Digibron.nl

Een menigte des hemelschen heirlegers.”

Bron: De Heraut
Datum: zondag 25 december 1904
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 2

[KERSTFEEST.]

En van stonden aan was er met den engel eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: Eere zij God in de lioogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. Luk. 2 : i3.

Kon het anders, of de engelenwereld, voor Gods troon, moest meeleven met ons menschelijk leven hier op aarde, toen de Kribbe van Bethlehem haar heiligen last ontving?

Er ligt, zoolang deze wereld staat, in de historie achter ons niet éen enkel feit, noch éen enkele gebeurtenis, die in hoogheid van beteekenis en verte van strekking ook maar eenigermate te vergelijken is met de komste van Gods Zoon tot deze aarde.

De Kribbe van Bethlehem sluit af al wat achter de geboorte van Immanuël ligt, en ontsluit de toekomst voor al wat daarna is gekomen. Wat in Azië en Afrika eeuwenlang buiten aanraking met het Christenland bleef, sliep in, om eerst weer tot leven te ontwaken, toen het door de machtige levensbeweging uit het Christenland werd aangeraakt. Dat Amerika nu reeds al het Heidenland in belangrijkheid en ontwikkeling overtreft, dankt het schier uitsluitend aan zijn aanhoorigheid tot de groep der Christelijke natiën. Nauwelijks gaat het Christendom de wereld in, of de groote levens beweging van ons geslacht gaat voorgoed naar Europa over; en het is wederom niet in het nog Heidensch, maar zeer beslist in het gekerstend Europa, dat ons menschelijk leven die hoogte heeft bereikt, waarop het tegen woordig staat. En al is het, dat Japan, hoe zeer nog Heidensch, thans aan Europa den handschoen toewerpt, — het kon dit alleen doen door aan het Christelijk Europa daartoe de kracht te ontleenen, terwijl, gaat die actie door en slaat "ze ook op China en andere volkeren van Azië over, de uitkomst zal toonen, hoe ook hier tenslotte zich alles in een worsteling voor of tegen het Kruis zal oplossen. Wat de Keizer van Duitschland uitriep: „Volken van Europa, maakt u op, om uw heiligsten schat te verdedigen!" zou dusdoende het wacht woord voor de historie der toekomst kunnen worden.

Maar hiertoe bepaalt zich de machtige om keer niet, dien de Kribbe van Bethlehem teweeg bracht.

Er is ook een ongeziene wereld daarboven, waarmede onze wereld in rechtstreeksche en onafgebroken betrekking staat.

Er is behalve de geestenwereld der menschen op deze kleine aarde, nog een heel andere geestelijke wereld daarboven; een wereld saam gesteld deels uit engelen, deels uit gezaligde kinderen Gods van hier beneden.

Ook in die hoogere wereld om Gods troon bracht de Kribbe van Bethlehem een niet minder diepingrijpenden ommekeer teweeg.

Maar hier nu is dit onderscheid, dat onze wereld hier beneden, toen het heilig Kindeke reeds geboren was, noch wist noch vermoedde wat te gebeuren stond. Alleen in Israël is een Simeon, is een Anna, wier voorgevoel, door openbaring gesterkt, van verre gissen wat te komen stond. Maar heel Europa, dat tot in zijn grondvesten zou geschud worden, wist er niets van en giste niets; zoodat heel deze wereld, inplaats van Immanuël met één hoogen jubelzang te ontmoeten, pijnlijk zweeg.

In die wereld daarboven daarentegen was het mysterie ontsluierd. Daar doorzag en doorgluurde heel de heirschare der engelen, wat te Bethlehem voorviel en van wat beteekenis dit voor hemel en aarde zou zijn.

En vandaar verklaart het zich, dat die engelenwereld niet zweeg, zich niet van verre hield, en niet deed alsof die Kribbe van Bethlehem haai-niet aanging.

Veeleer is, als Jezus geboren wordt, heel die engelenwereld in heilige actie. Zij geniet er in met heilige gewaarwording. En vandaar dat in Efrata's velden in geheele groepen de engelen Gods nederstrijken, en dat van stonden aan daar met den gezant des Heeren gezien werd „een menigte des hemelschen heirlegers", niet maar om toe te zien, doch om, waar de kindeten der menschen zwegen, in hun plaats een jubelzang aan te heffen.

Ze waren „lovende en prijzende God", zeggende: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde en in de menschen een welbehagen /"

Die wereld der engelen is niet een doode massa, maar een van geest en leven tintelende heirschare Gods. Over deze aarde komt eiken avond de slaap, maar zij slapen nooit. Zij zijn eeuw in *euw uit steeds in volle actie. In heilige reinheid en klaarheid zijn ze al den dag en al den nacht bezig in het werk Gods, zijn bevelen uitrichtend, in zijn dienst al hun heerlijke kracht aanwendend.

En zeker, die dienst der engelen bepaalt zich niet tot wat ze voor deze wereld doen; hun heilige dienst strekt veel verder en reikt al de sferen door. Maar toch, een deel van hun dienst, en een zeer aanmerkelijk deel, richt zich welterdege op deze wereld, én op de krachten der natuur, én op de wereld van ons menschen, op de wereld van Gods kinderen zeer bijzon derlijk.

