Digibron.nl

Frans-Guyana — de Franse tropen

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: woensdag 14 augustus 1991
Auteur: L. S. Goudriaan
Pagina: 9 (Onbekend)

CAYENNE - Bienvenue en PYance. Het is heet en vochtig op de luchthaven Rochambeau. De radio brengt, met een oorverdovende opwinding, het laatste nieuws over de Tour de IJ^'rance. Daaraan ontsnapt, krijg je even later Cayenne in zicht. De wit geschilderde stenen kilometer paaltjes langs de "route national" bevestigen dit. Gelukkig maar, want stofwolken maken visueel contact met de omgeving haast onmogelijk.

Het is de droge tijd, ofwel de plaatselijke winter. Hier en daar doemt een Franse nabootsing van de Bijlmer op. Oerlelijke galerijflats, die, zo lijkt het, in dit klimaat dienst doen als woonovens. Cayenne heeft tussen de middag iets weg van een spookstad: gesloten winkels, verlaten pleinen en uitgestorven straten. Een broodinagere hond op zoek naar schaduw domineert het straatbeeld. Het beest maakt zich snel uit de voeten.

Frans-Guyana, aan de noordkust van Zuid-Amerika, is de laatste continentale kolonie ter wereld. Maar zeg dat vooral niet hardop, want "La Guyane" is, althans in theorie, een overzees departement (provincie) en maakt als zodanig integraal deel uit van Frankrijk. Een status om trots op te zijn. Dat zijn de Guyanezen dan ook: FranS' in hart en nieren.

Het is goed toeven onder deze tropenzon. Van de sociale ellende die elders het continent domineert, is in Frans-Guyana amper iets te merken. Het vangnet van de Franse sociale verzekeringen dekt ook dit overzeese departement. Vandaar dat de belabberde economische gang van zaken bijna niemand zorgen baart.

Immigranten vraagstuk
Als onafhankelijk land zou Guyana tot de bedelstaf zijn veroordeeld, maar zo ver hoeft het nooit te komen. De metropool staat daarvoor garant. "Indépendance" (onafhankelijkheid) is een woord dat daarom in de Guyanese pohtiek niet voorkomt. Dat politieke leven staat in de belangstelling.

Het Nationale Front van JeanMarie Le Pen laat van zich horen. Het departement stuurt twee afgevaardigden naar de nationale assemblee in Parijs en de kans is groot dat het Front van Le Pen bij de volgende verkiezingen een van die zetels verovert. Opiniepeilingen geven Le Pens Guyanese handlangers 26 procent van de stemmen.

Het Front dankt deze populariteit, net als in het moederland, of liever: "het vasteland", vooral aan het immigrantenvraagstuk. Guyana's welvaart lokte de afgelopen tien jaar meer dan 20.Ü00 mensen de grens over, meest Brazilianen, Surinamers en Haitianen. Zij verrichten het zware en vuile werk. Van de totale bevolking is nu ruim 31 procent uit het buitenland afkomstig.

„Het loopt de spuigaten uit", zo meent de energieke Jean Fanchtein (door opponenten steevast aangesproken met „monsieur Frankenstein"), een 33-jarige slager die de scepter zwaait over de plaatselijke afdeling van het Front. Zijn klanten kunnen rekenen op 10 procent korting wanneer zij met een Le Pen-speldje op de winkel binnenkomen. De zaken gaan goed.

Ruimtevaartbasis

Frans-Guyana was tot vlak na de oorlog een beruchte strafkolonie. Het Duivelseiland, een naam die ooit koude rillingen veroorzaakte, diende aan het begin van deze eeuw Alfred Dreyfus, de valselijk van hoogverraad beschuldigde artillerie-kapitein, als ballingsoord. Nu is het eiland, dat Henri Charrière inspireerde tot het schrijven van "Papillon", verheven tot bezienswaardigheid voor verdwaalde toeristen.

Frans-Guyana maakt tegenwoordig internationaal naam als Europese ruimtevaartbasis, het thuis van de gevierde Ariane-raketten. Het enorme complex is gevestigd in de buurt van het plaatsje Kourou, precies in de moerasvlakte waar in het jaar 1763 een expeditie kolonisten onder aanvoering van de hertog van Choiseul een tragisch einde ontmoette. Zeker 800 landverhuizers kwamen in de moerassen om het leven. Het succes van het ruimtevaartprogramma heeft Kourou's goede naam hersteld.

