Digibron.nl

Overgaan tot een anderen staat des levens."

Bron: De Heraut
Datum: zondag 23 mei 1915
Auteur: DR. H. H. K.
Pagina: 2, 3

VII (Slot).

De vraag, welke kerkrechtelijke gevolgen er uit voortvloeien, wanneer een predikant zijn dienst neerlegt om een andere betrekking te aanvaarden, is hiermede beantwoord geworden. Gelijk bleek, is een algemeene regel hiervoor niet te geven, omdat de gevallen daarvoor te veel verschillen. Vast staat alleen, dat znlk een predikant, die uit zijn dienst ontslagen wordt, niet jure suo het recht behoudt om het Woord te bedienen^ maar dat daarvoor een uitdrukkelijke verklaring van de Classis noodig is, dat zij hem den naam en eere vanDienaar des Woords laat behouden. Geoorloofd is dit laatste alleen dan, wanneer èn uit de motieven èn uit den aard der betrekking, die zulk een predikant wenscht te aanvaarden, blijkt, dat hij zijn roeping niet verzaakt. Wie zijfi ambt als predikant vergaat om een wereldsch beroep te kiezen, gaat tot een anderen staat des levens over en verliest daarmede zijn staat als predikant. Alleen wanneer iemand zijn ambtelijk werk neerlegt om zich geheel te wijden aan een geestelijken arbeid in den dienst van Gods Koninkrijk, behoeft er van zulk een overgang van levensstaat geen sprake te wezen en kan de Kerk hem daarom den naam en eere van Dienaar des Wóords laten behouden.

Met name is dit het geval, wanneer een predikant benoemd wordt tot Professor in de Theologie of aangesteld wordt tot geestelijk verzorger aan eene stichting; over welke beide gevallen ten slotte nog gesproken moet worden, om een enkel misverstand, dat te dien opzichte bestaat, uit den weg te ruimen.

