Digibron.nl

Die zich slap aanstelt.”

Bron: De Heraut
Datum: zondag 9 februari 1908
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 1, 2

Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van eenen doorbrenger. Spreuken 18: 9.

Aan ieder onzer heeft God de Heere, we mogen oud of jong, man of vrouw zijn, zekere som van kracht toebedeeld. Die kracht moge onze God bij den één meer in het hoofd, bij den ander meer in het hart, bij een derde meer in de vaardigheid van de hand gelegd hebben, maar zekere mate van kracht ontving elk onzer.

Jezus vergelijkt die kracht bij een som gelds. De één heeft vijf, een ander twee, een derde één talent aan kracht oatvangen; een tdlent nu was zeker bedrag aan goud of zilver; en die som kracht ontving eik dienstknecht „haar zijn vermogen", d. w. z. naardat hij, met zijn aanleg en zijn persoon, ten goede besteden en verwerken kon. Verwerken, wel te verstaan, altoos in den^ dienst van zijn Heer, want een iegelijk ontvangt zijn som, zijn deel, zijn mate van kracht als een dienstknecht of dienstmaagd, en juist daarom mag van de ons verleende of toebedeelde kracht niets ongebruikt, niets onaangewend blijven. Wat er aan kracht in ons schuilt, moet worden besteed en verwerkt.

Hierbij nu komt tweeërlei zonde voor. De ééne zonde is, dat ge uw kracht geheel ongebiuikt laat, en de andere, dat ge ze tendeeh laat slapen. Otrer hem nu, die zijn talent kortweg begraaft, heeft Jezus itija oordeel gereed. Hem wordt 't straks al ontnomen. Ea overmits onder ons een iegelijk toch wel iets doet,

en er bijna niemand is, die de sterkte zijner kracht geheel op stal zet, trekt het Christelijk publiek liefst al zijn aandacht op „dien boozen, luien dienstknecht" met het ééne talent saam, daarbij zelfgenoegzaam in zichzelf denkende: Zoo erg staat het, Gode zij dank, onder ons toch niet.

Doch juist daarom is het zoo dringend noodzakelijk, dat aller aandacht ook eens oprettelijk gevestigd worde op die andere zonde, die daarin bestaat, dat we onze kracht en ons talent maar Hal/ of voor een nog kleiner deel gebruiken, en daardoor onder het oordeel vallen van wat de Schrift noemt: „aicA ilap aanstellend Niet flink, niet doortastend, niet energiek bij de pinken zijn, maar ai wat men aanvat, op zijn elf en dertigst afdoen. En daarvan heet het dan: „Die zich slap aanstelt in zijn werk, is de broeder van een dooi brenger." Waar tegenover de Prediker dan dezen regel stelt: „Alles wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht" D. i. naar de volle mate van kracht, die uw God u verleend heeft.

Zijn tijd en kracht verspillen, is op zich zelf iets anders. Er zijn er die hun tijd verslapen j die hun kracht en tijd in ijdelheid doorbrengen; die hangen en verlangen en nooit weten wat ze beginnen zullen; die in ««pel en jok hun beste levenskracht verdoen; altijd te laat beginnen en daarom nooit gereed komen; droomige luiaards, die het nietsdoen liefhebben, en-daarom door Salomo in het beeld van „den doorbrenger" worden geteekend.

Maar van dien doorbrenger is nu een broeder, d. w. z. met dien doorbrenger staat gelijk en op éen lijn, die andere mensch, die niet stil zit, die integendeel altoos bezig is, maar die zich bij wat hij doet, altoos slap aanstelt. Er nooit met heel zijn hart en heel zijn hoofd bij is. Zich niet inspant. Beuzelt en treuzelt. 'Er zich niet met de borst op toelegt. En daarom alles half, het daardoor slecht doet, en alzoo feitelijk de helft van zijn leven verkwist.

Wat Gods Woord daarentegen wil is, dat een Christenmensch altoos naarstig, altoos vaardig, altoos volijverig zal zijn. Dat hij een voor beeld zij van flinkheid en degelijkheid. Dat hij zichzelf, gelijk men het noemt, gedurig zal over treffen. En dat hij althans bij eiken plicht, waarvan hij zich kwijt, uit de hem verleende kracht het voUë* percentage zal trekken, dat God er in gelegd heeft.

Onder de kinderen der wereld vindt ge telkens zulke energieke menschen. Mannen en vrouwen van zessen klaar. Altoos wakker en reê. Hun komt dit in zaken toe door de straffe concurrentie. Heel het leven is hun éen sport. Telkens zijn ze er op uit, om hun concurrenten te overtroeven. Ze willen voor niemmd onderdoen. Ze hebben geen rust of duur, eer ze anderen vooruit zijn. Van dat zich slap aanstellen, merkt ge bij deze energieke kinderen der wereld geen spoor. Eer overwerken ze zich, dan dat ze bij de pakfeen zouden neerzitten. Vooruit komen in de wereld is hun levensleus. En metterdaad spannen ze zich in „met al hun macht."

En datzelfde nu wat het kind der wereld uit ambitie of uit winstzucht doet, dat wil Gods Woord, dat het kind van God om Gods wil zal doen. Het is God van Wien hij zijn mate van kracht ontving, en het is om Gods wil, dat hij de hem verleende kracht steeds ten volle, met alle veerkracht, met nooit rustenden ijver, en met een inspanning, die nooit verdriet, ter eere van zijn God heeft aan te wenden.

