de Synode met groote belangstelling heeft kennis genomen van hun schrijven;

dat het haar eene oorzaak van blijdschap en van dank aan God is, te mogen vernemen, dat Hij door Zijn Woord en Geest hun de geestelijke oogen alzoo verlicht, dat zij mogen inzien het onderscheid tusschen de ware Kerk en de valsche, en dat Hij het hun in het harte gegeven heeft, om zich naar eisch des Woords kerkelijk in te richten,

en dat zij. volgaarne bereid is, om hen ter verkrijging van hunne begeerte met raad en hulpe te dienen zooveel haar mogelijk zal zijn;

en voorts te besluiten:

om aan de Deputaten der Generale Synode tot de Zending op te dragen, met bekwamen spoed in cor respondentie te treden met de Kerkeraden en de missionaire dienaren des Woord op Java over de wijze, waarop aan de begeerte dezer Broederen en Zusteren zou kunnen worden voldaan;

te overleggen, of dit zou kunnen geschieden in den weg bedoeld in art. a der Kerkenorde. Indien dit mogelijk blijkt, zich in contact te stellen met eenige kerk hier te lande, die tot de uitzending van een dienaar des Woords tot dit doel zou willen overgaan;

en intusschen den requestranten al die hulp te doen toekomen, welke zal blijken mogelijk te zijn.

De Synode keurt deze conclusiën goed.

Het komt ons voor, dat de Synode van Groningen door dit besluit de zorg voor de Europeesche Broeders en Zusters op ons terrein, die den dienst der Gereformeerde Kerken in Nederland begeeren, in handen gaf van de 10 Deputaten.

Naar de letter — 't is zoo — betreft het alleen de Europeesche Christenen in Bagelen, Djocjacarta en Soerakarta, die zich tot de Synode wendden. Maar niemand zal in ernst betwisten, dat het naar zijn geest alle Europeesche Christenen, die hetzelfde begeeren, over heel ons arbeidsveld op het oog heeft, 't Zou trouwens tot grenzenlooze verwarring leiden, als de 10 Deputaten zich tot de requestranten hadden te beperken en de zorg voor de overigen aan de zendende kerken moesten overlaten.

Het komt ons daarom voor, dat. Amsterdam, Utrecht en de Friesche Kerken in 't werk van de generale Deputaten zouden treden als ze een rege ling troffen voor de geestelijke verzorging van de Europeesche Christenen op Java, die tot geen Gereformeerde Kerk behooren.

De mogelijkheid bestaat ook, dat de Deputaten Synodi, gedurende de twee jaar die sedert de Groninger Synode verliep, hun opdracht reeds voor een goed deel uitvoerden.

Doch, ó6k als hun dit niet gelukte en ze hunne pogingen moesten opgeven, zouden de zendende kerken in dezen toch niets mogen doen; eer de Deputaten ter volgende generale Synode gerappor teerd hebben en gedechargeerd zijn. Om die reden meende de kerk van Utrecht dan ook over deze zaak niet met Amsterdam in correspondentie te kunnen treden.

Ze kan ook — wat haar aangaat — den uitslag van den arbeid der Deputaten Synodi te geruster afwachten, nu er voor haar missionaire Dienaar, voor br. Zuidema, voor den heer Tuijnman en voor wie het verder begeeren mocht, in de Javaansche kerken te Poerworedjo en te Temon de gelegenheid openstaat om het H. Avondmaal te ontvangen.

Want — gelijk we ook reeds schreven — met Dr. Van Goor zien we niet in, waarom Europeesche geloovigen althans niet voorloopig met Javaansche broeders en zusters het H. Avondmaal zouden gebruiken.

Het verblijdt ons dat deze vraagstukken, die van zoo principieelen aard zijn, almeer de aandacht gaan trekken. »

Zal het werk des Heeren op Java gelukkiglijk doorgaan, dan kunnen al zulke vraagstukken niet ernstig genoeg besproken worden.