Digibron.nl

Toelichting op de Kerkorde (27)

Bron: De Wekker
Datum: vrijdag 25 februari 1949
Auteur: Prof. J. Hovius
Pagina: 2

Nog enkele synodale bepalingen bij art. 4 K.O. vragen onze aandacht.
In de practijk van het kerkelijk leven kwam men voor de vraag te staan, of iemand, die volgens art. 8 K.O. praeparatoir geëxamineerd was, ook peremptoir moest geëxamineerd worden, indien hij een roeping aanvaardde van een gemeente in de classis, die hem beroepbaar gesteld had. Dit laatste gebeurde nog al eens. Formeel kerkrechtelijk gezien, moest dan zéér zeker nog het peremptoir examen worden afgelegd, maar men gevoelde dit laatste in zulk een geval als overbodigheid, omdat zulk een examen in de practijk niets anders betekende dan een repetitie van het enige weken tevoren afgelegde praeparatoir examen: dezelfde examinatoren, grotendeels dezelfde vakken, dezelfde deputaten ad art. 49 K.O. In de Acta van 1925 lezen we nu daaromtrent: „Aan de orde van bespreking is deze instructie: „De Part. Synode van het Noorden vraagt der Gen. Synode het daarheen te leiden, dat het gewoonte recht tot een beschreven recht worde, dat een candidaat volgens art. 8 het peremptoir examen niet behoeft af te leggen. Indien hij een beroep aanneemt in dezelfde classe, waarin hij het candidaats-exanien heeft gedaan, doch hem in deze classe „ad hoe” de beroepsbrief (dit is natuurlijk een drukfout, want dit moet zijn: lastbrief, H.) worde uitgereikt.” Een der afgevaardigden van het Noorden zegt, dat deze instructie geboren is uit de practijk. In een classis was een broeder geëxamineerd naar art. 8 D.K.O. Deze broeder nam een roeping aan van een gemeente in die classis. De classis had toen behoefte aan het advies van den Hoogleeraar in het Kerkrecht. Zijn advies was, gen. broeder een lastbrief uit te reiken door ene classis ad hoc, die dan besluiten kan, gehoord het vorige examen, geen peremptoir examen af te nemen.
De Synode besluit, dat aan de classes wordt aangeraden bij een examen art. 8 D.K.O. te bepalen, dat in een zodanig geval een classis „ad hoe” den lastbrief zal uitreiken”, art. 30 Acta 1925.
Opmerkelijk is, dat de synode van 1925 geen bindende bepaling maakte, doch alleen aan de classen een bepaalde regeling ging aanraden. Vanaf 1925 kon dus elke classis nog handelen, zoals zij zelf wenschelijk achtte. Wilde zij in een geval, zoals boven genoemd, nog een peremptoir examen afnemen, zij had daartoe ten volle het recht. Thans is dit anders. De synode van 1947 heeft een bindende regeling gemaakt, want zij heeft bepaald: „Wanneer iemand door een classis naar art. 8 K.O. praeparatoir is geëxamineerd en hij een roeping aanneemt binnen het ressort van die classis, vervalt het peremptoir examen en reikt de classis hem den lastbrief uit.” Ongetwijfeld is er veel te zeggen voor een dergelijke regeling, maar toch is het de vraag, of het niet beter was geweest bij het besluit van 1925, waarbij de classis nog de mogelijkheid behield wel een peremptoir examen te eischen, te blijven. Het kan immers gebeuren, dat iemand door een classis met de kleinst mogelijke meerderheid beroepbaar gesteld wordt op art. 8 K.O. De minderheid heeft om verschillende redenen overwegende bezwaren hem candidaat te maken. Wanneer zulk een persoon nu een roeping van een gemeente buiten dit classicaal ressort aanneemt, moet hij nog beslissend geëxamineerd worden door de classis, waaronder zijn aanstaande gemeente ressorteert. Deze classis oordeelt volkomen zelfstandig over hem. Wanneer zij besluit tot zijn toelating, dan hebben twee classen de verantwoordelijkheid op zich durven nemen zulk een persoon toe te laten tot het ambt van Dienaar des Woords. Maar neemt hij een roeping aan binnen het ressort van zijn eigen classis, dan heeft alleen die classis de verantwoordelijkheid. En zij aanvaardt die met één examen, waarvan de uitslag in het door ons gestelde geval is, dat de persoon met de kleinst mogelijke meerderheid candidaat wordt. Het ware daarom waarschijnlijk beter, dat een classis in een dergelijk geval zou kunnen bepalen: neemt de toegelatene een roeping aan binnen het ressort van de classis, dan zal er in dit geval nog een peremptoir examen volgen.
Of een volgende generale synode deze bepaling zal wijzigen, en aan de classen weer de mogelijkheid zal bieden in eventuele gevallen tóch een peremptoir examen af te nemen, weten we natuurlijk niet. O.i. zou zulk een wijziging aanbeveling verdienen, opdat er toch zoo groot mogelijke waarborgen zijn, dat geen onbekwame en onwaardige personen tot het ambt worden toegelaten.
De vraag is voorts: wat moeten we onder een classis „ad hoe” verstaan in dit verband en wat moet zij doen? De synode van 1947 spreekt niet van een classis „ad hoe”, maar dit is ongetwijfeld wel haar bedoeling.
Een classis „ad hoe” is een classisvergadering tot een speciaal doel bijeengeroepen, in dit geval met het doel den lastbrief aan den candidaat, die vrijstelling van peremptoir examen heeft, uit te reiken. De classis behoeft daartoe natuurlijk niet in haar geheel samen te komen. Zooals voor de approbatie van de attesten van komende en vertrekkende predikanten dikwijls twee kerkeraden aangewezen worden, die dan een z.g.n. „classis contracta” vormen, zoo kan de classis ook voor de uitreiking van den lastbrief twee kerkeraden aanwijzen, die voor dat speciale doel een „classis contracta” vormen en in naam van heel de classis handelen. Natuurlijk zijn ook andere kerkeraden gerechtigd deze vergadering te bezoeken. Men geve dan ook in zulk een geval aan al de kerkeraden van het ressort kennis, dat op die plaats en dat uur de vergadering tot uitreiking van den lastbrief gehouden zal worden, dat door de classis die en die -kerkeraden gemachtigd zijn dit te doen, en dat de andere kerkeraden op die vergadering wel mogen maar niet behoeven vertegenwoordigd te zijn. Nooit drage een classis aan het moderamen van haar laatste vergadering op den lastbrief uit te reiken.
Van deze vergadering van de classis „ad hoe” dienen behoorlijk notulen gemaakt te worden, die in het gewone notulenboek der classis behoren opgenomen te worden.

A.(Apeldoorn).