Zelfs tusschen volk en volk vindt ge; wat dat zich „slap aanstellen" betreft, een in het oog loopend verschil. De volken uit het Zuiden van Europa zoeken vóór alle dingen hun gemak. In Eügeland daarentegen schittert allerwegen vaardigheid, flinkheid en veerkracht. En in Amerika boeit u nog sterker een bedrijvigheid, een rustelooze inspanning, een altoos energiek bezig zijn, waarbij geen volk van Europa haalt. Maar ook onder de kleinere volken bespeurt ge gelijk onderscheid. In Zwitserland, in Denemarken en in België werkt ieder, man en vrouw, kind en grijsaard, en ritselt er kracht onder heel het volk, Bij ónzen handwerkersstand daarentegen is zekere slapheid, zekere traagheid, zekere gemakzucht eigen. Niet van nature, want in de i6 en 17a eeuw is het öok hier heel anders geweest. Toen waren we, ook in onze energie en ia de dege spanning van onze kracht, de leermeesters en toongevers voor heel Europa. Maar we zijn tenslotte moe geworden, wc zijn ingeslapen op onze gewonnen lauweren, en het zich slap aanstellen in ons werk is thans schier nationale hebbelijkheid geworden. Zoo is het bij onze hoogere klassen, zoo is het in onzen burgerstand, zoo is het bij onze werklieden. Vergelijk ten werkman hier met een werkman van hetzelfde vak in Amerika en ge zijt al blijde zoo ge de helft van de Amerikaansche energie in hem ziet uitblinken.

Kan nu gezegd, dat dit onder de Christenen hier te lande beter is ? Dat zij althans dat slap zich aanstellen weer te boven zijn gekomen? Dat er bij hen ui komt, ten volle uitkomt, wat God aan kracht in hen heeft gelegd ? Bovenal, kan gezegd, dat zij om Goas wil, die hun de kracht verleend heeft, scherp toezien, dat er door slapheid en otflinkheid geen druppel kracht al de dagen der week te loor ga? Dat alle krach) die ze bezitten, haar volle rente opbrenge 7 Dat ze bij alles flink, levendig, bezield zich inspannen? En dat hun volle kracht, in huis en ambt, in bedrijf en studie aan den bloei van hun volk en aan de eere van bun God ten goede komt?

En wie voelt dan niet, dat een vraagteeken hier althans niet misplaatst is. o. Zeker, men werkt wel, men is wel bezig, soms zelfs heeft men het heel druk. Maar 't gaat veelal zoo slap toe. Zie maar op onze huismoeders, op onze dienstboden, op onze kinderen op school. Let maar op veler bedrijf en winkelzaak. Zie hoe bet toegaat op kantoor en in ambtsbediening. Zelfs zouden we onze predikers, onze ouderlingen, onze diakenen niet allen durven uitzonderen. Dat „slap zich aanstellen in zijn werk" van Salomo, is bij maar al te velen onder ons zoo de juiste uitdrukking voor de manier, waarop men zijn levenstaak opvat.

Zelfs dringt zich vaak de gedachte aan u op, of o: en, ingewijd in heiliger dingen, zich van die flinkheid en energie in zijn huis, in zijn beroep, en in alle maatschappelijke bezigheid niet, terwille van dit hoogere, ontslagen acht. Al die drukte der wereld is dan zoo dikwijls bijzaak geworden, een bijzaak waar men zijn hart niet op zet, en waarvan^ men zich met de kleinste inspanning afmaakt. Men voelt er zich te geestelijk voor, en ziet daarom in bedrijf, beroep en ambt geen eervolle levenstaak, waarop men zich met de volle borst zou toeleggen. Men kan er zich wel niet aan onttrekken, maar acht zich vrij, om dit alles slapjes op te vatten. Men leeft er niet in en wijdt er zich niet aan toe. Reeds Faulus, de apostel, moest dit kwaad in de kerk van Corinthe te keer gaan. De lust, de bezieling voor het werk was zelfs onder de eerste Christenen reeds aan 't afnemen.

Doch natuurlijk, dit wreekt zich. Onze levenstaak komt ons van God toe. Zijns is de ons d verleende kracht, en die kracht mogen we niet d sluimeren laten. En gaan we daar nu tegen in, dan bederft het ons karakter, het verlamt onze geestkracht, het knakt onze wilskracht, en die slapheid bij het werk maakt ons tenslotte zelven slap. Slap van karakter, slap in onze levensopvatting, slap in ons zielsbestaan, en het einde is, dat diezelfde slapheid ten slotte ook in ons geestelijk leven, in onzen arbeid voor het Koninkrijk, ja, tot in ons gebed insluipt. De kracht is er wel, maar ze wordt niet besproeid, ze komt niet uit, en ten slotte beschimmelt ze en verstikt in ons hart.

Zoo gaat te loor, wat ons gezin ten zegen, wat heel onze persoon tot opbouwing, wat onze positie in de wereld tot winste, wat ons volk tot sterkte, wat Gods naam tot eere kon zijn; en dit alles alleen door de zondige hebbelijk heid van dit „zich slap aanstellen."

En bracht u dit nu nog winste, _nog genot, nog voordeel. Maar het tegendeel is waar. Wie bezield, wie volijverig, wie energiek is, leeft hooger, geniet in zijn arbeid en is gelukkig.

En daarentegen wie zich slap aanstelt, zinkt in, mist het hooger levensgeluk, en wordt achtervolgd door de booze plage der verveling.

Een kind van God moet op zijn volle kracht leven. Zoo alleen is hij een trouw dienstknecht van zijn Meester, en zelf in zijn levenstaak gelukkig en rijk.