Digibron.nl

Een open wond ontleed

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: woensdag 5 maart 2014
Auteur: Van onze verslaggever
Pagina: 2 (Puntkomma)

Een boek dat van moed getuigt, zo typeerde dr. J. van de Kamp het proefschrift van ds. M. Golverdingen over –onder meer– de kwestie-Kok gisteren. „U ontleedt daarin een meer dan zestig jaar oude open wond, vanuit het verlangen om recht te doen aan mensen.

Van de Kamp, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en de universiteit van Bremen, sloot hiermee aan bij het motto dat de promovendus zijn studie meegaf, een citaat van de in 2011 overleden historicus prof. dr. A. Th. van Deursen: „Wij moeten hem recht doen, zowel de levende als de dode. En daarom moeten wij hem leren kennen. Dus zoeken we in de geschiedenis niet naar wat nuttig is, maar naar wat waar is. De gestorvenen mogen we evenmin belasteren als de levenden. Je moet de waarheid over hen spreken. Dat kan nu eenmaal niet zonder dat je iets van hen weet. En je moet iets van hen weten, want het verleden dat zij geschapen hebben, is nog overal om ons heen.”

Dat ook dit laatste wáár is, bleek gistermiddag wel uit de grote belangstelling voor de promotie, die om die reden plaatshad in het kerkgebouw van de gereformeerde gemeente te Apeldoorn, op een paar minuten lopen van het gebouw van de Theologische Universiteit Apeldoorn van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Naast familieleden woonden tal van predikanten, nazaten van hoofdrolspelers uit de door ds. Golverdingen bestudeerde periode, gemeenteleden en andere geïnteresseerden de plechtigheid bij. En „er zijn dissertaties die minder verkopen”, merkte promotor prof. dr. H. J. Selderhuis in zijn laudatio op.

In zijn proefschrift (uitg. Den Hertog, Houten) onderzoekt ds. Golverdingen „de Gereformeerde Gemeenten van 1946 tot 1950.” Een tijdvak dat zich volgens hem laat omschrijven met de begrippen „vernieuwing en verwarring” – de titel van zijn studie. „In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werden in deze kring allerlei nieuwe initiatieven ontwikkeld. Het einde van de jaren veertig kenmerkte zich door verwarring. Er was sprake van een betreurenswaardig misverstand over de begrippen belofte en aanbod van genade. In allerlei moeilijke situaties liet men de geschreven kerkrechtelijke regels los, met alle gevolgen van dien.” Een van die gevolgen was de schorsing van ds. R. Kok, predikant van de gereformeerde gemeente in Veenendaal, door de generale synode van 1950.

Dynamiek

Zoals gebruikelijk krijgen verschillende personen deze dinsdagmiddag de gelegenheid tegen de dissertatie te opponeren. Van de Kamp legt de vinger bij de onderzoeksvraag zoals ds. Golverdingen die heeft gehanteerd: Hoe verhouden zich in de Gereformeerde Gemeenten in de periode 1946-1950 de theologische motieven tot de factoren die behoren tot de meer sociale context van de kerkgeschiedenis? Van de Kamp: „Is het niet veel meer zo dat beide factoren vaak verstrengeld zijn? In een conflict zit altijd dynamiek. Had uw onderzoeksvraag niet beter kunnen luiden: wat is de dynamiek in de ontwikkelingen in de Gereformeerde Gemeenten van 1946 tot 1950?”

Ds. Golverdingen: „Die keuze zou tot een heel ander onderzoek hebben geleid. Daar heb ik op zichzelf geen bezwaar tegen, alleen: wat ik heb willen doen, is de historische werkelijkheid van toen beschrijven. En gaandeweg kom je dan vanzelf bij het conflict. Dat is wat anders dan het conflict tot uitgangspunt nemen.”

