Digibron.nl

Een vrouwenleven in Indonesië

Bron: Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk
Datum: zaterdag 1 oktober 1960
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 6, 7

Gaarne wil ik voldoen aan het verzoek van zr Gunning om iets uit mijn leven te vertellen voor het Zendingsblad, ofschoon ik niet weet, hoe en waarmee ik zou moeten beginnen. Deze gelegenheid mag ik echter niet voorbij laten gaan, omdat ik langs deze weg u allen kan danken voor uw medeleven zowel met het Evangeliesatiewerk in Indonesië als met mij persoonlijk.

Onwillekeurig begin ik terug te denken aan mijn kindertijd, de tijd, dat ik mij bevoorrecht mocht voelen, omdat ik ternauwernood, maar toch toegelaten werd als leerling van een Europese Lagere School. Mijn vader was n.I. Bestuursambtenaar. Thuis leerden wij volgens de traditie van die tijd ons te houden aan de beleefdheidsvormen tegenover de ouders en ouderen. Vader heeft mij ook geleerd wat gehoorzaamheid is. Hij was streng, maar op zijn manier toonde hij telkens, dat hij veel van ons hield. Na de 7e klas van de Eur. L. S. doorlopen te hebben, mocht ik op kosten van één van mijn oudere broers een school voor voortgezet onderwijs bezoeken. Hij maakte ernst met de zaak en zocht een goede Muloschool. Zijn keuze viel op de Salembaschool in Djakarta, mede doordat hij in de ruime voorgalerij een piano zag staan. Dat het een Christelijke school was, wist hij niet en interesseerde hem ook niet. Ik heb prettige herinneringen aan die Salembaschool-tijd.

Ik herinner me de tijd, toen ik met een Mulo-diploma in de zak op zoek ging naar een betrekking op een kantoor, terwijl ik eigenlijk door wou studeren voor dokter. Maar niemand in mijn omgeving vond dat een uitvoerbaar plan voor een jong meisje. Tijdens de daarop volgende kantoor-jaren in Bandung volgde ik in de middaguren een „stoomcursus” voor de acte Eur. Lager Ond. Daaraan heb ik het te danken, dat ik van werkkring veranderde.

IN HET SANATORIUM

Ik denk ook terug aan mijn verblijf in het Sanatorium te Patjet, waar ik ruim twee jaar de tijd had om te lezen en na te denken. Wat ik las? O.a. alle tijdschriften, die daar voor het grijpen lagen. Toevallig waren het Christelijke: „De Kerkbode”, „de Strijdkreet”, „De Zaaier”, „Meer Licht”, „De Kleine Bode”, „Timotheus”, enz. En ik begon in het Nieuwe Testament te lezen, dat in mijn bezit was, maar alleen nog maar de vier evangeliën. Na mijn herstel werkte ik als leerkracht aan de Hollands Soendanese Meisjesschool „Prinses Juliana” te Sukaburai met als collega’s o.a. Mejuffrouw Zijderveld, Mejuffrouw Ottow en Mejuffrouw Schmoller (nu Mevrouw Knoetsen) (1931—1942).

In 1938 werd ik gedoopt.

Weer later. De oorlog brak uit en zo kwam de tijd, dat ik de enig overgeblevene was, die vrij bleef, om de nalatenschap van alle Christen Europese vrienden, die geïnterneerd werden, te beheren. Ik gebruikte de resterende meubels van het internaat van de Prinses Julianaschool om weer een internaat te openen, eerst in Sukabumi, later voortgezet in Bogor. Onze bronnen van inkomsten waren gaven in natura en geld van de ouders van de kinderen en vrijwillige bijdragen van anderen (waar we niet om vroegen) en die steeds op tijd kwamen om ons uit de nood te helpen.

De leidsters waren jonge meisjes, o.a. oud leerlingen, die geen bepaald salaris ontvingen en die bereid waren om te helpen het evangelie door te geven aan kinderen op de Zondagsschool.

In Bogor was ik, behalve leidster van ons internaat, ook leerkracht van een Gouverneraentsschool. Misschien is het wel aardig om te vertellen, dat wij met de school op ’n bepaald moment moesten onderduiken. Mijn werkperiode eindigde daarmee, dat ik hoofd was van dezelfde kweekschool, die toen weer erkend was als Gouv. kweekschool. Daarop volgde mijn terugkeer naar Sukabumi met het doel, mijn krachten te geven aan werk, dat ten doel heeft het evangelie door te geven. Ik werd bestuurslid van de Perkumpulan Sekolah „Kehidupan Baru” („Nieuw Leven”) en hoofd van de lagere school, uitgaande van die vereniging.

