Digibron.nl

Een naklank op het Joodsche wereldprogramma

Bron: De Wartburg
Datum: vrijdag 2 februari 1923
Auteur: K.
Pagina: 1, 2

Aanleiding tot nadenken geeft, wat 50 jaar geleden de Zwitsersche professor üodet over de Joden gezegd heeft en in no. 41, jaarg. 55 van 13 Oct. 1922 in „de Allgemeine Evangelisch Lutherische Kirchenzeitung” is meegedeeld. Het luidt als volgt:

„De doodelijke wond, waardoor het vijfde hoofd getroffen werd (Openb. 13:3), is de vernietiging van het volk Israëls door het Romein-sche zwaard in het jaar 70 en zijn verdwijning uit de rij der bestaande staten. Israël onder de volken verstrooid is het beest, dat geweest is, dat niet meer is (als volk) en dat wederom zijn zal (Openbaring 17:10). Zoo wordt eveneens Openb. 13:3 begrijpelijk. Daarmee kan slechts de herstelling van Israël als volk bedoeld zijn, ja nog meer, zijne verheffing aan de spits van de volken der aarde. Dit weer herstelde Israël wordt in zijn oppersten vertegenwoordiger, den valschen Messias, verheerlijkt, het is het achtste hoofd en tevens het dier zelf, dat uit de diepste afgronden der natuurlijke menschheid te voorschijn komt. Op dit achtste is toepasselijk: Het is van de zeven. Als vijfde hoofd werd Israël door het zesde, dat nu is, de Romeinsche macht, ten val gebracht. Maar voordat Israël zich weder verheft, moet de zevende komen, wiens heerschappij kort zal duren. Paulus verklaart in den 2en Brief aan de Thessalonikers, dat de Romeinsche macht, die in dien tijd de Joodsch-messiaansche beweging tegenhield, moest aan den kant gezet worden. Door wien moet dat geschieden? Door een of andere macht, die van haren kant spoedig voor den Anti-Christ zal wijken, nadat zij voor hem baan gebroken heeft. Dat is het zevende hoofd der Openbaring, hetwelk den overgang van de zesde (de Romeinsche macht) tot de heerschappij van den Anti-Christ vormt. Wij leven thans onder den invloed van wetten en instellingen, die als de overblijfsels van de Romeinsche staatsinstelling kunnen beschouwd worden. Die moeten uit den weg geruimd worden, opdat het laatste rijk, dat van den valschen Messias, zal kunnen verschijnen en dat is de taak der zevende macht. (Aanm.: Bolsjewismus, de „Russische mensch” van Spengler, het anarchistische, terroristische imperialisme van het communisme??) Na de voltooiïng van dit verwoestingswerk, zal de Anti-christ zich aan de onsamenhangende, wanhopig geworden menschheid voorstellen als verlosser der maatschappij. Hij zal slechts eischen, dat de menschen hem erkennen als de belichaming van den oneindigen en onbevvusten geest en dat zal de menschheid in haren toestand van afval gemakkelijk toelaten. Dan zal het tot verbazing der geheele wereld blijken, dat deze bezitter der hoogste macht een zoon van Israël is. Dit zal dan, in den persoon van zijn hoogen vertegenwoordiger weder opgestaan zijnde, bewijzen, dat Israël het eerste der volken is, aan hetwelk de heerschappij deiwereld behoort.

In het hart van Israël ligt het onderpand eener groote toekomst, de onverwoestbare hoop op de wereldheerschappij, die het in zich draagt. Het is zich bewust van zijn verheven taak. Het zal haar zeker vooraf op duivelsche wijze vervullen, voordat het op goddelijke wijze geschiedt. Dat is het gewone beloop der wereldgeschiedenis. De goddelijke gedachten nemen pas dan in de werkelijkheid eene gedaante aan, nadat zij als (duivelsche) karikatuur zijn opgetreden!

