Digibron.nl

II. DE OORSPRONG ONZER ELLENDE.

Bron: De Wachter Sions
Datum: donderdag 28 december 1972
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 2, 3

Zondag 3.

Wel was in heel de lichamelijke verschijning van de mens te zien dat hij een beelddrager Gods was. Ook in zijn heerschappij over de dieren. Zo openbaart zich nog iets van dat beeld Gods in de gevallen mens. Het beeld Gods in engere zin, bestaande in kennis, gerechtigheid en heiligheid, is de mens geheel verloren, maar van het beeld Gods in ruimere zin heeft hij nog enige kleine overblijfsels, waartoe ook de ingeschapen Godskennis behoort. Daarin is dus nog te zien hoe hij als zulk een heerlijk schepsel eenmaal uit Gods handen is voortgekomen. Als we het vernuft van de mens zien in deze tijd van wetenschap en ontwikkeling van de techniek, dan zegt ons dat toch ook wel wat het betekent dat de mens als een beelddrager Gods geschapen is.

Maar die mens, die zo heerlijk eenmaal door God geschapen was, als het pronkstuk van Zijn schepping, is moed-en vrijwillig van zijn Maker afgevallen. Neen, hij is niet slechts van uit een sfeer van licht in de duisternis terechtgekomen, zoals de Neo-Kohlbruggianen leren. Zij stellen dat de mens geschapen is in Gods beeld en niet naar Gods beeld. Maar zo kunnen zij ook de noodzakelijkheid van de wedergeboorte loochenen. Het geschapen zijn in Gods beeld moet men zich dan volgens hen zo voorstellen, dat men in een kamer vertoeft die verlicht is, maar doordat het hcht wordt uitgedaan, geraakt men in de duisternis. Door het wegnemen van het licht verandert er echter niets aan de mens zelf. De omstandigheden buiten hem behoeven slechts te veranderen en hij verkeert weer in zijn vorige staat. Met andere woorden: hij behoeft maar tot het licht van het evangelie te komen en dat evangelie gelovig te aanvaarden en alles is weer goed. Er behoeft bij zulk een stelling niets aan de mens te gebeuren. De mens is echter niet geschapen in Gods beeld, maar naar Gods beeld. Dat betekent niet minder dan dat de mens beelddrager Gods was en dat de beeld Gods behoorde tot de natuur van de mens. Toen hij dat beeld Gods verloor, werd zijn natuur geheel verdorven. Daarom moet hij nu wederom geboren worden en dus naar Gods beeld worden vernieuwd. Daar zal ook deze zondagsafdeling ons op wijzen.

Ziet ge niet van welk een grote betekenis het is, dat we goed zien hoe de mens geschapen is ? Dit antwoord zegt het ons, in welk een heerlijke staat God de mens eenmaal had gesteld. Goed en naar Gods evenbeeld geschapen te zijn, wil volgens dit antwoord zeggen: geschapen te zijn in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij - God, zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen. Zo was de mens in de staat der rechtheid profeet, priester en koning. Als profeet mocht hij zijn Schepper recht kennen. Zo mocht hij Gods deugden verkondigen, zoals die uitblonken in al de werken Zijner handen. Als priester mocht hij zich geheel aan God wijden en opofferen met al de genegenheden van zijn ziel. En als koning zou hij eeuwig met zijn Schepper in de gelukzaligheid mogen leven, om Hem te loven en te prijzen.

De schepping des mensen naar Gods beeld hield dus heel wat in ! De mens is als redelijk schepsel door God geschapen, met verstand en wil begiftigd en daarin onderscheiden van de redeloze en kvenloze schepselen. Wat we bij de schepping van de andere schepselen niet lezen, dat lezen we bij de schepping van de mens. God zeide: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis." Van zulk een overleg tussen de Goddelijke Personen leest ge bij de schepping van de andere creaturen niet.

De zon mag een heerlijk groot schepsel zijn, maar dit schepsel weet niet dat het een Schepper heeft. Dit schepsel, hoe heerUjk en groot ook, dient God onbevrast. De mens is echter zo geschapen, dat hij wist dat hij een Schepper had en Wie die Schepper was. In Zijn eer en heerlijkheid en gemeenschap mocht hij zich verbHjden.

„Laat ons zulke mensen maken", sprak God dus eigenHjk. Bij de overdenking van het gewichtvolle onderwerp dat in deze zondag onze aandacht vraagt, moeten we dat goed inzien. Steeds zullen we er op terug moeten komen, wat het betekent dat de mens redelijk schepsel is.

Als redelijk schepsel staat de mens ten volle verantwoordelijk voor al zijn daden. Ons catechetisch onderwijs is er op gericht in de behandeling van het stuk der ellende in de eerste zondagen, om de mens ten volle schuldig voor God te stellen voor die ellende waarin hij nu verkeert. Maar daarin wijst onze Catechismus ons tegelijk op de leiding van Gods Geest in de overtuiging en ontdekking van de schuldige zondaar. De mens moet weten dat hij schuldig staat. Zo zal hij dan ook niet alleen moeten weten hoe hij door vele dadelijke zonden Gods geboden heeft overtreden, maar eenmaal zich uit zulk' een volheerlijke staat gebracht heeft in een staat van de diepste ellende.