Wat • in de eerste plaats de Professoren in de Theologie betreft, zoo kan omtrent hun al of niet bevoegd zijn om het Woord en de Sacramenten te bedienen wel geen verschil van meening bestaan, omdat de Kerkenorde zich hierover uitdrukkelijk uitspreekt. In artikel III onzer Kerkenorde staat toch dat het geen Doctor, d. w. z. professor in de Theologie geoorloofd zal wezen den Dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, te^izif hij daartoe wettiglijk geroepen is. Zeker volgt hieruit, dat' het ambt van Professor in de Theologie als zoodanig, ook al rekent de Kerkenorde het onder de diensten der Kerk, iemand nog geen bevoegdheid verleent, om het Woord en de Sacramenten te bedienen. Maar tegelijk blijkt uit hetgeen er aan toegevoegd wordt, dat deze bevoegdheid wel toekomt aan een Professor, wanneer hij vóóraf of tijdens zijn professoraat op wettige wijze tot den Dienst des Woords geroepen is geworden. Het ambt van Professor is dus met het ambt van Dienaar des Woords niet onvereeriigbaar. Evenmin toch als een emeritus-predikant, die op een andere plaats, waar hij zich metterwoon vestigt, tot ouderling ge'icozen wordt, daardoor zou ophouden predikant te zijn en de bevoegdheid zou verliezen om het Woord en de Sacramenten te bedienen, evenmin verliest een predikant deze bevoegdheid, wanneer hij in het ambt van Doctor of Professor wordt gesteld. Het eene ambt sluit het andere niet uit. Onze Kerken hebben dan ook nooit geweigerd een predikant, die Professor werd, zijn bevoegdheid te laten behouden om het Woord en de Sacramenten te bedienen, en Voetius verklaart zelfs, dat dit zeer gewenscht is, niet alleen omdat de Kerken dan kunnen voortgaan met te profiteeren van de gaven, aan ztdk een hoogleeraar voor de bediening des Woords'geschonken, maar bepaaldelyk ook om tegemoet te komen aan het conscientie-bezwaar dat allicht een Dienaar des Woords zou kunnen hebben, om ter wijle van zijn professoraat voor goed van zijn ambt als predikant afstand te doen. Kerkrechtelijk bestaat er daarom geen enkel bezwaar tegen om een predikant, die hoogleeraar in' de Theologie wordt, den naam en eere van Dienaar te laten behouden, en de Classis kan dit zeer eenvoudig doen, door bij zijn ontslag uit den dienst hem tot emerituspredikant te verklaren. Toch volgt hieruit niet, dat dit geschieden moet bij elke benoeming tot professor in de Theologie. Wanneer onze Kerkenorde den dienst dbr doctoren of professoren in de Theologie onder de diensten der Kerk opneemt, dan ziet dit wel niet op kerkelijke professoren, die door de Kerken benoemd, gesalarieerd en ontslagen worden, — want zulke kerkelijke professoren waren destijds in Nederland niet te vinden — maar dan hgt daarin toch ongetwijfeld opgesloten, dat zulke hoogleeraren moesten optreden aan een Gereformeerde Hoogeschool, waar de opleiding van de a.s. predikanten geschiedde ten behoeve van de Gereformeerde Kerken. Alleen dan toch konden deze professoren gerekend worden hun ambt ten dienste der Gereformeerde Kerken te vervullen. Zulk een Hoogeschool, al ging ze niet van de Kerken zelf uit, maar van de Gereformeerde Overheid (of zooals thans van een Gereformeerde vereeniging van Hooger Onderwijs) was, gelijk onze vaderen het uitdrukten, een Seminarium Ecclesiae, d. w. z. een kweekschool van de Kerk. Zelfs werd op dien grond door de Kerken onzer vaderen als eisch gesteld, dat zij bij de benoeming van deze Hoogleeraren gekend moesten worden en toezicht hadden uitteoefenen op de belijdenis en wandel dezer Hoogleeraren. Alleen zulk een Hoogleeraar nu, die mede met goedkeuring der Kerk tot zijn ambt benoemd wordt, die voortdurend onder het toezicht der Kerk blijft staan, ook wat zijn ambtelijk werk aangaat, en wiens taak het is voor de opleiding van de a. s. Dienaren der Kerk te zorgen, kan gezegd worden den dienst van Doctor voor deze Kerk te vervullen en in dat geval kan de Kerk hem zonder bezwaar de eer en naam van een Dienaar des Woords laten behouden. Van een overgang tot een «anderen staat des levens» is dan toch geen sprake, want zulk een professor blijft in zekeren zin aan den dienst der Kerk verbonden. Natuurlijk staat de zaak anders, wanneer een predikant een benoeming zou aannemen aan een Hoogeschool, die niet Gereformeerd is, geheel los van onze Kerken staat en ook niet dient voor de opleiding van de a. s, predikanten dezer Kerken. Zulk een hoogleeraar vervult niet den dienst van Dóetor Ecclesiae in onze Kerken ; hij kan daarom ook niet op onze Generale Synodes als adviseerend lid zitting nemen en de vraag, of de Kerken bij zijn ontslag uit den dienst des Woords hem desniettegenstaande de eere en naam van Dienaar des Woords zouden kunnen laten behouden, is een vraag, die zeker niet zonder meer in bevestigenden zin te beantwoorden is.