Ook historicus prof. dr. F. A. van Lieburg vraagt zich af of de tweedeling tussen „theologische motieven” en „sociale context” niet „te simpel” is. „U komt dan tot de conclusie dat de theologische motieven in de jaren 1946-1950 38,21 procent van het geheel uitmaken. Voor de kerkhistorische factoren met een sociale context is dat percentage 61,78. Ik kan daar toch wat minder goed mee uit de voeten.”

Ds. Golverdingen: „Een vraag over deze cijfers was te verwachten. Ik mag tot uw geruststelling zeggen: ik had een middel nodig om het antwoord op de probleemstelling concreet te maken. Met deze cijfers heb ik dat geprobeerd.”

Gemoedelijk

Een vraag heeft prof. Van Lieburg ook bij de grote nadruk die de promovendus legt op het kerkrecht. „Het kerkrechtelijk denken vanuit de regels van de Dordtse Kerkorde vertoonde in de jaren 1948-1950 in de Gereformeerde Gemeenten een ongekend diepe inzinking”, constateert u in stelling 6 bij uw proefschrift. „De onkerkrechtelijke behandeling van R. Kok door de generale synode van 1950 was daarvan een voorbeeld.” Uw studie laat zien dat er voldoende grond is voor deze stelling. En toch: is het niet wat onbarmhartig, onhistorisch ook, om de meetlat van de Dordtse Kerkorde zo hoog te leggen – in het licht van het zelfverstaan van deze toch wat gemoedelijke kerkengroep in die tijd? Met andere woorden: hoeveel gewicht geeft u hier aan de theologische en hoeveel aan de sociale factor?”

„Ik beschouw de DKO als een theologische factor”, is het antwoord van ds. Golverdingen. „Juist ook omdat een groot aantal artikelen in de DKO aan de Schrift is ontleend en teruggaat op teksten uit de Bijbel.”

Scholastiek

Prof. dr. G. C. den Hertog, die de emeritus predikant als copromotor begeleidde, vraagt hem in hoeverre het „scholastisch denken” van dr. C. Steenblok –die in 1943 overkwam vanuit de Gereformeerde Kerken en door ds. G. H. Kersten als zijn opvolger werd beschouwd– paste bij „het gemoedelijke, bevindelijke klimaat dat de Gereformeerde Gemeenten kenmerkte. Niet voor niets riep zijn referaat over Christus en de algemene genade, in 1944, bij velen bevreemding op. Paste zijn scholastisch dogmatisch denken wel bij het oorspronkelijke klimaat? Anderzijds: uit uw boek rijst een beeld van ds. Kersten als middenfiguur – het waren dr. Steenblok en ds. Kok die de zaak steeds op de spits dreven. Maar klopt dit beeld helemaal, gelet op bijvoorbeeld de polemiek die Kersten bedreef met de christelijke gereformeerde ds. J. Jongeleen over de twee- en drieverbondenleer?”

Ds. Golverdingen: „Tot ongeveer half jaren twintig is er sprake van een heel persoonlijke wijze van omgaan met de Heilige Schrift bij ds. Kersten. In zijn boek ”Meer dan overwinnaars” kijk je Kersten in zijn hart. Ik vind dat misschien wel een van zijn beste boeken. En door zijn omgang met de oude schrijvers heeft hij ook wel kennisgemaakt met de scholastiek als hulpmiddel in de gereformeerde orthodoxie. Maar dr. Steenblok was werkelijk in het scholastieke –logische– denken geschoold. Hij paste dit ook op allerlei terreinen toe, ook op bijvoorbeeld tuchtzaken: „U beweert dit? Dan beweert u ook dat? Dus ook zo? Dan bent u verkeerd.” Maar wie de Nederlandse Geloofsbelijdenis leest over het menselijk verstand, met name artikel 14, weet dat daarover niet zulke optimistische dingen worden gezegd.”