God brengt hem door de ontdekking van Zijn Geest bij zijn val en bondsbreuk, opdat hij weten zal hoe hij zich in Adam eenmaal van zijn Maker heeft losgescheurd, moed-en vrijwülig. Maar zo zal de Heere hem ook doen zien hoe hij eenmaal door Hem geschapen is, met Zijn beeld versierd. Hij krijgt er diepe, gevoelige indrukken van, in welk een gelukzalige staat hij eenmaal was gesteld. God brengt hem in het paradijs en dan zal hij zichzelf zien staan als het pronkstuk van de schepping Gods, zonder zonde, ten volle delende in de liefde en de gunst van zijn Schepper. In die staaü der rechtheid leefde de Heere in een verbond van vriendschap en gemeenschap met de mens. Dat was het werkverbond dat Hij met de mens gesloten had. De sluiting van dat verbond is ook een nederbuigende daad van Zijn goedheid geweest. Dat hoge, oneindige Goddelijke Wezen wüde met de mens als een nietig, eindig schepsel in vriendschap en gemeenschap leven. In het verbond der werken beloofde Hij hem het eeuwig, onverliesbaar leven op gehoorzaamheid aan Zijn wet in de onderhouding van het proefgebod. En zo staat hier dan ook in dit antwoord, dat God hem zo goed en naar Zijn evenbeeld geschapen had, opdat hij zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuvwge zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen.

Zulk een verbond sloot God met de mens en de mens sloot zijnerzijds geheel vrijwillig het verbond met God. Maar hoe trouweloos heeft hij dan ook gehandeld in de verbreking van dat verbond ! Bij die moedwillige bondsbreuk door onze diepe val, bepaalt ons deze zondagsafdeling. En zo wülen we dan ook bij die gruwelijke val nu in de tweede plaats ook nog'wat nader stilstaan.

Er wordt nu verder gevraagd: „Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des mensen ? " En het antwoord is: „Uit de val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo verdorven is geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.”

De mens is dus van God afgevallen. Dat was een daad die de mens moed-en vrijwillig deed. Daarom wordt er ook over een ongehoorzaamheid gesproken. In die ongehoorzaamheid is er een bewust handelen bij de mens geweest. De redeloze-en levenloze schepselen gehoorzamen hun Schepper ook, maar doen dat onbewust. Bij de mens is er echter een bewust handelen, daar hij een redelijk schepsel is. Zo is de mens dus bewust ongehoorzaam geweest. De val van de mens is dus maar niet iets passiefs geweest, iets dat we als een ramp of onheil hebben te zien. Neen, die val was een aktieve daad. De zonde is dus geen onopzette-. lijke-maar een opzettelijke misdaad.

En toch lijkt het maar zon simpel geval, dat de mens van de verboden boom gegeten heeft. Zeker, dat was ongehoorzaamheid en de mens moest zijn Schepper gehoorzaam zijn. Maar vvas die zonde dan wel zo verschrikkeHjk, dat die met de dood gestraft moest worden ? Had. God ook maar beter zo'n proefgebod niet kunnen stellen?

Zie, of^ deze vragen geeft de onderwijzer zulk een afdoend antwoord, als het over een val en ongehoorzaamheid spreekt. Het gehoorzamen van de mens was dus een bewust gehoorzamen, maar ook een gehoorzamen uit liefde. In het gewillig en welbewust gehoorzamen van God uit liefde, bestond de hoogste gelukzaligheid van de mens. Hoe heerHjk was alzo de staat waarin God hem had geplaatst. Dat kon hij ten volle openbaren als hem zulk een proefgebod was gesteld. Daardoor werd hij voor twee wegen geplaatst. We hebben er reeds de aandacht op gevestigd en daar moeten we steeds op terugkomen, dat de mens een redelijk schepsel is en dat er dus bij hem van een bewust handelen sprake is. De zon mag een zeer heerlijk schepsel zijn en ook aan God gehoorzamen, maar dit schepsel gehoorzaamt onbewust. Bij de mens is er een bewust handelen, daar hij redelijk schepsel is. Zijn dienen en gehoorzamen van God in de staat der rechtheid was dus niet onbevmst en ook niet uit dwang. We willen het even duidelijk zien te maken dat in het

bewugt en gewillig dienen van God zijn hoogste gelukzaligheid bestond. Menigmaal wordt er door een onbekeerd mens van Gods volk gedacht, dat dat volk toch wel een zwartgallig en somber leven leidt. Immers mag men dit niet doen en dat niet doen. Maar zo is het toch niet. Men wü dit niet meer doen, omdat men zijn lust en vermaak in Gods wet heeft mogen vinden. De zonden zijn de uit God geborene de dood geworden. Hij heeft de ijdelheid van de dienst der wereld leren zien. Met David mag hij zeggen:

Ver boven goud en zilver, en wat meest De mens bekoort, zal Ik Uw wet waarderen.