De basis zorgt voor welvaart. Ruim 70 procent van het Guyanese nationale inkomen komt via Kourou het land binnen. Dat is te zien en te merken. Een ruime opzet, veel groen en indrukwekkende gebouwen. Alles ziet er schoon en fris uit. De Europese technici zijn ondergebracht in prachtige villa's, elk uitgerust met centrale klimaatbeheersing. Een privé-zwembad ontbreekt in de meeste gevallen niet.

Keerzijde

Maar de ruimtevaartbasis heeft ook een andere, minder vrolijke kant. Wie van het officiële parcours afwijkt, komt terecht in wat eufemistisch de „dorpjes" heten; zes troosteloze krottenwijken weggemoffeld achter het groen. Hier leven de gastarbeiders in uit golfplaten opgetrokken hutjes. Water komt, met enig geluk, uit een collectieve kraan en de elektriciteitsvoorziening is beperkt tot een clandestiene verbinding met het hoofdnet.

Eustace Rianne, de burgemeester van Kourou, geeft schoorvoetend toe dat meer dat meer dan 6000 mensen in de „dorpen" wonen. Bidonvilles wil hij ze niet noemen. „U moet het meer zien als tijdelijke huisvesting. We werken er aan".

Dat klopt. De gemeente overweegt het verwijderen van de sloppenbuurten. „Zij vallen uit de toon en moeten daarom verdwijnen", zo legt Jean-Luc Assard uit, een jonge wethouder die onlangs in het nieuws kwam toen hij een lynchpartij van drie kruimeldieven verhinderde door het ongelukkige trio uit de klauwen te houden van een woedende menigte. „Inderdaad neemt de sociale spanning hier schrikbarend toe. Het gemeentebestuur denkt dat alle problemen wegvallen wanneer de dorpen tegen de vlakte gaa'n. Alsof dat niet voor nog meer spanning zorgt".

Surinamers

Saramaca is het „dorp" van de Surinamers. Zij zijn berucht. De buurt zou criminelen in bescherming nemen. De politie laat zich er liever niet zien. „We vertrouwen hen niet. Het zijn meest schurken en werkschuwen", aldus de verbeten hoofdcommissaris van Kourou, Jean Di Chiari. De meeste Surinamers werken evenwel als tuinlieden en schoonmakers op de basis.

De rolverdeling op de arbeidsmarkt is strikt. Haïtianen doen het zwaarste werk, Brazilianen zitten in de bouw en Surinamers maken schoon. Ondanks alles voelen de meesten zich bevoorrecht. „Ik verdien uitstekend en dat maakt veel goed", aldus Raymond Krashi, een voor het oorlogsgeweld uit Suriname gevluchte tuinman.

Naast de ruimtevaartbasis heeft Frans-Guyana geen economische activiteiten van belang. De bosbouw is er onderontwikkeld. Dat is opmerkelijk in een land dat voor 96 procent met oerwoud is bedekt. Aan initiatieven heeft het niet gelegen. De Guyanese bosbouw laat zich echter omschrijven als een lange serie mislukkingen.

De laatste poging om de houtschat in de wacht te slepen werd vijftien jaar geleden ondernomen: het 'groene plan' van minister Olivier Stirn van overzeese departementen en territoria. Het plan van de bewindsman voorzag in een reusachtig bosbouwproject, dat uiteindelijk een oppervlakte van bijna 10.000 vierkante kilometer zou moeten beslaan. Er zou zelfs een papierfabriek verrijzen.

In de praktijk ging amper 15 vierkante kilometer oerwoud tegen de vlakte. Die inspanning vergde een investering van bijna 50 miljoen gulden. Het leverde geen vel papier op. Guyana importeert nu hout uit Frankrijk. De laatste grote zagerij ging drie maanden geleden over de kop met een schuld van 16 miljoen. men". Jacques lijkt het niet echt te betreuren.

