Digibron.nl

ZONDAG 47 DE EERSTE BEDE

Bron: De Saambinder
Datum: donderdag 1 oktober 1987
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 2

OM DE LEER

In zondag 47 wordt gevraagd: "Welke is de eerste bede? " Wat zou onze eerste bede zijn? Er is een spreekwoord dat zegt: "Zoveel hoofden, zoveel zinnen". Wat de een belangrijk vindt, vindt een ander helemaal niet belangrijk. De een zou de voorrang verlenen aan dit en een ander weer aan wat anders. De Heere Jezus weet echter de mening des Geestes. De Naam des Heeren heeft de voorrang. Die Naam moet geheiligd worden. Om Gods Naam te heiligen, is echter kennis van God nodig.

We lezen dan ook in het antwoord op vraag 122: "Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen". Er is veel kennis die geen rechte kennis is. Adam bezat in de staat der rechtheid rechte kennis van God, maar die kennis is hij verloren. Door de zonde is de mens verduisterd geworden in het verstand, zijn hartstochten zijn ongeregeld en zijn wandel is zondig. De natuurlijke Godskennis die de mens heeft overgehouden uit het paradijs, is vaag. De mens wordt met een bewustzijn van een Godsbestaan geboren. Dat noemen wij een ingeschapen Godskennis.

Paulus zegt in Romeinen 1:19: Overmits hetgeen van God kennelijk is, in het openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard". Bij de ingeschapen Godskennis heeft de mens ook een verkregen kennis die hij haalt uit de schepselen buiten hem.

David zegt in Psalm 19: "De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan de dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan de nacht toont wetenschap".

De kennis waarvan onze catechismus spreekt, is de bovennatuurlijke Godskennis die vrucht is van de verlichting van de Heilige Geest. De Bijbelheiligen hadden kennis aan de Naam van God. Zij heiligden die Naam.

Mozes en Jozua stonden op de bres voor de heiliging van Gods Naam. Toen Israël voor het aangezicht van de mannen van Ai geslagen werd, scheurde Jozua zijn klederen en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des Heeren. De leider van het volk zei onder anderen in zijn gebed tot God: "Als het de Kanaanieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen en onze naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen? " Het wordt ons door de dichters en profeten steeds voorgehouden dat de Heere het nooit doet om onzentwil, maar altijd om Zijns groten Naams wil. Zo zingt de dichter van Psalm 79:

Help ons, barmhartig Heer' Uw groten Naam ter eer.

Wat veronderstelt rechte kennis van God? Zullen we de Heere recht kennen dan is ons nodig de levendmaking door Zijn Geest. Zonder de wedergeboorte is er geen rechte kennis. Christus zegt in Zijn hogepriesterlijk gebed: "En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt".

Er is een spreekwoord dat zegt: "Onbekend maakt onbemind". Hoe kunnen wij iemand liefhebben die wij niet kennen? Dan zullen we eerst van zo iemand moeten horen. Paulus zegt: "En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? " De grote Herder der schapen zegt: "En Ik ken de Mijnen en wordt van de Mijnen gekend".

Wat brengt nu de rechte kennis van God mee? Een zien van de grootheid Gods in al Zijn werken. Elk mens die niet blind is, ziet de werken Gods. De vraag is nu of we God zien in al Zijn werken. Zien we Hem in het opgaan van de zon? Zien we Hem in het lichten van de maan en in het flonkeren van de sterren? De dichter van het sabbatslied zegt: "Een onvemuftig man weet er niet van en een dwaas verstaat ditzelve niet".

Gods deugden schijnen in al Zijn werken. De verdorven mens wil dit echter niet zien. Er is enerzijds een dom negeren van de grootheid Gods en anderzijds een wetenschappelijk streven om alles te verklaren. Van beide moet helaas gezegd worden dat de rechte Godskennis ontbreekt. Als ik God niet ken, zal ik Hem ook niet roemen en prijzen. Zien we Zijn almachtigheid niet in het rijk der natuur?

De almacht Gods wekke ontzag in onze harten. Hij schiep hemel, zee en aarde uit niets. De dichter van Psalm 148 zingt:

Gij, bergen, hemels, landen, stromen Gij dierb're vrucht-en cederbomen Looft, looft des Scheppers oppermacht Die u uit niet heeft voortgebracht.

Zien we Gods wijsheid in al Zijn werken? Is Hij niet de alleenwijze God? De dichter van Psalm 104 zegt: "Hoe groot zijn Uw werken, o Heere; Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen".

En wat te zeggen van Gods goedheid? Hebt u ooit in uw leven een indruk gehad van Gods goedheid? De Heere is aan allen goed en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken. Doet Hij het gras niet uitspruiten op de bergen en het brood uit de aarde voortkomen? Onderhoudt Hij niet mensen en beesten? David zegt in Psalm 36: "O Heere; Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe".

Gods goedheid paart zich aan Zijn gerechtigheid. Er zijn tweeërlei werken Gods. Werken in het rijk der natuur en werken in het rijk der genade. In het rijk der genade blijkt wel in het bijzonder Gods gerechtigheid. Naar recht ligt de mens verloren en naar recht keurt de Heere Zijn volk niet schuldig. De gezegende Borg en Zaligmaker heeft aan het recht Gods genoeg gedaan. Sion wordt door recht verlost. In Gods werken schijnt ook klaarlijk Zijn barmhartigheid en waarheid. God is rijk in barmhartigheid en groot in liefde.

Maar God is ook waar. Vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods kon niet anders voor de zonde betaald worden dan door de dood des Zoons van God. De verloste Kerk zal Hem daarvoor hier in beginsel en straks volmaakt eeuwig heiligen, roemen en prijzen. De grijze Ethan zegt: "Ik zal de goedertierenheid des Heeren eeuwiglijk zingen; Ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken van geslacht tot geslacht".

Het slot van het antwoord op vraag 122 luidt: "Daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde."

De opstellers van onze catechismus gebruiken een beeld. Het beeld namelijk van een boog. De pijl wordt geschikt en daarna gericht. Doen we dat niet goed, dan schieten we ons doel voorbij. Wat is het doel van deze beeldspraak? Dat we hebben te leven tot Gods eer. Als een kind niet oppast, zeggen de mensen van zo'n kind: "Die leeft niet tot eer van zijn ouders". Gods kinderen moeten leven tot eer van hun hemelse Vader. Hoe luidde de aanspraak van het gebed ook al weer? Onze Vader Die in de hemelen zijt. Geef, Vader, dat ik U ter ere leven mag. Geef, dat ik geen oorzaak zij van lastering van Uw Naam. Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen. Want de wereld observeert. Als een kind van God in zonde valt spert de vijand zijn mond open. Dan wordt er ge-