Zo nu was het ook bij de mens in de staat der rechtheid. Hij mocht God gewillig dieilen. En door het proefgebod kon de heerUjkheid van "s mensen schepping pas ten volle openbaar komen. Voor de andere schepselen was er zulk een proefgebod niet nodig, daar er bij hen van geen bewust en gewillig gehoorzamen van God sprake was. Maar het onderscheid van de mens met de andere schepselen en de heerlijkheid van zijn schepping boven andere schepselen kon pas ten volle openbaar komen als hij voor twee wegen werd geplaatst. Daartoe moest het proefgebod dienen.

Ook opende dat proefgebod de weg tot het verkrijgen van het hoger goed-dan dat de mens reeds bezat. Nu was hij nog valbaar, hoewel volmaakt geschapen. Hij kon het leven nog verliezen. Als hij in het proefgebod staande was gebleven, had hij naar de bijzondere belofte van Gods verbond het leven niet meer kunnen verliezen. Hij had dan het eeuwig onverliesbaar leven ontvangen.

Wat we u maar aan willen tonen, dat isl dat de oorzaak van alle ellende geheel en al bij de mens te vinden is. Als het over de val van de mens gaat, kunnen er zoveel vragen worden opgeworpen. De mens is eenmaal een vondenzoeker geworden door de val. Uit kracht van zijn gevallen staat kan hij niet meer aan Gods kant vallen en zijn Schepper recht en gerechtigheid toeschrijven.

Vandaar rijst ook de vraag in hem op of het eten van die verboden boom nu werkelijk zo'n verschrikkelijke zonde was, dat die zonde met de dood gestraft moest worden. Ja, die zonde is een verschrikkelijke zaak geweest. En daarom is de straf op de zonde ook niet te zwaar. De straf moet altijd even-" redig zijn aan de schuld of de misdaad die bedreven is. In het burgerlijke leven wordt daarom de misdaad zwaarder gestraft dan de andere. En was dan het eten van de verboden boom zulk een verschrikkehjke zaak, dat dit met de dood gestraft moest worden ? Ja, want deze boom was de boom van Gods gezag. Het was de boom der kennis des goeds en des kwaads. Het woord kennen heeft hier niet de betekenis van weten wat goed en wat kwaad was, maar het heeft hier de betekenis van uitmaken en bepalen wat goed en wat kwaad is. Zolang een vader het voor zijn kind bepaalt wat dat kind doen mag en niet doen mag, als dat kind het ongeoorloofde van vele dingen zelf nog niet inziet, zo bepaalde God voor de mens wat hij doen mocht en wat hij niet doen mocht. Als een vader dit voor zijn kind bepaalt, toont hij daarmede zijn gezag. Dat kind heeft slechts te gehoorzamen. Welnu, God toonde Zijn gezag over de mens door voor hem te kennen wat goed en wat kwaad was. De mens had slechts te gehoorzamen. En dat heeft hij niet gedaan. Integendeel, hij wilde juist van Gods gezag ontslagen zijn. Satan heeft het daarop juist aangewerkt, als hij tot de vrouw zeide: „Gijlieden zult de dood niet sterven; maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uwe ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad." De mens zou dan dus zelf bepalen wat goed en wat kwaad was. Hij zou van God af zijn. Hij zou zelf God zijn. Eigen heer en eigen meester. Dat was het begeerlijke dat er voor Eva lag in het eten van de verboden boom en zo stak zij haar hand uit naar de boom van Gods gezag. Zo scheurde de mens zich dan ook los van God. Daar moest de dood het gevolg van zijn, daar God de Oorsprong en de Onderhouders van 's mensen leven was. Daarbij stelde de mens door van de boom te eten God ook nog tot een leugenaar. Hij geloofde de duivel en niet wat God gezegd had. Kon nu zulk een zonde van het eten van de verboden boom met iets anders gestraft worden dan met de dood?

Nog een vraag. Lag die val ook in Gods besluit ? Zeker, lag die in Gods besluit. Zou zulk een grote gebeurtenis als de val des mensen niet in Gods eeuwige raad zijn besloten en bepaald ? We behoeven daar niet aan te twijfelen.

Maar al wat God besloten heeft, moet de mens toch doen .? Staat hij dan nog wel schuldig ? Als antwoord op die vragen moet ik u er weer op wijzen dat de mens als redehjk schepsel handelt. Hij handelt gewillig en bewust. Alle schepselen handelen naar Gods besluit. De zon handelt naar Gods besluit, als ze voor ons oog op en onder gaat. Maar die zon handelt onbewust. Het bewust handelen van de mens stelt de mens schuldig. Wel wist hij niets van Gods besluit. Het besluit Gods is de mens verborgen en dat verborgen besluit kan dan ook nooit een richtsnoer voor 's mensen handelen zijn. Ook had God de mens de vermogens gegeven om in het proefgebod staande te blijven. Maar bevmst ging de mens tegen Gods gebod in. Dat stelde hem schuldig. De zonde van Adams val kon met niet minder gestraft worden dan met de dood, de drievoudige dood. De mens staat ten volle schuldig. Daar gaat het in deze zondagsafdeling over. Het is noodzakelijk dat we ons schuldig leren kennen voor God, ook wat onze diepe val betreft.

Wordt vervolgd.