Digibron.nl

TOELICHTING OP DE DORDTSE KERKENORDENING

Bron: De Wachter Sions
Datum: vrijdag 1 januari 1965
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 3

Art. 76. De kleine ban of de afhouding van het H. Avondmaal. (vervolg)

Baat tenslotte niets en blijft de verharde zondaar lid van de gemeente, dan komt tenslotte de laatste remedie, de afsnijding van de gemeente bij zuiver naar den Woorde Gods voortgezette tutchtoefening. Deze afsnijding of mtsluiting gaat dan verder, is maar niet een uitsluiting van het H. Avondmaal, maar een Sluiten buiten de gemeenschap der gemeente. Dan zij hij u als de heiden en de tollenaar.

Deze afsnijding moet echter zijn volgens de forme naar den Woorde Gods, daartoe gesteld, zoals art. 76 vervolgt. Er wordt dus voor de verdere gang verwezen naar het formuHer „des Bans of der afsnijding van de Gemeente", welk formulier voorkomt achter in het kerkboek na het formulier van het Heilig Avondmaal.

Onderscheiden Synoden hadden tevoren al • over de tucht en de wijze van uitoefening er van gehandeld. Zo had het Wezel's Convent al uitvoerig de censure behandeld, en zelfs een lijst van vergrijpen betreffende de predikanten gegeven. Ook de Synode van Embden sprak er in de brede over en bepaalde, art. 31, dat de kerkedienaar het gebruik en het einde of doel van de ban breedop zou verklaren, en de gelovigen vermanen, dat ze geen al te gemene en onnodige conversatie en gezelschap met de verbannene zouden hebben, maar zijn gezelschap schuwen, om hem daardoor tot verootmoediging en bekering te brengen.

Ook Dordt, 1574 en 1578, gaven verschillende bepalingen. Maar eenheid was er nog niet, met name niet wat betreft het formulier, dat gebruikt moest worden bij de afsnijding van de gemeente, waar Datheen er geen voor opgenomen had in zijn hturgie, en er ook zelf nog geen had aangetroffen in de liturgie van de Paltz.

De Middelburgse Synode van 1581 trachtte echter eenheid te krijgen in de wijze van afsnijding. Zij stelde een kort formulier op, en riedt het aan om als model te dienen.

Vervolgens komt de Synode van 's Gravenhage, 1586. Daarin wordt eerst mededehng gedaan van de onbekeerlijkheid van de overtreder, waarop al dadelijk volgt de aankondiging van de uitsluiting. Dan komt de Synode van 's Gravenhage, 1586. Daar wordt dan het formulier opgesteld en aanvaard, zoals het nog geldig is, en daarbij ook het formulier van de wederopneming, waar ook de Synode van Dordt, 1618/19, geen wijziging er in aanbracht. Alleen werd daar bepaald, dat het direct volgen zal in het kerkboek op het formuher van het H. Avondmaal.

Het formulier van de ban bestaat uit deze drie delen:

1. De mededeling van de onbekeerlijkheid van de overtreder en van de noodzakelijkheid van zijn afsnijding.

2. De handeling van de afsnijding zelf, die aldus luidt: Daarom wij. Dienaars en voorstanders der gemeente Gods alhier, vergaderd zijnde in de naam en de macht van onze Heere Jezus Christus, verklaren voor u allen, dat N. om de voorzeide oorzaken uitgesloten is, en wordt uitgesloten mits dezen, buiten de gemeente des Heeren, en vreemd is aan gemeenschap van Christus, en van de HeUige Sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan Zijn gemeente belooft en bewijst, zolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijne zonden, en is daarom door uUeden te houden als de heiden en de tollenaar, naar het bevel van Christus, Die zegt, in den hemel gebonden te zijn, al wat Zijne dienaars binden op aarde.

3. Dan volgt de vermaning aan de gemeente en wordt het met dankgebed besloten. In dat gebed wordt met diepe ootmoed beleden, dat de smart in deze afsnijding over de gemeente gebracht, verdiend is, ja, dat we allen waardig zijn, om van God afgesneden te worden. Er wordt in gepleit om vergiffenis en bewaring voor besmetting der wereld en der afgesnedenen om getrouwheid in en zegen over het ververmanen, opdat er weer blijdschap mocht komen over de terugkeer van de afgedwaalde over wie nu rouw is, en wordt met het Onze Vader geëindigd.

Hoe teder is het gebed van toon, bij alle besHstheid van uitspraak. Geen spoor van enige zelfverheffing komt er in voor, maar ootmoed en Uefde voor de afgedoolde staan vooraan. Zuiver 's Heeren bevel, het belang van de gemeente, alsook dat van de overtreder zelf, zijn de motieven tot de afsnijding, zonder enig bijoogmerk, bij de rechte gang van deze zo gewichtvolle handeling.

Een bijzonder geval haalt Voetius nog aan in zijn Pol. Eccl. IV p. 938 en v.v. waarbij naast het gewone formulier nog ook een afzonderlijk formulier er bij gesteld werd. Het betreft Remonstrantsgezinden, die in 1623 van de gemeente Amsterdam afgesneden werden. Vanaf 1610-1623 had men getracht ze voor de kerk te behouden, dus een hele lange tijd, door vermaning, bezoek, samenspreking en onderwijzing. De vermaningen werden echter met spot bejegend, en de vijandschap tegen de ware leer kwam naar alle kanten uit, ook al in het Zondags apart kerkhouden in remonstrantse geest, niettgenstaande de Remonstranten door de Nat, Synode veroordeeld waren. Tot het in 1623 niet langer meer kon, en werden zij, die publiek tegen de zuivere leer optraden eindelijk door middel van het gewone formulier van de ban afgesneden, waarbij tevens dan dat speciaal voor die gelegenheid vervaardigde formulier aangewend werd.

Zij die openlijk voor de dwaalgevoelens uitkwamen werden dus uiteindelijk onder de censuur gezet, maar anderen, die dit niet deden bleven ook vrij van de censuur. Daaruit blijkt dat onze Vaderen, anders dan de Doopsgezinden van die dagen, die al om een kleinigheid uitbanden, of er ook al spoedig klaar mee waren, zeer voorzichtig te werk gingen vanwege het grote gewicht van de aangelegenheid. Het is toch al niet minder dan naar menselijke beschouwing, buiten het koninkrijk Gods stellen door de afsnijding.