En wat eindelijk de predikanten betrejt, die geestelijk-verzorger worden aan een of andere stichting, zoo geldt van hen in zekeren zin hetzelfde. Een bepaalde regeling voor de positie dezer broeders geeft onze Kerkenorde niet, want Art. VI van onze Kerkenorde, waarop men zich vaak voor de kerkrechtelijke positie van deze geestelijke verzorgers beroepen heeft, heeft blijkens de historie van dit artikel niets met hen te maken. Er is in dit artikel wel sprake van Dienaren, die een dienst aannemen in eenige particuliere heerlijkheid of gasthuis, maar dit laatste ziet niet op wat wij thans «geestelijke verzorgers» in stichtingen noemen. Art. VI doelt n.l. op het geval, dat aan zulk een gasthuis, zooals dit bijv. te Amsterdam het geval was, een gasthuiskerk was verbonden, waaraan dan door de Overheid een predikant werd aangesteld, bepaald met opdracht om daar het Woord en de Sacramenten te bedienen. Zulk een dienst nu, bepaalde onze Kerkenorde, mocht een predikant niet aannemen, tenzij hij volgens de voorafgaande artikelen (die over de wettige roeping tot den Dienst des Woords handelen) tot den Dienst des Woords geadmitteerd en toegelaten was, en voorts moest hij als de andere Dienaren des Woords aan de Kerkenordening onderworpen blijven en, gelijk een vroegere redactie van dit artikel voorschreef, zelfs geregeld op de Classis verschijnen. Onze Kerkenorde bepaalde dit om te voorkomen, dat de Overheid krachtens haair jus patronatus bij zulk een gasthuiskerk predikanten zou aanstellen met de bevoegdheid om het Woord en de Sacramenten te bedienen, welke niet door de Kerken vooraf beroepen en geëxamineerd waren, en die dan geheel buiten elk kerkelijk verband en toezicht zouden komen te staan. Maar van dit alles kan natuurlijk geen sprake wezen bij onze geestelijke verzorgers, omdat zij in zulk een stichting niet optreden en ook niet optreden kunnen om daar het Woord en de Sacramenten te bedienen of eenige andere ambtelijke handeling te verrichten, zooals het afnemen van belijdenis des geloofs of de kerkelijke bevestiging van een huwelijk, maar uitsluitend en alleen om geestelijke vertroosting aan de aldaar verpleegden te bieden. Al wordt hiervoor in den regel een predikant gekozen, toch is dit op zich zelf niet noodig en zou het zelfs zeer goed denkbaar wezen, dat daarvoor ook een niet-predikant werd aangesteld. Vandaar dat het ook geen eisch kan wezen, dat zulke geestelijke verzorgers eerst wettig volgens Artikel 4 en 5 van de Kerkenorde beroepen en door de Classis geëxamineerd moeten zijn, - en geldt evenmin voor hen, dat zij in die qualiteit aan de kerkenordening of het toezicht der Kerken onderworpen blijven, want als geesrelijke verzorgers staan ze onder het toezicht van het bestuur hunner stichting en heeft de Kerk zelfs niets over hen te zeggen. Vandaar dat de Generale Synode van Middelburg 1896 Art. 125 terecht bepaald heeft, dat zulke geestelijke verzorgers ook geen recht hebben ter Classicale vergadering te verschijnen, zelfs niet met adviseerende stem. Een gasthuis-predikant

moest ter Classe komen, omdat hij predikant op die plaats was; een geestelijk verzarger mag dit niet, omdat hij als zoodanig geen ambt in de Kerk vervult.