Landbouw

Voor de landbouw gaat een soortgelijk verhaal op. De grond is niet bepaald vruchtbaar. De smalle strook langs de kust bestaat uit zandvlaktes en duinrijen, waaraan slechts met enorme hoeveelheden chemicaliën een magere oogst is te ontrukken. Daar kan Henri Morisse in zijn pied-noir accent over meepraten.

De 55-jarige Henri is op Madagascar geboren en bezat daar een „prachtige"^ boerderij. Hij verloor al zijn bezittingen na de nationalistische revolutie van 1972 en besloot, verbitterd, het eiland definitief de rug toe keren. De Franse overheid bood hem in Guyana 150 hectare aan. „Een nieuw leven in een nieuwe maar toch enigszins vertrouwde, tropische omgeving; dat leek me wel wat. Nu heb ik er spijt van".

Morisse heeft de veehouderij inmiddels opgegeven, „er groeit hier geen sprietje gras", en probeert het hoofd boven water te houden door met technische hulp uit Parijs tomaten te kweken. „Het is niet makkelijk en nu begrijp ik waarom destijds juist Guyana tot strafkolonie is verheven".

Lichtpuntjes

Toch zijn er lichtpuntjes in het Franse oerbos. Twee Surinamers en een Nederlander introduceerden vier jaar geleden de rijstcultuur en oogsten niets dan succes. Kort geleden kon Guyana zelfs de invoer van rijst stopzetten. Het moderne bedrijf van het ondernemende trio, bijna 7000 hectare groot, beschikt over een eigen luchtvloot en gaat binnenkort de internationale markt op.

Voor het communisme gevluchte Vietnamezen en Laotiaanse kolonisten domineren de garnalenhandel, een van de meest belovende sectoren van de lokale economie. Zoetwatergarnalen, afkomstig uit kwekerijen, zijn Guyana's belangrijkste exportprodukt. Ten slotte probeert de lokale • 57: LAURENT - Beeld van St. Laurent, een plaats aan de grens met Suriname. Foto Hollandse Hoogte, H. Langeveld overheid met allerlei subsidies en fiscale premies het toerisme van de grond te krijgen. Makkelijk zal dat niet gaan. Het slib van de Amazonerivier bederft een in alle andere opzichten perfect vakantieoord.

Ecologisch toerisme kan wellicht uitkomst bieden. De "groene hel" van het binnenland is daarbij uiteraard attractie nummer één. Maar buitenlandse gasten moeten dan wel genoegen nemen met zeer primitieve omstandigheden.

„Er is daar heel wat te beleven, maar hoe krijg je de mensen zover om een luxe hotelkamer te verruilen voor een hangmat? Op die lastige vraag proberen wij een antwoord te vinden. Ecologisch toerisme is een leuk maar innerlijk tegenstrijdig begrip, dat vooralsnog geen praktische toepassing vindt", aldus Yves Praquin van de raad voor het toerisme in Cayenne.

Schrikbeeld

Nu speelt er in Guyana bij al deze moeilijkheden en tegenslagen nog iets heel anders een rol van belang. Veel Frans-Guyanezen zien het nut van alle pogingen om hun land tot ontwikkeling te brengen gewoon niet in. „Dat is ook wel begrijpelijk. De mensen hebben het goed. Waarom ingewikkeld doen als het ook makkelijk kan. In alle behoeftes van de bevolking is voorzien. Verder is het altijd erg warm en dat drukt nu eenmaal de lust tot ondernemen", aldus een topambtenaar van het secretariaat voor economische zaken in de hoofdstad.

Hij slaat de spijker op z'n kop. De metropool zelf hecht al evenmin belang aan het tot bloei brengen van de verre provincie. Dat zou immers de gevoelens jegens Frankrijk wel eens kunnen doen omslaan. Een Guyana dat op eigen economische benen staat, zal zonder twijfel ook politieke zelfstandigheid eisen en dat is het schrikbeeld van Parijs.

De overzeese provincie bewijst uitstekende diensten als ruimtevaartbasis, een vaak lawaaiige affaire, die men niet graag in de eigen achtertuin heeft, en vraagt in ruil slechts het onderhoud van een dorpseconomie. Het is een kleine prijs, die Parijs graag betaalt.