Dr. Van de Kamp wijst erop dat ds. Kersten in de strijd rond dr. Steenblok en ds. Kok tot tweemaal toe een brochure heeft uitgegeven waarmee hij een „bemiddelende rol” probeerde te spelen. De laatste was ”Het verbond der genade” van Ebenezer en Ralph Erskine en James Fisher – het boekje dat ds. Kok tijdens de synodevergadering van 12 januari 1950 in zijn hand had, maar waaruit preses ds. D. L. Aangeenbrug hem niet toestond voor te lezen. Ds. Golverdingen: „Het is inderdaad zo dat ds. Kersten na twee belangrijke gebeurtenissen een brochure liet verschijnen. Tot het laatst van zijn leven heeft hij geprobeerd samenbindend te werken.”

Nog twee wetenschappers –prof. dr. A. Baars en dr. A. Huijgen– krijgen het woord. Prof. Baars, die recent met emeritaat ging als hoogleraar aan de Apeldoornse universiteit, geeft aan dat het proefschrift bij hem „iets heeft opgeroepen wat ik nog nooit bij een proefschrift gehad heb. Sommige gedeelten heb ik niet met droge ogen kunnen lezen.”

Dan stelt hij misschien wel dé vraag van deze middag: „Was er nu werkelijk zo veel verschil tussen Kersten en Kok op het punt van verbond en belofte? Beiden gingen, om maar wat te noemen, uit van twee verbonden. Zo nee: hoe kon het dan dat het conflict zó escaleerde? Zo ja, als er wél verschil was, dan zou ik graag van u horen op welke punten dit dan het geval was. Kunt u dat dan in enkele zinnen op formule brengen?”

Explosief

Ds. Golverdingen: „Tussen Kersten en Kok was op het punt van belofte en aanbod van genade als het om de kérn van de zaak gaat geen verschil. Kersten was voorstander van een Bijbels aanbod van genade. Tijdens de vergadering van de classis Barneveld op 1 juni 1948 kwam het, na een confrontatie, ook tot een verzoening tussen de twee. Op verzoek van Kok schreef Kersten in drie punten op wat voor hem de aanbieding van het Evangelie inhield – en Kok betuigde daar zijn instemming mee. Hij wist trouwens heel goed hoe Kersten erover dacht, hij was zelf betrokken geweest bij de leeruitspraken van 1931.

Ten diepste zie ik dus geen verschil tussen Kersten, de jonge Kersten, en Kok. Wél is er verschil waar het gaat om persoonlijkheidsstructuur en taalgebruik. Kersten was meer uit op het verbinden van mensen. Kok was meer explosief van aard. Hij gaf ook niet altijd even nauwgezet aan wat hij precies bedoelde. In mijn proefschrift spreek ik van een gebrek aan theologische zelfcontrole. Daarmee riep hij weerstanden op die soms heel begrijpelijk zijn: „Wat is er met ds. Kok aan de hand?” Op dat vlak lagen vooral de problemen.”

>>rd.nl/golverdingen voor meer foto’s en een geluidsopname.

Momentum

Een „momentum” noemde prof. dr. H. G. L. Peels de promotie van ds. M. Golverdingen, emeritus predikant van de Gereformeerde Gemeenten, gistermiddag. De rector van de christelijke gereformeerde universiteit in Apeldoorn wees hierbij op het feit dat de plechtigheid twee kerkverbanden waartussen met name in de eerste helft van de twintigste eeuw een felle theologische strijd woedde –de Gereformeerde Gemeenten en de Christelijke Gereformeerde Kerken– even samenbracht. De promotie had plaats in het kerkgebouw van de gereformeerde gemeente in Apeldoorn.

Prof. dr. H. J. Selderhuis, de promotor van ds. Golverdingen, verwees hier in zijn laudatio eveneens naar. „U verbindt vanmiddag twee gebouwen met elkaar: een gebouw van de Gereformeerde Gemeenten en een gebouw van de Christelijke Gereformeerde Kerken – waar, triest, ds. Kok naartoe moest.” Om er op selderhuisiaanse wijze aan toe te voegen: „Al heeft dat ons ook goede dominees en zelfs nog een professor (prof. dr. G. C. den Hertog, red.) opgeleverd.”