Digibron.nl

Tips en trucs voor vogelaars

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 25 oktober 1996
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 8   (NATUUR)

Wi e rond zijn tiende of twaalfde met vogelen begint, zit volgens Vic Langenhoff in een gunstige positie. Op die leeftijd prentje je de vogelgeluiden moeiteloos in, aldus de schrijver van het boek “Wegwijzer voor aankomende vogelaars”. Bent u te oud? Welnee. Heel veel waarnemingen komen neer op goed kijken op de juiste plek en met de juiste hulpmiddelen.

Voordat ik Langenhoffs boek onder de loep neem, wijs ik op een vogelboek waarvan alleen de titel je al verdrietig zou kunnen stemmen: “Bedreigde en kwetsbare vogels fn Nederland”. Tom van Ewijk is de auteur, Ulco Glimmerveen de illustrator. De inhoud laat weinig heel van een positief mensbeeld. Een citaat: „...momenteel lijkt het er sterk op dat homo sapiens niet is opgewassen tegen zijn eigen uitvindingen en dat deze hem anno nu in versneld tempo tot een primitieve en agressieve homo rabiens degraderen”. Van Ewijk heeft het dus over de mens, die hij in een moralisusch stukje ook als doldrieste primaat aanduidt. De bewoordingen hadden hier en daar wat gekuist mogen worden, de boodschap is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: wij hebben de achteruitgang van tientallen vogels op ons geweten. Van het baardmannetje tot de zwarte stern. Opvallend is dat veruit de meest bedreigde en/of kwetsbare soorten afhankelijk zijn van vochtige tot zeer waterrijke leefgebieden, de zogeheten wetlands.

Van Ewiik ontleent de cijfers, feiten en aanbevelingen in zijn boek aan de in 1994 door Vogelbescherming Nederland uitgebrachte Rode Lijst. De natuurjournalist splitst de gevederde zielepieten uit per biotoop. De plevieren en sternen horen bij “Kust en wadden”, de kwak en het woudaapje bij “Riet, moerassen en vochtige duinvalleien”, terwijl de hop en de roodborsttapuit een plaats krijgen in het “Agrarisch cultuurlandschap”.

Overigens voegde Van Ewijk aan het boek ook het hoofdstukje “Vogels waar het goed mee gaat” toe. Terecht, want hun aantal is ook niet gering. De soorten die het voor de wind gaat, zijn merendeels vogels die op de een of andere wijze gebruik weten te maken van door de mens geboden mogelijkheden, constateert Vogelbescherming. Voorbeelden: meeuw, kraai, fuut, maar ook bosuil, specht, waterspreeuw, nachtegaal (in de duinen) en wespendief (in Drenthe). Voor het merendeel kunnen zij tot de zogenaamde cultuurvolgers worden gerekend.

Achtertuin

In Nederland zijn maar liefst 360 vogelsoorten - na aftrek van de ‘bijzondere’ soorten nog ruim 300- waar te nemen. Althans, als je oog voor ze hebt. Je hoort echter de meeste vogels eerder dan dat je ze ziet. Als je ze ziet, dan nog bieden beschrijvingen van kleuren en afmetingen niet altijd soelaas. Sommige vogels lijken nu eenmaal sprekend op elkaar. Vandaar les 1 van Langenhoff:

„Die 300 soorten zitten natuurlijk niet met z’n allen op een kluitje en ze vliegen ook niet overal lukraak rond. Om te beginnen brengen de seizoenen al een beperking aan: ‘s winters zijn er maximaal 213 en in de zomer hooguit 258, waarvan er ’ maar’ 174 regelmatig in Nederland broeden”. Langenhoff adviseert de beginneling dan ook niet ineens in april of mei in het diepe te springen, maar in januari geleidelijk te beginnen. In de eigen achtertuin.

„Op die maniet krijg je het hoofdprogramma van de meeste zangers in twee seizoenen onder de knie”, schrijft hij optimistisch. „In de winter is het aantal soorten relatief klein, het landschap is kaal en de meeste vogels zijn niet schuw, of onderdrukken hun schuwheid omdat voedsel vergaren en energie sparen belangrijker zijn om te overleven dan voortdurend vluch\ ten”. Om de aankomende vogelaar attent te maken op wat hij in een bepaalde maand vrijwel zeker te zien en te horen kan krijgen, bevat het boek een handige vogelkalender.

Bewegingen

Voor een tweede ordening zorgden de biotopen, de leefplaatsen. „Er zijn bijvoorbeeld typische riet- en moerasvogels, die je nooit op straat zult zien lopen, en typische duin- en strandvogels, die nooit in het binnenland komen’ . Wie veel verschillende soorten wil waarnemen, moet naar Schiermonnikoog. „Daar liggen alle typen biotopen dicht bij elkaar. Terwijl in mei er nog een aantal late wintergasten verblijft, komen de eerste zomergasten al binnen .

Langenhoffs boek, waarin overigens prachtige gouaches van Jan Weenink zijn opgenomen, staat vol tips en trucs. Bijvoorbeeld over karakteristieke bewegingen, waaraan vogels vaak gemakkelijker zijn te herkennen dan aan hun verenkleed. „Een typisch silhouet blijft ook bij tegenlicht herkenbaar en typische bewegmgen verraden een soort, ook als de vorm van zijn snavel of de kenmerkende wenkbrauwstreep niet te zien zijn. Een bolvormig vogeltje, nauwelijks kleiner dan een mus, dat telkens plotseling ’ dwangmatig’ door de knieën knikt, is een roodborst en een even groot, maar slanker ogend vogeltje dat telkens, vooral bij het neerstrijken, zijn staart laat trillen, is een roodstaart, daarvoor hoefje geen kleuren te „ zien .

N.a.v. “Wegwijzer voor aankomende vogelaais”, door Vic Langenhoff; uitg. Scheffers, Utrecht, 1996; 176 biz.; ƒ 39,90; “Bedreigde en kwetsbare vogels in Nederland”, door Tom van Ewijk; uitg. Schuyt & Co, Haarlem, 1996; 128 bk.; ƒ 39,90.