Digibron.nl

ELIA DOOR OBADJA ONTMOET

Bron: De Wachter Sions
Datum: vrijdag 8 juli 1955
Auteur: A.
Pagina: 3, 4

En Achab had Obadja, den hofmeester, geroepen; (en Obadja was den Heere zeer Vreezende; enz. 1 Koningen 18 : 3—7

Geliefde lezers. Ik wil opnieuw de pen opnemen om u iets te schrijven over Elia. Ditmaal over de ontmoeting met Obadja. Wat heeft de Heere toch veel in Zijn Woord laten optekenen. En allereerst wel tot onze lering. We mochten maar leergierig gemaakt worden om Gods Woord biddend te onderzoeken. We lezen zo menigmaal Gods Woord zonder acht te geven op de kostelijke inhoud. We vragen zo weinig: wat heeft dat Woord nu tot mij te zeggen? We slaan Gods Woord zo menigmaal weer dicht zonder dat er enige indrukken in ons hart van achter blijven. We lezen Gods lieve Woord vaak met minder aandacht als dat we de nieuwsbladen lezen. Gods Woord heeft ons wat te zeggen. De geschiedenissen staan niet voor niets opgetekend. Zo ook niet dit gedeelte wat we nu willen naspeuren. Doch daar Gods Woord een verzegeld boek is, moet de Heere de heilgeheimen voor ons open-

baren en ontsluiten die daarin verborgen liggen. Dat mag toch wel eens een enkel keertje gebeuren. Wat lezen we dan de Schrift toch anders als voorheen. Wat gaat er dan een kracht van uit. Wat een zoetigheid kan er dan in dat Ueve Woord te smaken zijn. Dat kan ons dan wel eens zo verwonderen, dat we zeggen: Heeft dat er nu altijd gestaan? Ik begrijp niet dat ik daar altijd overheen gelezen heb. Ik mag toch geloven dat er zulke Bijbellezers ook nog onder ons gevonden mogen worden. De Heere mocht ook de ogen der onbekeerden eens openen, opdat zij eens lezen zouden tot hun eeuwig heil. De Heere wil toch dat wij de Schriften zullen onderzoeken. En het is geen best bewijs als we de Bijbel zo makkelijk dicht kunnen laten. Als de Heere nieuw leven in onze ziel verwekt, dan grijpen we toch zeer zeker naar het Woord van God. Menigmaal in het Verborgen dat niemand het ziet of weet. En dan gebeurt het wel eens dat het oog vochtig wordt van aandoening. Hoe wonderbaar is toch Gods getuigenis. Welnu, we willen ook dit Schriftgedeelte eens nauwkeurig met elkander nalezen. En Achab had Obadja, den hofmeester geroepen. Deze zin begint met het woordje en. Dat woordje wijst terug op hetgeen waarover ik vorige maal geschreven heb. Dat de Heere Elia gezonden had naar Achab, en Elia op weg was om zich Achab te vertonen. En de honger sterk was in Samaria. In diezelfde tijd was het dus dat Obadja door koning Achab werd geroepen.' De koning heeft hem nodig in deze benauwde tijd. Dat zal uit de geschiedenis blijken met welk doel de koning hem riep. We willen eerst eens onderzoeken wie Obadja was. Obadja is geen onbekende naam in de Bijbel. We hebben ook een Bijbelboek van de profeet Obadja. De naam Obadja betekent: Knecht van Jehovah. Wat een kostelijke naam draagt deze hofmeester van Achab. Zou Achab die naam verstaan hebben? Zou Obadja waarhjk een knecht des Heeren geweest zijn?

