Digibron.nl

Gedachten uit het verleden

Bron: De Saambinder
Datum: donderdag 16 november 1950
Auteur: ds. J. van de Berg
Pagina: 2

In ons vorig artikel hebben we er reeds op gewezen, dat de strijd omtrent de viering van de Sabbath een zeer hevige geweest is. Dat men die ook met Socinianen en andere ketters heeft te kampen gehad, laten we liggen. De strijd werd gestreden op Geref. erve. Daar waren de meningen verdeeld, hoewel de meesten de moraliteit in het vierde gebod voorstonden. Indien er al verschil van mening bestond over de feestdagen, dan zijn ze toch geen punt van strijd geweest, al stonden b.v. Koelman en Ridderus te deze opzichte niet op één lijn. Beiden waren echter, dezelfde mening toegedaan wat de Zondag betreft. Het is natuurlijk onmogelijk alles te beschrijven wat hier bijeengebracht kon worden. Die daar meer van lezen wil, die schaffe zich aan het reeds door mij geciteerde werk van Dr. Visser, welke op dit onderwerp promoveerde, en hij zal een pracht overzicht krijgen van de betreffende materie. Wij bepalen ons tot Teelinck. Deze aangelegenheid was reeds een punt van bespreking geweest op de synoden van Zeeland en vandaar kwam ze ter Dordtse Synode. Het mag als bekend worden verondersteld hoe onze vaderen op de grote synode van Dordt over de Sabbath dachten. Men zag er een ceremoniële en morele strekking in. In het algemeen veroordeelde men alle slaafse arbeid, doch stelde eveneens vast dit er werken van noodzakelijkheid waren. Breed is er ter synode over gesproken. Nadien is er evenwel nog niet het zwijgen aan toegedaan. Integendeel, het scheen of nu de gemoederen pas los kwamen omtrent deze zaken. In de eerste tien jaren na de synode althans werd op de classe Walcheren telkenmale deze zaak weer behandeld. Het moge ons niet verwonderen dat hierbij Teelinck betrokken werd. Door de voortdurende zonde-uitspattingen op de dag des Heeren zag de synode van Goes 1620 zich geroepen er bij de overheid op aan te dringen hieraan paal en perk te stellen. Men zond een uitgebreid stuk aan de Staten, hetgeen te lang is hier weer te geven. Met klem wordt er bij de overheid op aangedrongen de zonden tegen te gaan, vooral ook de Paapse feestdagen te verbieden, wijl de Heere God schrikkelijk toornt tegen de overtreding van dit gebod, hetwelk van niet minder betekenis is dan de andere geboden. Er wordt gezegd: Dat de dag des Heeren in de plaats van de Sabbath der Joden gekomen is, door der Apostelen ordonnantie. Daarvan schrijft Augustinus, zo de ongelukzalige Joden, met zo grote devotie hun Sabbath houden, dat ze daarin geen aardse werken oefenen, hoeveel te meer moeten de christenen op de dag des Heeren hen Gode alleen toeëigenen. Bij al de besprekingen dienaangaande schenen de broeders het niet erg eens te kunnen worden over de viering van de Sabbath. Dit gaf tenslotte aanleiding om persoonlijk te gaan schrijven. Teelinck was van hetzelfde gevoelen als Udemans omtrent de viering van de eerste dag der week. Hij stond gelijk we reeds terloops opmerkten op het Puriteinse standpunt van een strenge Sabbathsviering. Dit komt vooral uit in de voorrede welke hij plaatste in het werk: Huisboek. Hierin geeft hij een uitvoerig verslag van de orde welke men  gebruikte in het gezin waar hij in Engeland vertoefde. Daar werd de dag des Heeren doorgebracht met kerkgang, bespreking van de preek, meditatie enz. Nadat hij reeds enkele malen persoonlijk geklaagd had over de schrikkelijke ontheiliging van Gods dag, verscheen in 1662 van zijn hand het: De rusttijd of tractaat over de onderhouding van de christelijke Rustdag, die men gewoonlijk de Zondag noemt. Hetgeen hem tot het schrijven van dit uiterst belangrijke werk drong, geeft hij zelf weer in deze woorden: „Zo wie slechts een weinig acht geeft op de gelegenheid der christenen, die zal straks mogen gewaar worden, dat op de christelijke rustdag onder al de dagen van de .week, in vele plaatsen allermeest onchristelijke onrust, en zondige woel gepleegd wordt; want daar nauwelijks op al de andere dagen van de week tegelijk zoveel geile dertelheid, zoveel overdaad, pracht en praal, zoveel klapperij, drinkerij, tuischerij, zoveel vechterij, hoererij, straatschenderij en andere ongelukken meer, hooggaande zonden, en werken der duisternis gepleegd worden, alswel op des Heeren heilige dag, op onze christelijke rustdag, zodat de Zondag waarlijk een zondedag, en een heilloze, onrustige dag des duivels wordt." Hieruit is het duidelijk hoe het in Teelinck's dagen reeds was. O indien de man in onze dagen zijn ogen kon opslaan. Hij zou er van schrikken en beven. Een grote gruwel der zonde en uitbarsting van ongerechtigheid wordt allerwege openbaar. Voetius heeft het werk zeer geprezen, al gaat hij in alles niet met Teelinck accoord. Ik moet daar nog wat op nakijken, wijl Voetius daarover schreef in een. voorrede die hij plaatste voor Teelinck's werk over Rom. 7, welk boekje ik juist van een vriend van mij vandaag ter inzage kreeg. Ik wil deze vriend, alsmede nog anderen, die mij welwillend enkele boeken van Teelinck in bruikleen afstonden, hartelijk dank zeggen.

Utrecht.