Digibron.nl

IN MEMORIAM Ds. MARINUS BLOK

Bron: De Saambinder
Datum: donderdag 26 januari 1961
Auteur: ds. L. Rijksen
Pagina: 1

Niet zonder ontroering zet ik mij neder om iets te schrijven in verband met het overlijden van onze geliefde vriend en broeder Ds. M. Blok van Rijssen, die vorige week in de leeftijd van slechts 51 jaar ons betrekkelijk nog onverwachts ontviel. Immers, op de 2e maart 1909 werd onze broeder geboren. In zijn jonge leven verkerende in het midden van de wereld, leefde hij voort naar de verdorven lusten van zijn natuurlijk bestaan. Toen hij reeds getrouwd was, brak echter het ogenblik aan van Gods soeverein welbehagen, waarop de Heere hem een halt toeriep, door Zich met Zijn levendmakende kracht des Heiligen Geestes onwederstandelijk in hem te verheerlijken en rukte Hij hem af van het pad der zonde en des doods, om hem over te zetten op de weg des levens der Goddelijke genade, die in Christus is, tot zijn eeuwig heil. diepe wegen, die soms zeer smartelijk waren, heeft hij hierin moeten doorgaan. Zijn werk moest hij ook opgeven, omdat de zondagsdienst daaraan verbonden was en de beproevingen zijn hem daarbij niet gespaard, waarin het scheen dat alles, ja ook de Heere Zelf, hem tegen was.

Hoe hij echter in grote droefheid zijn noden voor de mensen trachtte te verbergen, de Heere betoonde genadiglijk hem te kennen, door op Zijn tijd op zeer wonderlijke wijze menigmaal uitkomst te willen geven. Mocht hij in zijn werk, dat hij begon, steeds de vervulling van de tijdelijke zorgen verkrijgen, en de zegen des Heeren daarin opmerken, de Heere had met onze vriend wat anders voor, en zou Zelf daartoe de weg besturen. Nadat de Heere hem door Zijn ontdekkende, ontsluitende en toepassende bearbeiding des Heiligen Geestes vergunde met bewustheid voor eigen zieleleven in Christus overgezet, door het geloof in Zijn vrijmakende kracht zich te verlustigen, bond de Heere de roeping op zijn hart, die geheel enige weg des levens, waarin God komt aan Zijn eer, en gans verloren zondaren gezaligd worden, aan anderen te verkondigen. Hoe onbekwaam hij hiertoe zich ook gevoelde en hoe onmogelijk dit voor hem was, en welke bezwaren hij ook zocht in te brengen, de Heere ging hiermede door, zodat hij geheel overgebogen.zich genoodzaakt zag de kerkeraad van de gemeente, waartoe hij behoorde, een attest te vragen en zich te melden bij het Curatorium, Nooit zal ik vergeten de eerste dag, dat hij op de Theologische School kwam en wij een gesprek met elkaar kregen. Geheel vreemd van elkander, vóór die tijd elkaar nooit gezien of gekend, is daar toen een band door God gelegd, zó wonderlijk, alsof wij elkaar al jaren hadden gekend.

Een zeer aangename tijd hebben wij samen op de Theologische School gehad, waarbij ook onze onvergetelijke broeder, wijlen Ds. J. B. Bel, toen ook nog student, met ons samen zeer nauw verenigd was. In latere jaren is het wel opgehaald hoe kennelijk de Heere menigmaal in ons midden was. Nadat hij zijn studiën aan de School volbracht had, en in 1945 met gunstig gevolg preperemtoir examen had afgelegd, nam hij uit de vele beroepen, die op hem waren uitgebracht, dat van Zeist aan. Tot rijke zegen van velen, waarvan er zijn, die nog getuigenis daarvan kunnen afleggen, is hij daar werkzaam geweest tot de tijd, dat Rotterdam in 1949 hem riep om de herdersstaf daar op te nemen. Welk een blijdschap was daar bij velen, waar de gemeente van Rotterdam (C.) nog treurde over het verlies van wijlen ds. G. H. Kersten, die in 1948 overleed, dat onze broeder dit beroep niet durfde afslaan en alzo overkwam. Deze gemeente heeft hij met de liefde van zijn gehele hart tot 1956 toe mogen dienen.

In dat jaar werd hij echter gedrongen om de gemeente van Rijssen te gaan dienen, en aanvaardde dan ook het beroep op hem uitgebracht. Deze gemeente heeft hij tot het laatst van zijn leven gediend. Ds. Blok had ook grote belangstelling voor de kerkelijke aangelegenheden en gaf zijn beste krachten tevens gaarne voor de verzorging der predikantsweduwen en - wezen, als deputaat daartoe door de Generale Synode aangewezen; aan de leniging der noden van bijzonder getroffenen als deputaat in de kommissie voor bijzondere noden. Ook was hij door de Partikuliere Synode Oost aangewezen als deputaat art. 49 D.K.O. In het bijzonder mocht hij zich geven voor de arbeid van het Curatorium der Theologische School, en was de laatste tijd voorzitter daarvan.