Over het laatste laat de Schrift ons niet onkundig. De Heere heeft van Obadja laten optekenen, dat hij was de Heere zeer vrezende. Obadja droeg dus maar niet alleen een mooie naam, maar hij was inderdaad een knecht des Heeren. Hoevelen vinden we in de Bijbel vermeld die een schone naam dragen en het tegendeel uitleefden. Denk maar aan Absalom, hetwelk betekent: Vader des Vredes. En hij was een kind van oproer. Denk aan Rehabeam, d.w.z. rijksvermeerderaar. En juist onder hem is het rijk Israël vaneen gescheurd. En Naomi, hetwelk betekent schoon, aangenaam. Zijzelf wilden zo niet meer genoemd worden. Zij zeide: Noem mij niet meer Naomi, maar Mara. En hoevelen dragen ook in onze tijd een schoon klinkende naam van Christus, d.w.z. de zalving van Christus deelachtig te zijn ... dus profeet, priester en koning te zijn. En wat is de uitleving? Moet ik u daarover nog schrijven? Het is bijna niet anders meer als een naam Christendom, dat Christus verloochent, verwerpt en vijandig is. De naam christen of christelijk dekt de ganse lading. Het is in onze dagen alles christelijk. Christelijk voetbal, film, dans. Christelijke clubs, reisverenigingen, bonden enz. Te veel om alles te noemen. Doch het is alles buiten en zonder Christus. Terecht zou gezegd kunnen worden: Ge hebt de naam dat ge leeft, maar ge zijt dood. Waar vindt ge nog de oprechte Obadja's, knechten des Heeren? We kunnen toch niet God dienen en de wereld. Wat een voorrecht als we een ware Obadja zijn gemaakt. Van nature is toch niemand meer een dienstknecht of een dienstmaagd des Heeren. We zijn zondeslaven geworden. We hebben geen lust om God te dienen. Die dienst is te zwaar, te eng, te ouderwets, te bekrompen. We willen nog wel een godsdienst, maar dan zo dat het vlees volop kan genieten. Er moet een Godswonder aan ons gebeuren zullen we ooit Hem dienen. Mag ik u eens vragen, geliefde lezers, zijt gij al een dienstknecht of een dienstmaagd des Heeren? Is u de zondedienst als eens moede geworden? Zijt ge ooit van dienst veranderd? Hebt ge in uw leven ooit oprecht en gewilHg gekozen om God te dienen? De wereld de rug toegekeerd en de Heere hart en hand gegeven? Er zijn toch nog enkelingen die dat niet ontkennen kunnen. Die in oprechtheid uitgeroepen hebben: Heere, hartelijk zal ik U hefhebben. Dit hebben berouw gekregen over hun voorgaande leven. Die kregen een andere levenslust, een ander levensdoel, ^en andere levenskrLng en een andere levensopenbaring. Dan is u de dienst des Heren een liefdedienst geworden. Neen, dat is geen zware dienst. Dan zult ge ook van harte kunnen instemmen: Uw üefdedienst heeft mij nog nooit verdroten. Van dezulken mag ook gezegd worden, dat zij de Heere zijn vrezende. De vreze des Heren is toch het beginsel der wijsheid. God verwekt in de harten van Zijn uitverkoren volk de lust om de Heere te vrezen. Dat is maar niet wat uiterüjke godsdienst waar al het werelds gedoe mee gepaard kan gaan. Neen, dat is God te dienen in geest en in waarheid. Dan houden we niet veel vrienden over. Dan kunnen we met alles niet meer meedoen. Dan wordt de poort eng en de weg nauw die uw leven leidt. Dat is een godsdienst overeenkomstig Gods Woord en Wet. Dat is in beginsel een leven tot Gods eer. Het opmerkelijke is, dat Obadja hofmeester is van koning Achab. Hij bekleedde dus een zeer hoge positie aan het koninklijke hof. Niet velen van Gods kinderen komen tot zulk een eer. De meesten van Gods volk behoren tot de eenvoudige burgerstand. Gods Woord zegt ons: Niet vele rijken en niet vele edelen. Toch zijn er uitzonderingen, zoals Obadja er ook een was. En ik vind het nog wel een groot voorrecht als de Heere sommige van zijn kinderen met wijsheid en gave bedeelt om dienstbaar te kunnen zijn aan een der koninklijke hoven of in 's lands vergaderzalen, of ook in andere betrekkingen een vooraanstaande positie kunnen innemen. Dat is nog een voorrecht. Het is zeker droevig als al de leidende figuren mensen zijn die om geen God of gebod geven.

Daar hebben we toch zeker geen heil van te verwachten. Dat worden wij ook in onze tijd maar al te veel gewaar. Nog opvallender is het dat Obadja, die de Heere zeer was vrezende, hofmeester was bij de goddeloze koning Achab. Wat bewoog Achab om zulk een man in zijn dienst te nemen? Om hem zulk een hoge positie toe te vertrouwen? Daar is toch zeker wel aanleiding toe geweest. Niet dat Achab zoveel op had met de ware godsdienst. Neen, daar moest hij niets van hebben. Dat toont ons de geschiedenis die we met elkander overdenken. Toch heeft Achab zeer groot vertrouwen geschonken in Obadja. En al was Achab het met de godsdienst van Obadja niet eens, toch wilde hij zulk een man wel in zijn dienst hebben. Dat heeft ook wat te zeggen tot ons. Hoevelen die de naam van Christus dragen en die tfien toch niet vertrouwen kan, worden niet gaarne in dienst genomen. Hoe komt dat? Wel, dan zijn ze niet Godvrezende, niet eerlijk, niet oprecht, niet getrouw in hun dienst. Ongodsdienstige mensen beschamen soms in hun werk de naam christendom. Dat is jammer. Dat moest alzo niet zijn. De Godsvrees moet ook openbaar komen naar buiten in ons werk, waar het dan ook is. Zo was het bij Jozef die door Farao aangesteld werd als regent over gans Egypte. En ook in Babel kregen Daniël en zijn drie vrienden een zeer vooraanstaande positie. We zien dus dat het meerdere malen is voorgekomen. Het kan dus dat een Godsvrezend man een vooraanstaande plaats bekleed. Of Obadja het daar makkelijk zal gehad hebben, dat is wat anders. In zulke hoge kringen is het niet zo eenvoudig om dan standvastig te blijven en God te vrezen. De verleidingen zijn vele. De spot en smaad met de godsdienst soms groot. Dan valt het niet mee orh altijd getrouw te zijn overeenkomstig Gods Woord. We zijn geneigd om te vragen: Obadja, hoe heb je het daar toch uit kunnen houden? En man, hoe hebben ze je toch geduld? Wat een goddeloze boel was het toch in Achabs hofhouding. Wat was het een tijd van diep verval. Daarbij nog de goddeloze Izebel die de profeten des Heeren uitroeide. Er was openbare geloofsvervolging. Obadja, de hofmeester, hadden ze toch nog niet durven ombrengen. Neen, de vijanden kunnen ook niet doen wat ze willen. Het is maar tot zoverre het de Heere toelaat. We mogen zeker aannemen dat Obadja van Godswege daar aan het hof heeft moeten zijn in die dagen. De vijand heeft Gods profeten geheel willen uitroeien. Maar de Heere heeft gezegd dat er nog gespaard bleven. Obadja heeft honderd profeten genomen en verborg hen bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water.

T.