Wij merken dat wel niet, en we ontwaren het niet, zoo min als een kindeke in de eerste levensjaren iets afweet van wat het bloed in zijn hart en de ademtocht van oogenblik tot oogenblik voor zijn leven doet. Maar niettemin is die inwerking van Gods engelen op ons leven even reëel als vaii de zon; al ver moedt nauwlijks één op de honderd, van hoe ver reikenden invloed de stralen der zon op de natuur om ons heen, en op den welstand van ons lichaam zijn.

We denken ons die engelen veel te veel op oneindigen afstand, terwijl ze vlak bij ons, in ons bidvertrek, en op onze slaapstede en op onze stervenssponde ons van nabij omringen.

Alleen, de sluier die ons leven van het onzienlijke leven afsluit, laat hun verschijning niet door, en ons oog mist de kracht om door dien sluier heen te dringen. Maar dit belet niet, dat God in Zijn genade ze in hooggespannen oogenblikken van achter dien sluier te voorschijn heeft gebracht.

Daarvan verhaalt Israels historie, daarvan het leven der Apostelen, maar bovenal toont ons dit het Evangelieblad als Christus komt, en de Christus op deze aarde vertoeft.

In die korte jaren zijn de engelen gedurig om den Zoon des menschen verschenen. Zoo was het in Gethsemané, zoo zou het in de woestijn der verzoeking zijn, maar zoo was het ook toen aan Maria en aan Zacharias het heil k werd aangezegd, en bovenal in machtige om stuwing, toen het Kindeke te Bethlehem geboren was en door de nevelen voor het oog der herders doordrong „een menigte des hemelschen heirlegers"

Wat dan bij het zien van Bethlehem die hemelsche heirscharen met zoo overstelpenden jubel aangreep ?

Maar was dan de Zone Gods niet ook der Engelen hoofd en Heer? Verliet hij niet de wereld daar boven, om tot ons neder te komen? En zoo ge dan indenkt, met wat onbegrensde liefde de engelen den Zone Gods minden, en met wat heilige eerbiedenis ze aan hem hingen, verstaat ge dan niet, hoe de gifte van Gods Zoon aan de wereld een gebeurtenis in hun eigen leven, in hun eigen rangen, in hun eigen dienst van de hoogste beteekenis was?

Gods Zoon was hun geen vreemde, niet een geboren Kindeke, van wiens bestaan ze eerst na zijn geboorte kennis kregen. Hij was alle eeuwen door het middelpunt van hun eigen leven geweest, hun Heer en koning, de held Gods, om wien ze zich schaarden bij de worsteling die de eere Gods tegenover de onheilige machten verdedigen moet.

Niet alleen hier op aarde heeft de mensch een strijd. Veeleer was de strijd op aarde slechts gevolg en uitvloeisel van den geestelijken strijd, die in onze. hoogere, ongeziene wereld begonnen is. Niet de zondige mensch heeft de engelenwereld aangestoken, maar uit de in zonden vervallen engelen is het kwaad in de wereld der menschen neergedaald.

Onze strijd op aarde is daarom deel en onderdeel van de ontzettende worsteling, wsarin de engelen zelven rechtstreeks betrokken zijn.

Ze heeten daarom „legerscharen", ze heeten „heirscharen". „Gods wagens, d. i. Gods strijdmacht, boven 't luchtig zwerk zijn tien en tien maal duizend sterk, verdubbeld in getalen."

En bij die worsteling der engelen gaat de kamp, sinds den val, niet het minst om het behoud of het verlies van ons menschelijk geslacht.

De gevallen engelen zijn verloren. Voor hen daagt geen redding Maar de groote strijd in de hemelen gaat om deze wereld. Zal 't satan en zijn demonen gelukken, deze wereld aan God voor altoos te ontrooven? Of wel zal genade den triomf behalen, en deze wereld toch in het eind aan de eere Gods worden teruggegeven?

En in dien strijd nu brengt de Kribbe van Bethlehem het beslissend keerpunt.

Vòòr Bethlehem schijnt alles er op te duiden, dat Gods zaak op aarde verloren is, en de duivel triomfeeren zal. Op één klein volk na, lag heel de wereld van God afgevallen, om het afgodsbeeld geknield, verzonken in zonde en brooddronkenheid. En zelfs bij dat kleine volkjen van Israël was versteening, was geestelijke versterving!

Maar de volheid der tijden komt. Maria ontvangt haar eerstgeborene. De eengeboren Zoon des Vaders gaat in onze natuur in. En nu weet heel de wereld van Gods engelen, dat de zekerheid van eindelijken triomf gewaarborgd is; dat deze wereld voor God herwonnen is; dat ons menschelijk geslacht eeuwig voor Gods eer zal bloeien, en dat engelenlied en menschenzang eeuwig saam zal stemmen tot verheerlijking van God Drieëenig.

En nu komt er beweging in die hemelsche heirscharen. Ze dringen naar deze wereld toe. Ze naderen de heilige plek, waar de Kribbe van Bethlehem staat. Ze zoeken contact met wie daar in Efratha's velden hun kudden weiden. En nu barst de jubel los, de lofzang uit der engelen choren, en de menigte der hemelsche heirscharen zingt van het heil dat deze wereld beschoren is, en van de gewisse zege praal van de zake onzes Gods.