Ondanks dat hem door zijn behandelende geneesheren de strengste rust werd voorgeschreven, trachtte hij in al deze arbeid meer te doen, dan voor hem wenselijk was. De ziekte, waarmede hij voor enkele jaren reeds aangegrepen werd, werkte immers al verder door, zodat hij zich zelfs genoodzaakt zag emeritaat aan te vragen, en dit ook verkreeg met ingang van 1 januari j.l. Op oudejaarsavond heeft hij afscheid gepreekt, en deze predikatie is ook de laatste geweest, toen niet denkende, dat bij het aanbreken van het nieuwe jaar, voor hem het jubeljaar der eeuwige vrijlating, aanstonds zou aanbreken, om tot de verloren erfenis in Adam, nu in Christus in volmaakte herstelling, voor eeuwig te mogen ingaan. Hoe duidelijk kwam dit uit. Want toen hij op de eerste morgen van het nieuwe jaar zich opmaakte om weer in de gemeente het Woord te bedienen, zakte hij in de konsistoriekamer vlak vóór de dienst in een bewusteloosheid neer, en vond de spoedig aanwezige dokter het nodig hem direkt naar het ziekenhuis te laten brengen. Een operatie werd door de specialisten noodzakelijk geacht. Hoe gemakkelijk kon hij zich hiertoe, hoe zwaar deze ingreep ook was, overgeven, daar de Heere hem, gelijk hij mij persoonlijk mededeelde, vergunde zich in de Heere met ziel en lichaam te verliezen met de woorden uit Rom. 14 : 7—9. Het was allemaal goed: „Want hetzij dat wij leven, wij leven de Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven de Heere, Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren". Een zeer ernstige operatie, die uren heeft geduurd, is daarop gevolgd. Hevige pijn en smart heeft hij daarna gehad, toch scheen het alsof het alles ten goede zou zijn, doch donderdagavond ontstond er weer een hevige inwendige bloeding. Nogmaals grepen doktoren in om te trachten deze inwendig te stelpen, en weer werd hij daartoe op de operatietafel gelegd, doch ondanks alle moeite, die werd aangewend, mocht niets meer baten, want het bleek dat het de tijd was, dat de Heere hem wilde opnemen in heerlijkheid. Rustig en stil heeft hij de laatste paar uren daar gelegen, om daarna lieflijk in te slapen in de Heere. Voor hem is het alzo zo troostrijk waar geworden: „Gij zijt verlost. God heeft u welgedaan". Mogen wij zo van harte geloven, dat zijn sterven voor hem enkel winst en een zalige verlossing, met een volheerlijke toekomst was, om nu in de gemeenschap van zijn Goël en Losser God Drieënig ongestoord te mogen dienen en te verheerlijken, welk een zeer zware slag is zijn overlijden voor zijn liefhebbende vrouw en kinderen!

Met welk een nauwe band waren ze, in het bijzonder de laatste jaren, verbonden. Het is onze hartewens, dat de Heere sterke en trooste, en de ledige plaats met Zichzelf genadig wil innemen, om het troostrijke geheim in te leven wat het is, dat Hij een Man der weduwen en Vader der wezen wil zijn. Ook voor de gemeenten is dit weer een vernieuwde slag. Ontviel ons verleden jaar zo plotseling in de kracht van zijn leven onze vriend en broeder wijlen Ds. J. W. Kersten, nog geen 45 jaar oud, nu in de Ie maand van dit pas begonnen jaar ontvalt ons Ds. M. Blok, slechts 51 jaar oud zijnde. Och, dat de smarten in deze droeve omstandigheden ons dringen om gebonden aan de troon der genade het te behoeven, dat de Heere spare en ons gedenke in soevereine ontfermingen in al de nood van de levende bediening temidden van zoveel vakante gemeenten.

Mogen wij enerzijds opmerken, dat de Heere, Wie al Zijn werken van eeuwigheid bekend zijn, ons telkens weer mannen toeschikt om opgeleid te worden, en die straks, zo de Heere spaart, aan de gemeenten verbonden hopen te worden, hoe klein blijft anderzijds het aantal leraren, doordat telkens er weer weggenomen worden, zelfs in de volle kracht des levens, terwijl zoveel gemeenten herderloos zijn. Zou wel genoeg beseft worden wat de Heere in de breuk in Sions kerk ons nog schenkt, en brengt al dit droevig gebeuren ons wel op de ware plaats in de schuld en ware verootmoediging voor God? Och, dat de eer Gods en het wezenlijk heil van Sion ons meer en meer op het hart gebonden ware met de erkenning, dat onzerzijds alle weldaden, ook ten deze, verzondigd zijn. Dat de gedurige smeking ons dringe het nodig te hebben, dat Hij de levende bediening Zijns Woords ons toch niet ontneme, maar vermenigvuldige. De Heere sterke in de smart en beware voor opstand, doch geve te bukken onder Zijn beleid, en doe bij al wat ons ontvalt het gedurig behoeven, dat Hij het ook in deze genadig doe ervaren: „Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten". Ja: „Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld. Amen".

Rotterdam-W