GODS WERK GAAT DOOR

En nu … Ik zou eigenlijk over elke periode van mijn leven veel meer kunnen vertellen, maar ik wil het hierbij laten. Voor mij is belangrijk, dat ik duidelijk zie, dat God trouw doorgaat met Zijn eens begonnen werk. Dat wij van onze kant altijd bereid moeten zijn, Zijn stem te herkennen en te gehoorzamen in telkens heel nieuwe en schijnbaar tegenstrijdige omstandigheden. B.v. Ik heb het moeilijk gevonden om het werk aan de Gouv. kweekschool, die mij lief geworden was, en die wij ook door Gods genade, samen tot bloei hadden gebracht, neer te leggen en zo neer te leggen, dat mijn vrienden en medewerkers het konden overnemen en voortzetten, omdat alles op orde was.

Over het werk, waar ik nu inzit kan ik kort zijn, want uit de rondzendbrieven van Mejuffrouw Zijderveld weten velen van u, dat wij in een internaat wonen en dat wij daarnaast, als leden van het Bestuur van onze scholen, mede leiding hebben te geven aan de leerktachten daarvan. De Synode van de Soendanese Kerk heeft ons ook gelegenheid gegeven om te helpen zoeken naar wegen, waardoor de vrouwelijke leden van onze kerk meer inzicht krygen in wat van hen verwacht wordt als lidmaten van de kerk. Wij vormen n.l. met nog drie andere Soendanese dames de „Seksi Wanita” (Sektie Vrouwenwerk) van de Synode van de Soendanese kerk. Er zijn enkele dingen, waarop volgens mij alle aandacht moet vallen op elk terrein van onze activiteit. Eén er van is: Geef de jongeren de volle gelegenheid om zich te oriënteren en te bekwamen, om straks te helpen nieuw leven te brengen in kerk en maatschappij. B.v. laten er trainingskampen gehouden worden, waar in de eerste plaats nodig zijn leiders en leidsters, die richting kunnen geven en ervaring hebben van de practijk. Bij de uitvoering van plannen in die richting hebben wij niet alleen te kampen met de moeilijkheid van te weinig Leiders, maar ook met een tekort aan geschikte oorden om zulke kampen voor verschillende groepen te organiseren. Wat zou ik graag een studie-centrum willen zien verrijzen in Indonesië in de trant van de „Ernst Sillem Hoeve” „Lee Abbey”, of „Bossey”.

DE JEUGD

Nog vers in mijn geheugen liggen de verbindende reacties van de jongeren tijdens het trainingskamp in maart 1.1. in Sukabumi. Dat was een kamp georganiseerd door de Seksie Wanita, de Seksie Pemuda (jongeren) en de Seksie Sekolah Minggu (zondagsschool) van de Synode van de Soendanese Kerk. Met verblijdende reacties van de kant van de jongeren bedoel ik o.a.: Er kwamen 80 in plaats van 40 deelnemers (het hoogste aantal waar we gedacht hadden op te moeten rekenen). De voorstellen, die gedaan werden door hen in verband met het follow-up werk na het kamp, waren gezond en op de practijk gericht. Een van de voorstellen was: een kamp als dit moet twee maal per jaar gehouden worden, (besloten werd om het 1 maal per jaar te doen). Een ander voorstel: Er moet gezorgd worden voor meer en betere handleidingen ten dienste van leiders van Zondagsscholen. Iets anders, dat m.i. heel belangrijk is in allerlei Christelijk werk, en dat dikwijls uit het oog verloren wordt, is het volgende: Wij moeten zorgen voor een sfeer, waarin het mogelijk is, om het evangelie door te geven. Die sfeer moet er zijn, zowel in de kring van de bestuursleden van een vereniging, als in de verhouding van bestuursleden en leerkrachten, zowel onder de leiders en leidsters van een internaat, als in de verhouding van leiders en kinderen. Kort gezegd er moet in elke organisatie of werkgemeenschap een team zijn, dat hiervoor zich verantwoordelijk voelt en weet, dat evangelisatiewerk gedragen moet worden door gemeenschappelijk gebed en gemeenschappelijke gehoorzaamheid aan Gods Woord.

Gaarne wil ik eindigen met u Gods zegen toe te wensen op uw werk. Uw Vrouwenzendingsdag willen wij ook in onze kringen gedenken.