De Joden nemen reeds hier en daar de manieten van heerschers aan. Hoe zal het zijn een halve eeuw later? (Dit werd geschreven 40—50 jaar geleden). Ik had op zekeren dag een gesprek met een Rabbijn. Eindelijk zei ik tot hem: „Zal ik u eens mijn diepste gedachten verraden? Gijlieden zult eens onze tuchtroede zijn.” Met een koelen glimlach antwoordde hij mij: „Wij zijn het reeds!” (aldus 50 jaar geleden). Hij had gelijk. Hij wist hiervan blijkbaar meer dan ik. Hemann, die het tegenwoordige Joodsche gedoe volkomen doorziet, schrijft: „Wat de Joden kenmerkt, is het streven, om aan de spits van het moderne leven te treden. Dit volk schijnt aan een bepaald bevel te gehoorzamen en toch is er geen bevelhebber. Zij handelen als het ware instinktmatig. Op alle gebieden zijn zij werkzaam. Zij jubelen, dat er reeds zoovele Christenen tot hen komen, de buit van het vrijzinnige Christendom. Weldra zullen zij de humaniteitsreligie proclameeren.” De wervelwind, die heden de wereld voortsleurt, is de adem van den Joodschen geest. Het Joodsche geld beheerscht de maatschappij van Europa tot in de Vereenigde Staten. Een fijne opmerker (Osman Bey) heeft gezegd: „Er is niet één, die niet bewust of onbewust zijn cijns reeds aan deze macht betaalde.” Met den scepter van zijn goud beheerscht de Jood den staatkundigen toestand. De Joodsche geest leidt de godsdienstige en geestelijke beweging in den tegenwoordigen tijd. In vereeniging met de materialisten van alle landen roept de Jood, in koor met de duizenden, die hem overal ter beschikking staan: Broederlijkheid! Verdraagzaamheid!” En in ’t geheim smeedt hij de ketenen, waarin hij deze ellendige heidenen wil leggen, die in hunne zelfverblinding (laag) op hem neerzien. Weldra zal hij aan de ontkerstende massa’s den innerlijken steun aanbieden, dien zij behoeven. Nadat hij overal de

Anti-christelijke pogingen begunstigd en tot de overwinning geleid heeft, zal hij stoutmoedig den val van den Christus der heidenen verkondigen. De taak des Evangelies: om bij de heidenen de aanbidding van den God van Abraham te verbreiden, is vervuld. Dus kan het verdwijnen en Israël de vrucht van zijn werk oogs,ten. De laatste vergunning der Voorzienigheid aan den afgodsdienst der heidenen, de aanbidding van Jezus, moet vallen, dan zal de menschheid haar doel bereiken, zij zal Joodsch zijn! Dat hoopt de Jood en deze hoop spoort hem aan tot den arbeid. Men moet verblind zijn, om niet te zien, wart er al reeds gebeurd is en wat zich in deze richting een weg baant. Zooals Osman Bey zegt: „Er is nog maar een laatste omwenteling (de door het zevende hoofd aangeduide) noodig en hij (n.l. Israël) zal voor de volken treden en zeggen: „Aanbidt mij en ik zal u gelukkig maken.” Reeds drukt het Jodendom het gevoel zijner verheven zending in een blad aldus uit: „Israël overtreft door den overvloed zijner begaafdheid en van zijn aanleg alle andere volken. Israël is geroepen, om aan de menschen het heil te brengen. De tijden naderen, wanneer het huis zal vallen, de halve maan verdwijnen en de heidenen omtrent hunne afgoden onverschillig zullen worden.” En het einde zal de Israëlitische Messias zijn.

Het schijnt overeenkomstig de natuur te zijn, dat, evenals uit het Jodendom het beste is gesproten, wat de menschheid heeft voortgebracht, zoo ook van hetzelve het ergste zal uitgaan, war zij kan voortbrengen. Corrnptio optimi pessima. (De verdorvenheid van het beste is de slechtste (of ergste). Renan heeft terecht gezegd: „Het Joodsche volk vereenigt de uitersten in zich. Geen slechtigheid evenaart de Joodsche en toch zijn de besten van alle menschen Joden geweest. Men kan van dit volk zooveel goeds en kwaads zeggen als men maar wil. In de kunst van vloeken evenals van aanbidden is de Jood nummer één onder de menschen. Tot krachtdadig lasteren behoort een van huis uit godsdienstig karakter, dat van een afvallige. Slechts hij, die uit een heilig geslacht is voortgekomen, kan zich met een vurigen ijver aan de godddeloosheid overgeven. Daarom behoort aan de Joden op dit gebied geheel onbetwistbaar de heerschappij. Het Joodsche hart draagt nog steeds denzelfden overvloed van haat tegen Jezus Christus en het Evangelie in zich, waarvan het overschuimde, toen Paulus 2 Thess. 2:15, 16 schreef. Van den haat, die een menschenhart tegen het Evangelie kan vervullen, kan men zich onmogelijk een begrip maken, voordat men hem eens uit het oog van een Jood heeft zien uitstralen. Israël alleen heeft een Judas kunnen voortbrengen, het heeft ook alleen het ontzettende voorrecht, dengene voort te brengen, die gedurende een zekeren tijd het Godsrijk op aarde kan trotseeren.

De groote tegenstelling tusschen Joden en heidenen, die God zelf heeft gesticht en aan de ontwikkeling van zijn rijk in de menschen ten grondslag heeft gelegd, is voor ons de sleutel tot de voorspelling, zooals zij volgens Rom. 9—11 de sleutel is der geschiedenis.

Samengesteld naar de in de diepte doordringende scherpzinnige Bijbelstudiën van Fr. Godet, welke in het Fransch origineel voor het eerst vóór ongeveer 50 jaren zijn verschenen. Waarmee men kan vergelijken: „Het Joodsche wereldprogram van 1905, afgedrukt in de Allg. Evang. Luth. Kirchenzeitung 1921, no. 12, kolom 186 en 187.