Nu staat dit geestelijk verzorgerschap zeker niet geheel op één lijn met het hoogleeraarschap in de Theologie, want de hoogleeraren in de Theologie worden door de Kerkenorde uitdrukkelijk onder de diensten der Kerk opgenomen, wat met deze geestelijke verzorgers niet het geval is. Hetgeen Artikel III onzer Kerkenorde aangaande de Professoren in de Theologie bepaalt, dat het hun geoorloofd is den Dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, mits ze wettig daartoe geroepen zijn, kan daarom ook niet zonder meer op deze geestelijke verzorgers worden toegepast. Toch hebben onze Kerken, in geval een predikant zulk een betrekking van geestelijk verzorger aannam, hem toch in den regel den naam en eere van Dienaar des Woords laten behouden, en de jongste Generale Synode van 's-Gravenhage heeft in Art. 139 verklaard, dat wanneer „zij vroeger predikant in onze Kerken zijn geweest en bij hun overgang tot eenen anderen geestelijken arbeid emeritaat hebben verkregen, ze de bevoegdheid blijven beJiouden, op uitnoodiging van een Kerkeraad het Woord en de Sacramenten in eene gemeente te bedienen". Hoewel de arbeid dezer geestelijke verzorgers, gelijk de Generale Synode van Utrecht 1905 Art. 88 uitsprak, geheel buiten de Kerk omgaat, zoodat onze Kerken noch over de benoeming noch over het ontslag van deze geestelijke verzorgers iets te zeggen hebben, ja zelfs op hun arbeid geen toezicht kunnen uitoefenen — wat 'zeker een leemte is - ^ kan daarom toch niet ontkend worden, dat deze arbeid een geestelijk karakter draagt en geschiedt ten dienste van de Kerk, daar bok leden onzer Kerken in deze Stichtingen verpleegd worden. Geheel correct is daarom de verhouding van deze geestelijke verzorgers tot de Kerk zeker niet, en het ware wel gewenscht, dat tusschen deze Stichtingen en* onze Gereformeerde Kerken een verband tot stand kwam, waardoor de positie dezer geestelijke verzorgers kerkelijk geregeld werd. Het blijft toch een gebrek, dat in deze stichtingen noch van een eigenlijke bediening des Woords noch van een bediening der Sacramenten sprake kan wezen, terwijl toch ieder zal toestemmen dat vooral de bediening van het Avondmaal in zulke stichtingen tot grooten zegen zou kunnen strekken. Ook zou er zeer goed een regeling te treffen zijn waardoor het mogelijk werd in zulk een stichting de Bediening des Woords en van het Avondmaal te doen plaats vinden. Intusschen schijnt zulk een kerkelijke regeling vooralsnog op te groote practische bezwaren af te stuiten en > kan de Kerk natuurlijk het bestuur van zulk een stichting of vereeniging niet dwingen om zulk een verband rnet haar aan te gaan. De Kerk zal daarom, wanneer een predikant tot geestelijk verzorger aan zulk een stichting benoemd wordt, zich wel moeten vergenoegen met een onderzoek, of zulk een Stichting een Gereformeerd karakter draagt, d.w.z. of ze op den grondslag der Gereformeerde belijdenisschriften staat, en of de bestuurders yan zulk een stichting haar genoegzamen waarborg bieden, dat aan dezen grondslag ook metterdaad de hand zal worden gehouden. En wanneer dit het geval blijkt te zijn is er geen bezwaar tegen, dat de Kerk zulk een predikant vergunt de benoeming tot geestelijk verzorger aan te nemen, en kan ze hern ook den naam en eere Van Dienaar des Woords wel laten behouden. Alleen dienen zulke predikanten dan steeds wel in het oog te houden, dat ze, zoolang er geen kerkelijk verband met deze stichtingen tot stand is gekomen, zich stipt hebben te onthouden van eiken schijn, alsof ze bij den geestelijken arbeid in deze stichtingen als »predikant« zouden optreden. Niet alleen, dat ze dus in zulke stichtingen het Sacrament niet mogen bedienen, maar ze mogen ook aan de godsdienstoefeningen, die ze daar houden, niet het karakter geven van een «bediening des Woords* bijv. door den zegen uit te spreken. Het bedienen, van het Woord en de Sacramenten, en ook het uitspreken van den zegen, kan alleen plaats vinden in een wettige samenkomst der gemeente, en zoolang deze stichtingen geheel los van de Kerk staan, kan de godsdienstoefening in zulk een gestichtskerk geen ander karakter dragen dan van het spreken van een stichtelijk woord. De bevoegdheid, die zulk een geestelijk verzorger als emeritus-predikant behoudt, om het Woord en de Sacramenten te bedienen, geldt derhalve niet voorde godsdienstoefeningen in deze stichtingen, maar, gelijk de Synode van 's-Gravenhage daarom uitdrukkelijk bepaalde, alleen dan, «wanneer ze op uitnoodiging van een Kerkeraad het Woord en de Sacramenten in eene gemeente bedienen.« .